Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6695

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
13-07-2021
Zaaknummer
10/283600-20 en 10/283592- 20 (ter terechtzitting gevoegd) vordering TUL VV: 10/651025-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor een diefstal met geweld en het medeplegen van schuldheling. De verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 90 uur met aftrek voorwaardelijk.

De benadeelde partijen worden niet-ontvankelijk verklaard omdat de vorderingen onvoldoende onderbouwd zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

Parketnummers: 10/283600-20 en 10/283592-20 (ter terechtzitting gevoegd)

Parketnummer vordering TUL VV: 10/651025-20

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] 2006,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte],

verblijvende op het adres:

[verblijfadres verdachte],

raadsman mr. H.J. Andel, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van 22 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen. De tekst van de tenlastelegging, na afsplitsing van feit 2 van de dagvaarding met parketnummer 10-283600-20, is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. S.M. Scheer heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 2 primair ten laste gelegde met het parketnummer 10/283592-20;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde met het parketnummer 10/283600-20 en de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde schuldheling met het parketnummer 10/283592-20;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 40 dagen met aftrek
    van voorarrest, waarvan 5 dagenvoorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming zijn geadviseerd;

  • -

    met opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

  • -

    dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het uit te oefenen toezicht.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering feit 2 primair (10/283592-20)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de onder 2 primair ten laste gelegde diefstal, met het parketnummer 10/283592-20, niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering feit 1 (10/283600-20)

De rechtbank acht het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit met het parketnummer 10/283600-20 heeft begaan gelet op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

4.3.

Bewijswaardering feiten 1 en 2 subsidiair (10/283592-20)

4.3.1.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte hoogstens voor heling van een scootmobiel kan worden veroordeeld. De verdachte heeft immers verklaard dat hij maar op één scootmobiel heeft gezeten. De politie heeft slechts beschreven dat zij vier jongens op twee scootmobiels zagen crossen. Een scootmobiel is niet bedoeld om met meer dan een persoon op te rijden. Dan kan het dus niet zo zijn dat er vier jongens op twee scootmobiels reden..

4.3.2.

Beoordeling

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman inhoudende dat de verdachte van een schuldheling dient te worden vrijgesproken. Uit het dossier blijkt dat vier jongens in een park aanwezig waren en op twee scootmobiels crossten. Door aldaar aanwezig te zijn en deel uit te maken van deze groep heeft de verdachte beide scootmobiels, waarvan hij redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze van een misdrijf afkomstig waren nu die gestart moesten worden met een schaar die de verdachte bij zich droeg, - in vereniging - voorhanden gehad.

4.3.3.

Conclusie

De onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten met het parketnummer 10/283592-20 zijn wettig en overtuigend bewezen.

4.4.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde met het parketnummer 10/283600-20 en het onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde met het parketnummer 10/283592-20 heeft begaan op die wijze dat:

10/283600-20

1.

hij op 12 september 2020 te Schiedam op de openbare weg, te weten het Johann Straussplein, tezamen en in vereniging met anderen een elektrische step, die toebehoorde aan [naam slachtoffer 1], heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- voor die [naam slachtoffer 1] en te gaan staan met een bivakmuts op en

- die [naam slachtoffer 2] tegen te houden en

- voornoemde step vast te pakken en

- te trekken aan voornoemde step en de kleding van die [naam slachtoffer 1] en

- die [naam slachtoffer 1] van voornoemde step te duwen en- die [naam slachtoffer 2] met kracht te slaan in het gezicht, en

- die [naam slachtoffer 2] met kracht te trappen tegen de rug

10/283592-20

1.

hij op 4 september 2020 te Schiedam, tezamen en in vereniging met anderen, een scootmobiel (merk Sterling, type Elite 2 plus, verzekeringsplaatje [nummer 1]), voorhanden heeft

gehad , terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2

subsidiair:

hij op 4 september 2020 te Schiedam, tezamen en in vereniging met anderen, een scootmobiel (merk Sterling, verzekeringsplaatje [nummer 2]), voorhanden heeft gehad terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs hadden moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

10/283600-20

1.

diefstal, voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf, het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg en terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

10/283592-20

1

medeplegen van schuldheling

2 subsidiair

medeplegen van schuldheling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich op dertienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan de schuldheling van twee scootmobiels. Hij is samen met drie andere jongens op deze scootmobiels gaan crossen in een park in Schiedam. Op die manier heeft de verdachte er aan bijgedragen dat de scootmobiels buiten het bereik van de eigenaren bleven. De rechtbank acht dit extra kwalijk omdat scootmobiels veelal worden gebruikt door mensen die op leeftijd zijn en slecht ter been en zich zonder hun scootmobiel niet of nauwelijks kunnen verplaatsen buitenshuis.

