Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6509

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
9041948
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gevolgschade na lekkage, aansprakelijkheid VvE

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9041948 \ CV EXPL 21-7291

uitspraak: 25 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser], handelend onder de naam [handelsnaam],

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. A.J.M. van Kooten (SRK Rechtsbijstand) te Den Haag,

tegen

[gedaagde]

,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde],

gedaagde,

vertegenwoordigd door O.D. de Gast.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “[eiser]” en “[gedaagde]”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 10 februari 2021, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde];

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiser] huurt met ingang van 1 juni 2008 van [naam 1] (hierna: ‘[naam 1]’) de bedrijfsruimte aan de [adres 1].

2.2.

[gedaagde] bestaat uit de eigenaren van de appartementsrechten, rechtgevende op het gebruik van de bedrijfsruimte alsmede een tweetal boven de bedrijfsruimte gelegen woningen aan de [adres 2].

2.3.

[eiser] exploiteert een winkel in de bedrijfsruimte, gericht op de verkoop van meubels. De verkoop van meubels vindt plaats in de ruimte op de begane grond. Het vervaardigen c.q. stofferen van meubels vindt plaats in de daaronder gelegen kelderruimte.

2.4.

Op of omstreeks 8 augustus 2020 is een lekkage ontstaan in de kelderruimte van de bedrijfsruimte. Het betrof een lekkage in de standleiding, welke is ontstaan na hevige regenval.

2.5.

De gemachtigde van [eiser] heeft op 14 oktober 2020 een brief aan [gedaagde] gezonden, waarvan de inhoud - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

“(…) Indien [gedaagde] zo begaan is met de (brand)veiligheid van het pand, wil ik u graag onder de aandacht brengen dat cliënt al op 8 augustus 2020 in de kelder een flinke lekkage heeft gehad, welke lekkage afkomstig was van de gemeenschappelijke (hemel)waterafvoerbuizen die van de bovengelegen panden naar beneden lopen en door de kelder van cliënt lopen (alwaar deze in een betonnen koof verdwijnen, welke koof over de hele lengte lekte). Bijgaand treft u enkele foto's hiervan aan.

[naam 2] van Bouw- en Woningtoezicht Gemeente Rotterdam is ter plaatse geweest en heeft dit ook geconstateerd. Deze heeft overigens bij cliënt niets aangegeven dat de kelder brandgevaarlijk zou zijn. [naam 2] heeft aangegeven dat [gedaagde] de lekkage in onderzoek heeft en de lekkage zal herstellen.

(…)

Overigens blijkt uit de meegezonden foto’s dat de staat van de gemeenschappelijke afvoerpijpen, welke onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde], dan wel de appartementseigenaar vallen, in zeer slechte staat zijn en met tape bij elkaar worden gehouden. Cliënt heeft als gevolg van genoemde lekkage een schade geleden van € 1.900,-. Deze schade valt m i. onder de verantwoordelijkheid van [gedaagde] en ik verzoek u dan ook deze schade bij uw verzekeraar te melden, dan wel aan cliënt te vergoeden. Graag verneem ik binnen 14 dagen na heden of u daartoe zult overgaan. (…)”

3. De vordering

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen een bedrag van € 1.933,- aan schadevergoeding en een bedrag van € 289,95 aan buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het vonnis.

3.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser] - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang -het volgende ten grondslag gelegd.

Er is een lekkage ontstaan in de kelderruimte van de bedrijfsruimte. Deze lekkage was afkomstig van een afvoerpijp, welke diende om het hemelwater van het dak van het complex via de buitenzijde van de gevel en via de kelderruimte van [eiser] af te voeren naar het hoofdriool. De staat van de hemelwaterafvoer was dusdanig slecht, dat deze met tape aan elkaar was geplakt. Nu het gaat om de gemeenschappelijke hemelwaterafvoer ligt de verantwoordelijkheid voor het onderhoud daarvan en voor het herstel van de lekkage bij [gedaagde]. Dat [gedaagde] hiervoor verantwoordelijk is volgt ook uit het feit dat [gedaagde] de lekkage heeft laten herstellen. [eiser] heeft door de lekkage schade geleden aan enkele in de kelderruimte opgeslagen meubels en meubelstoffen ten bedrage van € 1.933,-. [gedaagde] is op grond van het splitsingsreglement en artikel 6:174 BW aansprakelijk voor de schade die is ontstaan ten gevolge van de lekkende hemelwaterafvoer. Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 289,95.

4. Het verweer

4.1.

