Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6548

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
29-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
C/10/619147 / KG ZA 21-413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, tegelde maken spaarhypotheek, woonlasten versus gebruiksvergoeding, vordering tot medewerking tegelde maken spaarhypotheek, onder verrekening deel van de premie overlijdensrisicoverzekering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/619147 / KG ZA 21-413

Vonnis in kort geding van 29 juni 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats eiseres] ,

eiseres,

advocaat mr. P.J.A. Grosfeld te Oosterhout Nb,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

verschenen in persoon, bijgestaan door de heer [persoon A] .

Partijen worden hierna de vrouw en de man genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 1 juni 2021, met producties;

  • -

    de mondelinge behandeling gehouden op 15 juni 2021.

1.2.

Vonnis is bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Partijen hebben van 2008 tot medio 2014 met elkaar een affectieve relatie gehad. Partijen hebben samen een dochter, [naam dochter] , geboren in 2009.

2.2.

Sinds 2 februari 2009 was de vrouw als enige eigenaar van de woning aan de [adres] te Geertuidenberg (hierna: de Woning).

2.3.

Vanaf diezelfde datum is de man hoofdelijke aansprakelijk geworden voor de aan de Woning verbonden hypotheekschuld. De hypotheeklening bestaat uit een spaardeel (de Rabo Opbouw Hypotheek, waarvoor gespaard werd op de Rabo OpbouwSpaarrekening met rekeningnummer [rekeningnummer] ) en een aflossingsvrij deel. Bij het aangaan van deze leningen hebben partijen bij Interpolis een overlijdensrisicoverzekering afgesloten met polisnummer [polisnummer] .

2.4.

Vanaf 1 oktober 2015 heeft de vrouw de Woning met uitsluiting van de man bewoond. De inleg voor de OpbouwSpaarrekening bedroeg vanaf die datum € 104,54 per maand. De maandelijkse premies voor de overlijdensrisicoverzekering bedroegen € 35,54 voor de verzekering op het leven van de vrouw en € 57,39 voor die op het leven van de man.

2.5.

In 2017 en 2018 hebben partijen – al dan niet door tussenkomst van derden – met elkaar gesproken over de verkoop van de Woning en wijziging van (de begunstiging van) de overlijdensrisicoverzekering.

2.6.

Op enig moment heeft de vrouw de Woning verkocht aan een derde tegen een koopsom van € 305.000,00. De levering van de Woning heeft op 4 januari 2021 plaatsgevonden, waarna de notaris € 103,55 heeft uitgekeerd aan de vrouw.

2.7.

Bij de levering van de Woning is de waarde van de OpbouwSpaarrekening niet gebruikt om de hypotheekschuld af te lossen. Het saldo van die rekening was op 31 december 2020 € 23.310,98.

2.8.

Bij brief van 8 januari 2021 heeft Interpolis aan de vrouw meegedeeld dat het verzekerd bedrag van de overlijdensrisicoverzekering is verlaagd en dat de verzekering premievrij is gemaakt in verband met een premieachterstand.

2.9.

Bij brief van 4 maart 2021 heeft de advocaat van de vrouw de man verzocht om medewerking te verlenen aan de afkoop van de OpbouwSpaarrekening en de beëindiging van de overlijdensrisicoverzekering door het ondertekenen van de wijzigingsformulieren. Volgens dit voorstel werd € 3.449,82 ter zake van inleg van de OpbouwSpaarrekening en € 2.239,02 ter zake van premie voor de overlijdensrisicoverzekering op het aan de man uit te keren bedrag in mindering gebracht.

2.10.

Bij e-mail van 19 maart 2021 heeft de heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ) namens de man een eenmalig voorstel gedaan. Volgens dit voorstel was de man wel bereid tot verrekening van de inleg van de OpbouwSpaarrekening maar niet bereid tot verrekening van de premie van de overlijdensrisicoverzekering. In deze e-mail schrijft [persoon A] dat het niet redelijk is om de premie van de overlijdensrisicoverzekering te verrekenen, omdat de vrouw in de Woning is blijven wonen en de man geen aanspraak heeft kunnen maken op de (waarde van de) Woning.

3. Het geschil

3.1.