Ongeveer een week later heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de diefstal met geweld van een elektrische step, waarbij een 11-jarige jongen onder meer is geduwd en van zijn step is getrokken. De, eveneens 11-jarige, vriend van de aangever is de verdachte en de medeverdachten nog achterna gefietst om de step terug te halen. Hierop is de vriend door de verdachte in zijn gezicht geslagen en door een medeverdachte tegen zijn rug geschopt. De rol van de verdachte in het geheel ziet dan ook met name op het plegen van geweld tegen de vriend van de aangever, na het wegnemen van de step, om het bezit van de gestolen step te verzekeren. Met zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor andermans eigendommen en daarbij het gebruik van geweld niet te schuwen Bovendien leert de ervaring dat slachtoffers van dergelijke berovingen hiervan nog langdurig de nadelige gevolgen kunnen ondervinden. Hiermee hebben de verdachte en de medeverdachten geen rekening gehouden. De rechtbank neemt dit de verdachte zeer kwalijk.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

15 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages en verklaringen van deskundigen op de terechtzitting

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 april 2021, waarin wordt geadviseerd om de verdachte een voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de verdachte zich zal houden aan een meldplicht bij de jeugdreclassering;

  • -

    dat de verdachte zijn medewerking verleent aan de behandeling bij Pluryn of een soortgelijke instelling;

  • -

    dat de verdachte zijn medewerking verleent aan de door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte hulpverlening;

  • -

    dat de verdachte zich gedurende verlofmomenten aan een avondklok houdt, waarvan de tijdstippen worden bepaald door de jeugdreclassering voor de duur van maximaal zes maanden;

  • -

    dat de verdachte naar school gaat volgens rooster;

  • -

    met opdracht aan de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.

De risico's voor de kans op herhaling van delictgedrag liggen met name op de gebieden van beïnvloedbaarheid, antisociale vrienden, onvoldoende vaardigheden en daarnaast het missen van een adequate aansturing vanuit de moeder. Er is in het gezin lange tijd sprake geweest van pedagogische en emotionele verwaarlozing. Bij de verdachte is kindeigen problematiek vastgesteld. Het belangrijkste is nu dat de verdachte de juiste hulp en ondersteuning krijgt, die aansluit bij en rekening houdt met zijn problematiek (oppositioneel-opstandige gedragsstoornis, zwakbegaafdheid). Het is enerzijds belangrijk dat de verdachte duidelijke regels en grenzen ervaart die consequent worden gehanteerd. Anderzijds is van belang dat hij ervaart dat hij ertoe doet en dat hij positief wordt bekrachtigd, zodat zijn zelfbeeld positiever wordt en zijn zelfvertrouwen kan groeien. Op dit moment wordt behandeling ingezet binnen Pluryn, waar de verdachte civielrechtelijk is geplaatst. Hier zal ook zijn schoolgang weer worden opgestart. Daarnaast kan er binnen de behandeling aandacht worden besteed aan de achterliggende problematiek en het vergroten van vaardigheden bij de verdachte. Bezien zal moeten worden waar hij op termijn het beste kan opgroeien, op zo'n manier dat een positieve verdere ontwikkeling is gewaarborgd.

De Raad is van mening dat behandeling van de verdachte in een instelling voor jeugdhulp nu het belangrijkste is. Dit draagt op termijn het meest bij aan de verlaging van de kans op herhaling van strafbaar gedrag. Daarnaast is de verdachte op dit moment nog bezig met de uitvoering van zijn leerstraf So Cool. Ook dit zal, in combinatie met de behandeling binnen Pluryn, bijdragen aan het verlagen van de kans op herhaling van strafbaar gedrag.

Deskundige [naam 1], werkzaam als jeugdzorgwerker bij de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij zich kan vinden in het advies van de Raad. De verdachte heeft baat bij de behandeling bij Pluryn. De deskundige verzoekt om het meewerken aan de behandeling bij Pluryn als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke straf op te leggen, omdat dat een waardevolle aanvulling zou zijn op het huidige civielrechtelijke kader

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Nu de verdachte wordt veroordeeld voor onder meer diefstal met geweld en hij reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een jeugddetentie.

De rechtbank weegt bij de strafoplegging echter mee dat de leerstraf die de verdachte kreeg opgelegd voor de eerder gepleegde feiten pas is aangevangen nadat de verdachte de nu bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank tevens rekening gehouden met de belaste voorgeschiedenis van de verdachte en het feit dat hij op dit moment op basis van een machtiging uithuisplaatsing verblijft in een instelling voor jeugdhulp. De rechtbank acht het vooral van belang dat de verdachte daar blijft en zijn behandeling voortzet. Ten slotte heeft de rechtbank rekening gehouden met de jonge leeftijd van de verdachte. Het voorgaande maakt dat de rechtbank aan de verdachte een taakstraf in de vorm van een werkstraf zal opleggen.

Nu de Raad en de jeugdreclassering begeleiding en bijzondere voorwaarden noodzakelijk achten, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarden die hierna worden genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Anders dan is geadviseerd, ziet de rechtbank geen aanleiding de verdachte te verplichten om zich tijdens verlofmomenten te houden aan een avondklok. De verdachte is civielrechtelijk uit huis geplaatst bij Pluryn. Indien de verdachte op verlof gaat, is het aan Pluryn en de jeugdbeschermer om hieraan invulling aan te geven en afspraken te maken met de verdachte.

