Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6724

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
14-07-2021
Zaaknummer
FT EA 21-275 en 21- 276
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzen dwangakkoord, afwijzen wsnp

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Faillissementswet 284
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummer]

uitspraakdatum: 30 april 2021

in de zaak van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 9 maart 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten Gemeente Rotterdam Serviceorganisatie, afdeling Werk & Inkomen (hierna: de gemeente Rotterdam), die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

De gemeente Rotterdam heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 20 april 2021 zijn telefonisch gehoord conform TARIC (de Tijdelijk afwijkende regeling Insolventiezaken rechtbank vanwege de bijzondere omstandigheden door de coronacrisis):

  • -

    verzoeker;

  • -

    mevrouw [naam 2] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening).

De gemeente Rotterdam heeft in haar verweerschrift kenbaar gemaakt niet te zullen verschijnen ter terechtzitting.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift vijftien schuldeisers, waarvan twee preferente schuldeisers (met vijf vorderingen) en dertien concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 31.298,48 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 29 oktober 2020 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 8,96% aan de preferente schuldeisers en 4,48% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting. Ten tijde van het aanbod bedroeg de schuldenlast € 30.307,83.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De afloscapaciteit van verzoeker is gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van zijn Ziektewetuitkering.

De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. Verzoeker heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en zijn vaste lasten worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan.

Veertien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. De gemeente Rotterdam stemt hier voor twee van de vier preferente vorderingen niet mee in. De vorderingen op verzoeker waarvoor de gemeente Rotterdam niet heeft ingestemd vertegenwoordigen samen een bedrag van € 6.669,17 en belopen 21,3% van de totale schuldenlast.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft de gemeente Rotterdam zich op het standpunt gesteld dat zij bij vorderingen die na 1 januari 2013 zijn ontstaan, niet meewerkt aan de schuldregeling tegen finale kwijting voor zover die vorderingen niet te goeder trouw zijn ontstaan. Op deze vorderingen is artikel 60c Participatiewet van toepassing. Verzoeker is zijn inlichtingenplicht niet volledig nagekomen en hiervoor is aan hem een bestuurlijke boete opgelegd.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de gemeente Rotterdam bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de gemeente Rotterdam in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van de gemeente Rotterdam een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 21,3%. Alle veertien overige schuldeisers zijn wel met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.

Ter zitting heeft verzoeker verklaard dat hij inmiddels volledig is hersteld en weer arbeidsgeschikt is (Ziektewetuitkering gestopt) en dat hij solliciteert naar betaald werk

Ter zitting heeft schuldhulpverlening verklaard te zullen controleren of verzoeker voldoende solliciteert. Mocht verzoeker uiteindelijk een hoger inkomen verwerven dan profiteren de schuldeisers hiervan, aangezien het onderhavige aanbod gebaseerd is op een prognoseakkoord.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoeker zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.

Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Ten aanzien van het standpunt van de gemeente Rotterdam dat zij geen finale kwijting kan verlenen nu zij de imperatieve bepaling van artikel 60c Pw moet volgen, overweegt de rechtbank dat voornoemde bepaling de rechtbank niet beperkt in de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a lid 5 Fw.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de gemeente Rotterdam, die geweigerd heeft in te stemmen.

Het verzoek om de te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

De gemeente Rotterdam zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt de gemeente Rotterdam om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt de gemeente Rotterdam in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J. Tideman, rechter, en bij zijn afwezigheid uitgesproken en getekend door F. Damsteegt- Molier, rechter, in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.