De vrouw vordert, samengevat:

primair

op grond van artikel 3:300 lid 2 BW, te bepalen dat het ten deze af te geven vonnis in de

plaats zal komen van de vereiste handtekening van de man:

- op de onderhandse akte ‘Wijzigingsformulier opbouwproduct hypotheek’ waarbij het gehele saldo, rekeningnummer [rekeningnummer] aan de vrouw wordt

toegedeeld, onder gehoudenheid van de vrouw om binnen een week na ontvangst van het opgebouwde saldo, een bedrag van € 5.532,03 aan de man te voldoen;

- op de onderhandse akte ‘Mutatieformulier’ in verband met het royeren van de

overlijdensrisicoverzekering, polisnummer [polisnummer] ;

subsidiair

de man te veroordelen om binnen vijf dagen na dit vonnis zijn volledige medewerking te verlenen aan beëindiging van zowel de Rabo OpbouwSpaarrekening als de overlijdensrisicoverzekering door het plaatsen van zijn handtekening op de hiervoor vermelde formulieren, waarmee het totale spaarsaldo aan de vrouw wordt toebedeeld, onder gehoudenheid van de vrouw om binnen een week na ontvangst van het opgebouwde saldo, een bedrag van € 5.532,03 aan de man te voldoen, zulks op straffe van een dwangsom, althans oplegging van een in goede justitie te bepalen voorziening, met veroordeling van de man in de proceskosten, waaronder de nakosten.

3.2.

Aan deze vordering legt de vrouw het volgende ten grondslag.

Na de overdracht van de Woning dienen de OpbouwSpaarhypotheek en de overlijdensrisicoverzekering te worden beëindigd. De man heeft even wel geweigerd de voor de beëindiging voorgeschreven formulieren te ondertekenen. De man heeft ook geweigerd de door hem vanaf 1 oktober 2015 verschuldigde premie en inleg aan de vrouw te vergoeden.

Door de weigerachtige houding van de man, is de inleg van de OpbouwSpaarrekening nog altijd verschuldigd. De vrouw wenst op zo kort mogelijk termijn over het haar toekomende deel van het saldo te beschikken omdat zij zich wil inkopen in de woning van haar nieuwe partner. Zij heeft daarom een spoedeisend belang bij haar vordering.

3.3.

De man voert gemotiveerd verweer en voert daartoe het volgende aan.

De man heeft geen bezwaar om mee te betalen aan de inleg voor de OpbouwSpaarrekening.

De man wenst niet mee te betalen aan de overlijdensrisicoverzekering. In 2018 zijn partijen tijdens een viergesprek overeengekomen dat de man niet hoefde mee te betalen aan de woonlasten. Op die afspraak kan nu niet worden teruggekomen.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De man heeft geen verweer gevoerd tegen de beëindiging van de OpbouwSpaarrekening en de overlijdensrisicoverzekering, zodat dit deel van de vordering, als onweersproken, wordt toegewezen.

4.2.

De man heeft ook geen verweer gevoerd tegen de verrekening van € 3.293,01 ter zake van de inleg voor de OpbouwSpaarrekening, zodat ook dit deel van de vordering, ook als onweersproken, wordt toegewezen.

4.3.

De man heeft wel verweer gevoerd tegen de verrekening met de premie voor de overlijdensrisicoverzekering. Met betrekking tot dit deel van de vordering overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De overlijdensrisicoverzekering is een gemeenschappelijk goed. De rechtsverhouding tussen partijen – als deelgenoten – wordt beheerst door de eisen van redelijkheid en billijkheid. Op grond van artikel 3:172 BW delen de deelgenoten, tenzij een regeling anders bepaalt, naar evenredigheid van hun aandelen in de vruchten en andere voordelen die het goed oplevert, en moeten zij in dezelfde evenredigheid bijdragen tot de uitgaven die (bevoegdelijk) ten behoeve van de gemeenschap zijn verricht.

4.4.

Met betrekking tot de overlijdensrisicoverzekering zijn partijen hoofdelijk schuldenaar. Partijen zijn dan ook gehouden om ieder voor het gedeelte dat hen in hun onderlinge verhouding aangaat bij te dragen in de premie. Aangezien de partijen de overlijdensrisicoverzekering hebben afgesloten op elkaars leven en de premie per persoon is vastgesteld, is in beginsel het redelijk dat zij voor het deel dat het leven van de ander betreft bijdragen in de kosten.

4.5.