De rechtbank zal, anders dan door de officier van justitie is gevorderd, niet bevelen dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn. Gelet op het reeds ingezette civielrechtelijke traject waardoor de verdachte nu verblijft bij Pluryn, daar behandeling volgt en de verdachte hiervan lijkt te profiteren, is de rechtbank van oordeel dat niet dan wel onvoldoende is voldaan aan het criterium van artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht (het ernstig gevaarrisico).

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 1]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 1], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit met het parketnummer 10/283600-20.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 220,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

9. Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 2], wettelijk vertegenwoordigd door [naam 2], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit met het parketnummer 10/283600-20.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 750,- aan immateriële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd.

9.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

9.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

10 . Vordering benadeelde partij [naam benadeelde 3]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde 3], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit met het parketnummer 10/283592-20.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 1.000,- / € 1.500,- aan materiële schade vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

10.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering nu deze onvoldoende is onderbouwd.

10.2.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

10.3.

Beoordeling

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op, omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

11. Vordering tenuitvoerlegging

11.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 20 augustus 2020 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van poging tot diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging, openlijk geweld en schuldheling veroordeeld voor zover van belang tot een taakstaf bestaande uit een werkstraf van 30 uur, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van 2 jaar.

De proeftijd is ingegaan op 4 september 2020.

11.2.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tenuitvoerlegging wordt toegewezen. De verdachte heeft zich opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten. De verdachte zal daarom de voorwaardelijk opgelegde taakstraf moeten uitvoeren.

11.3.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen en de proeftijd te verlengen.

11.4.

Beoordeling

De hierboven bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan de proeftijd te verlengen met een jaar. De rechtbank acht het van belang dat de verdachte zich focust op zijn verblijf en behandeling bij Pluryn en op het afronden van de aan hem eveneens bij vonnis van 20 augustus 2020 opgelegde leerstraf.

12 . Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 47, 77a, 77g,77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 417bis van het Wetboek van Strafrecht.

13. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

14. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit met het parketnummer 10/283592-20 heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit met het parketnummer 10/283600-20 en de onder 1 en 2 subsidiair ten laste gelegde feiten met het parketnummer 10/283592-20, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 90 (negentig) uur, waarbij de Raad voor de Kinderbescherming dient te bepalen uit welke werkzaamheden de werkstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 20 (twintig) uren te verrichten werkstraf resteren;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;

bepaalt dat deze taakstraf van 20 (twintig) uren, subsidiair 10 (tien) dagen vervangende jeugddetentie, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd de bijzondere voorwaarden niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende een door de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna ook: de jeugdreclassering) te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;

- zijn medewerking verleent aan de behandeling bij Pluryn of een soortgelijke instelling, voor zolang dit door zijn behandelaar(s) noodzakelijk wordt geacht;

- gedurende de proeftijd zijn medewerking verleent aan de door de jeugdreclassering noodzakelijk geachte hulpverlening;

- gedurende de proeftijd onderwijs zal volgen;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht.

geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering tot het verlenen van hulp en steun ter naleving van de bijzondere voorwaarden;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, dat bij eerdere beslissing is geschorst;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 2] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde 3] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 20 augustus 2020 opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 30 uur, subsidiair 15 dagen vervangende jeugddetentie, met een jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A. Verweij, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. J.C.M. Persoon en A.L. Pöll, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 mei 2021.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

10/2832600-20

1.

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Schiedam

op de openbare weg, te weten het Johann Straussplein,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een elektrische step, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan

aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [naam slachtoffer 1],

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of

bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk

om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht

mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door:

- voor die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] te gaan staan met een bivakmuts op en/of

- die [naam slachtoffer 2] tegen te houden en/of

- voornoemde step vast te pakken en/of

- te trekken aan voornoemde step en/of de kleding van die [naam slachtoffer 1] en/of

- die [naam slachtoffer 1] van voornoemde step te duwen en/of te trekken en/of

- die [naam slachtoffer 1] een mes te tonen en/of

- die [naam slachtoffer 2] met kracht te slaan/te stompen in het gezicht, althans tegen het

lichaam en/of

- die [naam slachtoffer 2] met kracht te trappen in/tegen de rug, althans het lichaam;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 12 september 2020 te Schiedam

[naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [naam slachtoffer 2] met kracht te slaan/te stompen in het

gezicht, althans tegen het lichaam;

10/283592-20

1

hij, op of omstreeks 4 september 2020 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een scootmobiel (merk Sterling, type Elite 2 plus,

verzekeringsplaatje [nummer 1]), althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft

gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2

hij, op of omstreeks 4 september 2020 te Schiedam

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een scootmobiel (merk Sterling, verzekeringsplaatje [nummer 2]), in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)

toebehoorde, te weten aan Welzorg Nederland en/of [naam slachtoffer 3],

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of een valse

sleutel,

door door middel van een schaar in het slot voornoemde scootmobiel te starten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 4 september 2020 te Schiedam,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een scootmobiel (merk Sterling, verzekeringsplaatje [nummer 2]), althans een goed

heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen,

terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;