[gedaagde] heeft de vordering betwist en heeft daartoe - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende aangevoerd. [gedaagde] is aansprakelijk voor het casco onderhoud en heeft de lekkage laten herstellen. [eiser] heeft de gestelde schade zelf beoordeeld en gewaardeerd. De schade is niet door een onafhankelijke partij getaxeerd. [gedaagde] heeft de schade zelf nooit kunnen opnemen. [eiser] heeft niet aangetoond wat er is beschadigd. [gedaagde] betwist om die reden de hoogte van de schade.

4.2.

[eiser] is er meerdere malen op gewezen dat de kelderruimte slechts bedoeld is als opslagruimte en niet als werkruimte. Het gebruik van de kelder als werkruimte valt niet binnen de bestemming van het pand en brengt een verhoogd brandrisico met zich mee. Er is eerder een lekkage in de kelderruimte voorgekomen. Met die wetenschap had [eiser] niet zomaar waardevolle goederen op de grond moeten plaatsen. [eiser] had de schade bovendien moeten melden bij zijn inboedelverzekeraar.

5. De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat er omstreeks 8 augustus 2020 een lekkage in de kelderruimte van de bedrijfsruimte is ontstaan. Door [eiser] is onweersproken gesteld dat de lekkage is veroorzaakt door een gebrek in de hemelwaterafvoer, zodat de kantonrechter van de juistheid daarvan zal uitgaan. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de gevolgschade van de lekkage op grond van het splitsingsreglement en artikel 6:174 BW. Ten aanzien daarvan wordt als volgt overwogen.

5.2.

Niet in geschil is dat de lekkende afvoerleiding, die door de kelder van de bedrijfsruimte naar de voorzijde van het pand loopt, deel uit maakt van de hemelwaterafvoerconstructie van het complex. Ten aanzien daarvan heeft te gelden dat deze hemelwaterafvoer niet uitsluitend ten dienste van één van de privégedeelten van het complex strekt, maar van zowel de in het complex gevestigde bedrijfsruimte als van de bovengelegen woningen. Dat betekent dat de hemelwaterafvoer tot de gemeenschappelijke delen van het complex behoort. De onderhoudsplicht van hetgeen tot de gemeenschappelijke delen behoort, rust op [gedaagde]. In dat kader heeft [gedaagde] ook erkend dat zij aansprakelijk is voor het casco onderhoud, waartoe eveneens het onderhoud van de hemelwaterafvoer behoort. Het gebrek in de hemelwaterafvoer is dan ook aan [gedaagde] toe te rekenen. Nu, gelet op het gemeenschappelijke karakter van de hemelwaterafvoer, [gedaagde] - als behartiger van de gemeenschappelijke belangen van de eigenaren - als bezitter van de hemelwaterafvoer heeft te gelden, leidt dit tot de conclusie dat [gedaagde] op grond van artikel 6:174 BW aansprakelijk is voor de door [eiser] ten gevolge van het gebrek geleden schade.

5.3.

Daaraan doet niet af dat [eiser] niet de eigenaar van de bedrijfsruimte is, maar deze slechts huurt van [naam 1], de daadwerkelijke eigenaar van de bedrijfsruimte. Het gebrek deed zich immers voor in de tot de gemeenschappelijke delen behorende hemelwaterafvoer, voor het onderhoud waarvan niet [naam 1], maar [gedaagde] verantwoordelijk is. Het is immers ook [gedaagde] die tot herstel van de hemelwaterafvoer is overgegaan. [naam 1] is weliswaar lid van [gedaagde], maar hij kon niet zonder instemming of medewerking van [gedaagde] tot groot onderhoud aan de hemelwaterafvoerconstructie (het openbreken van de betonnen koof en vervangen van de complete afvoerpijp) overgaan, zodat niet gezegd kan worden dat het gebrek in de hemelwaterafvoer (en de lekkage) aan [naam 1] was toe te rekenen. In zijn hoedanigheid van verhuurder is [naam 1] derhalve niet aansprakelijk voor de gevolgschade.

5.4.

Vervolgens ligt de vraag voor of [eiser] schade heeft geleden door de lekkage en in het bevestigende geval hoe hoog deze schade is. De kantonrechter begrijpt het verweer van [gedaagde] aldus dat zij niet zozeer betwist dat [eiser] schade heeft geleden door de lekkage, maar dat zij het hoofdzakelijk niet eens is met de door [eiser] gestelde hoogte van de schade, althans de onderbouwing daarvan.

5.5.