De man beroept zich erop dat partijen in 2018 andersluidende afspraken hebben gemaakt, inhoudende dat de vrouw (met hulp van haar broer) alle lasten – en dus ook de premie voor de overlijdensrisicoverzekering – voor haar rekening zou nemen. De vrouw heeft dit gemotiveerd betwist. Dat de vrouw de premies heeft voorgeschoten, betekent niet dat zij ermee instemde dat zij volledig draagplichtig zou zijn. Opvallend is voorts dat de man in de e-mail van 19 maart 2021 geen beroep heeft gedaan op dergelijke afspraken, maar op het feit dat hij sinds 2015 niet meer het genot van de Woning heeft gehad. De omstandigheid dat de man niet het genot van de Woning heeft gehad en dat hij door de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld niet in staat was een eigen woning te kopen, brengt ook niet zonder meer mee dat hij niet hoeft mee te betalen aan de overlijdensrisicoverzekering. Deze verzekering strekt er immers toe dat hij bij het overlijden van de vrouw een uitkering zou ontvangen. In dit verband heeft de vrouw voorts onweersproken gesteld dat partijen in 2017 in verband met een dreigende restschuld de verkoop van de Woning hebben uitgesteld en dat de man niet heeft ingestemd met wijziging van de (begunstiging van de) overlijdensrisicoverzekering, waardoor een lagere premie mogelijk was geweest.

4.6.

Voor zover de man meent dat hij de premie voor de overlijdensrisicoverzekering kan verrekenen met een door de vrouw te betalen gebruiksvergoeding, overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Aangezien de vrouw gedurende meerdere jaren met uitsluiting van de man het genot van de Woning heeft gehad, terwijl de man (deels) diende mee te betalen aan de lasten, is een gebruiksvergoeding op zijn plaats. De wetgever heeft geen regels geformuleerd op grond waarvan de hoogte van zo’n vergoeding dient te worden vastgesteld. In de praktijk wordt een gebruiksvergoeding berekend aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval, waarbij de redelijkheid en billijkheid een grote rol spelen. Van belang zijn onder meer een eventuele overwaarde van de Woning, het tijdsverloop en de draagkracht van partijen.

4.7.

In dit geval was de man geen mede-eigenaar van de Woning. Dit betekent dat hij wel hoofdelijke aansprakelijk was voor de hypotheekschuld, terwijl hij niet zonder meer aanspraak kon maken op een eventuele overwaarde. Voorts heeft hij sinds oktober 2015 niet meer het gebruik gehad van de Woning, en heeft hij volgens zijn eigen verklaring in ieder geval sinds 2018 niet meer bijgedragen in de woonlasten. Voorts is aannemelijk dat zijn hoofdelijke aansprakelijkheid hem heeft belemmerd bij het financieren van een nieuwe woning. Daar staat tegenover dat de vrouw de Woning heeft bewoond met [naam dochter] en dat zij daar haar onderneming had. Voorts heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de verkoop aanvankelijk is uitgesteld in verband met een onderwaarde, zodat dat uitstel mede in het belang van de man was en dat de man kennelijk ook niet op snellere verkoop heeft aangedrongen. Met betrekking tot de overlijdensrisicoverzekering heeft de vrouw onweersproken gesteld dat de man geen medewerking heeft verleend aan de wijziging van de begunstiging van die verzekering en/of aan de verlaging van de premie.

4.8.

In de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter het redelijk en billijk dat de man – bij wijze van voorschot – naast de inleg van de Spaarhypotheek, de helft van de gevorderde verzekeringspremie aan de vrouw moet voldoen. Indien partijen menen dat zij meer van elkaar te vorderen hebben, is daarvoor een bodemprocedure aangewezen.

4.9.

De primaire vordering van de vrouw is daarom op de hierna te vermelden wijze toewijsbaar. Aan deze vordering wordt de voorwaarde verbonden dat de man eerst gedurende zeven dagen in de gelegenheid wordt gesteld zijn medewerking te verlenen. Het bedrag dat de vrouw aan de man dient te betalen wordt bepaald op (€ 23.310,98/2 - € 3.293,01 - € 2.239,02/2 =) € 7.242,97.

4.10.

In de omstandigheid dat partijen met elkaar een affectieve relatie hebben gehad, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt de man om steeds na daartoe met toezending van betreffende formulieren te zijn verzocht binnen veertien dagen zijn medewerking te verlenen aan

  • -

    de beëindiging/wijziging van de OpbouwSpaarhypotheek, waarbij het gehele saldo aan de vrouw wordt uitgekeerd, onder gehoudenheid van de vrouw om binnen een week na ontvangst van dat saldo een bedrag van € 7.242,97 te voldoen aan de man;

  • -

    het royeren van de overlijdensrisicoverzekering,

5.2.

bepaalt dat indien de man die medewerking niet verleent, dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van die medewerking, toestemming en/of handtekening van de man;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2021.

3077/2009