Nu [gedaagde] de hoogte van de schade heeft betwist, rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [eiser] de bewijslast van de door hem gestelde hoogte van de geleden schade. Ter onderbouwing van de geleden schade heeft [eiser] een handgeschreven bon

- door [eiser] ‘factuur’ genoemd - overgelegd, waarop een aantal schadeposten zijn genoemd en een totaalbedrag aan schade van € 1.933,-. Daarnaast zijn door [eiser] een aantal foto’s overgelegd. Voorts staat tussen partijen niet ter disucssie dat er geen taxatie door een schade-expert heeft plaatsgevonden, maar dat [eiser] de schade zelf heeft beoordeeld en gewaardeerd.

5.6.

De kantonrechter is van oordeel dat, uit hetgeen [eiser] tot zover heeft overgelegd, de hoogte van de door [eiser] geleden schade vooralsnog onvoldoende is komen vast te staan. [eiser] heeft de door hem op de handgeschreven bon genoemde afzonderlijke schadeposten niet nader toegelicht of gespecificeerd, zodat thans nog onduidelijk is hoe [eiser] tot de bij de afzonderlijke schadeposten genoemde bedragen is gekomen. Ook voor de door [eiser] overgelegde foto’s van de geleden schade geldt dat deze niet bepaald uitblinken in duidelijkheid, zodat daar - zonder nadere toelichting, die ontbreekt - vooralsnog niet de door [eiser] gestelde schade valt af te leiden. Alvorens tot eventuele bewijslevering over te gaan zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld de door hem gestelde schade en de hoogte daarvan nader toe te lichten en te onderbouwen ter gelegenheid van de hierna te bepalen mondelinge behandeling.

5.7.

[gedaagde] heeft bij conclusie van dupliek voorts nog gesteld dat zij [eiser] er meermaals op heeft gewezen dat de kelder van de bedrijfsruimte - die door [eiser] wordt gebruikt voor het vervaardigen en stofferen van meubels - niet als werkruimte gebruikt mag worden. [gedaagde] heeft niet nader toegelicht of onderbouwd waarom de kelder niet op deze wijze gebruikt mag worden en heeft ook niet toegelicht welke consequenties zij hieraan verbindt ten aanzien van de onderhavige vordering. Zij zal hiertoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld tijdens de te bepalen mondelinge behandeling. Alsdan zal [eiser] ook op deze stelling van [gedaagde] mogen reageren, nu zij daartoe nog niet in de gelegenheid is gesteld.

5.8.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de kantonrechter het gewenst de zaak met partijen te bespreken. Daarom wordt een mondelinge behandeling bepaald. Tijdens de mondelinge behandeling kunnen partijen de nodige informatie verstrekken en hun stellingen toelichten of nader onderbouwen. Ter zitting zal tevens worden onderzocht of partijen tot een schikking kunnen komen.

5.9.

Alle stukken die op de zaak betrekking (kunnen) hebben en die nog niet in het geding zijn gebracht, dienen door de partij die deze ter sprake wil brengen aan de kantonrechter en aan de wederpartij te worden toegezonden. Deze stukken dienen uiterlijk een week vóór de zitting in het bezit te zijn van de kantonrechter en de wederpartij.

5.10.

Partijen dienen in persoon te verschijnen of zij moeten op de zitting worden vertegenwoordigd door een persoon die op de hoogte is van de feiten met betrekking tot de vordering. Deze vertegenwoordiger moet schriftelijk gemachtigd zijn, eventueel ook tot het treffen van een minnelijke regeling.

5.11.

De mondelinge behandeling zal plaatsvinden op een nader te bepalen datum en tijdstip, na opgave van verhinderdata door partijen voor de periode juli tot en met september 2021, voor welke opgave de zaak zal worden verwezen naar de rolzitting van woensdag

21 juli 2021 te 15.30 uur. Uitstel is niet mogelijk, tenzij beide partijen daarom gezamenlijk verzoeken. De griffier zal vervolgens datum en tijd van de zitting aan partijen mededelen.

5.12.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6. De beslissing

De kantonrechter:

bepaalt dat partijen (in persoon of behoorlijk vertegenwoordigd en desgewenst met een gemachtigde) op een nog nader te bepalen datum en tijd, na opgave van verhinderdata, dienen te verschijnen op de mondelinge behandeling ten overstaan van de kantonrechter

mr. A.J.M. van Breevoort. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100, gebouw B (het rode gebouw);

wijst partijen op hetgeen hiervoor omtrent het in het geding brengen van (nadere) stukken is bepaald;

verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 21 juli 2021 te 15.30 uur voor opgave verhinderdata voor de periode van juli tot en met september 2021;

bepaalt dat de schriftelijke opgaaf uiterlijk de dag vóór voormelde rolzitting om 12.00 uur ter griffie ontvangen dient te zijn;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.M. van Breevoort en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487