Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6503

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
08-07-2021
Zaaknummer
8916841
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand, opzegging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8916841 \ CV EXPL 20-44829

uitspraak: 4 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de stichting

Stichting Vestia,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

thans gedaagde in verzet,

gemachtigde: Bazuin & Partners Gerechtsdeurwaarders te Rotterdam

tegen

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

gedaagde,

eiser in verzet,

gemachtigde: mr. M. El Idrissi te Rotterdam.

Partijen worden hierna verder aangeduid als “Vestia” en “ [persoon A] ”.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Voor het verdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 12 februari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 mei 2021. [persoon A] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M. El Idrissi en mevrouw [naam tolk] als tolk. Namens Vestia is verschenen de heer [persoon B] , werkzaam bij de gemachtigde van Vestia. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.2.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling van de vordering

2.1.

[persoon A] heeft in de verzetdagvaarding gevorderd hem te ontheffen van bij het verstekvonnis van 28 oktober 2016 tegen hem uitgesproken veroordeling en de vorderingen van Vestia af te wijzen en heeft daartoe aangevoerd dat de huurovereenkomst reeds in de maand mei 2015 is opgezegd. Voorts heeft [persoon A] gesteld dat hij alle huur heeft voldaan, zodat geen sprake is of was van een huurachterstand. Deze stellingen van [persoon A] zijn door Vestia betwist.

2.2.

In het tussenvonnis van 12 februari 2021 is reeds overwogen dat, gelet op de betwisting door Vestia, het op grond van artikel 150 Rv op de weg van [persoon A] ligt bewijs te leveren van zijn stellingen.

2.3.

Ten aanzien van zijn stelling dat de huurovereenkomst in de maand mei 2015 is opgezegd heeft [persoon A] ter mondelinge behandeling gesteld dat hij kort na aanvang van zijn detentieperiode de sleutel van het gehuurde aan een reclasseringsmedewerker heeft gegeven en dat hij met deze persoon heeft afgesproken dat hij of zij namens [persoon A] de huurovereenkomst zou gaan opzeggen. Het enkele feit dat [persoon A] met een reclasseringsmedewerker heeft afgesproken dat deze de huurovereenkomst namens hem zou gaan opzeggen, levert echter nog geen bewijs op dat de huurovereenkomst vervolgens ook daadwerkelijk is opgezegd, hetgeen door Vestia uitdrukkelijk is betwist.

2.4.

[persoon A] heeft ter zitting medegedeeld geen bewijs meer te kunnen leveren van zijn stellingen omtrent de huuropzegging, nu hij - gelet op het tijdsverloop sinds mei 2015 - geen getuigen meer heeft kunnen achterhalen die kunnen verklaren over de opzegging van de huurovereenkomst. Dat betekent dat in rechte niet is komen vast te staan dat de huurovereenkomst in de maand mei 2015 door of namens [persoon A] is opgezegd.

2.5.

Met betrekking tot zijn stelling dat hij alle huurtermijnen heeft voldaan en geen sprake is van een huurachterstand heeft [persoon A] ter zitting slechts gesteld dat de verschuldigde huur contant is betaald. Ook deze stelling is door Vestia betwist. De omstandigheid dat de huurtermijnen in elk geval in de maanden augustus tot en met oktober 2014 door de Gemeente Rotterdam werden voldaan, zoals lijkt te volgen uit de ter zitting door [persoon A] getoonde uitkeringsspecificaties, levert voorts geen bewijs op van de stelling dat ook de huurtermijnen in de thans in geding zijnde periode - die voornamelijk ziet op de maanden juni tot en met september 2016 - zijn voldaan.

2.6.

Een en ander leidt er toe dat niet is komen vast te staan dat [persoon A] de thans in geding zijnde huurtermijnen heeft voldaan. Nog afgezien van het feit dat [persoon A] op dit punt geen nader concreet bewijsaanbod heeft gedaan, bestaat er naar het oordeel van de kantonrechter bovendien geen aanleiding [persoon A] op dit punt tot bewijslevering toe te laten, aangezien [persoon A] hiertoe onvoldoende heeft gesteld. [persoon A] heeft immers onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing van zijn stelling dat de huurtermijnen steeds contant zijn betaald. Meer in het bijzonder heeft [persoon A] verzuimd uiteen te zetten op welke concrete data de contante betalingen hebben plaatsgevonden en door wie de betalingen zijn verricht, waarbij in aanmerking wordt genomen dat [persoon A] zelf vanaf 8 mei 2015 tot en met 13 augustus 2019 in het buitenland gedetineerd was.

2.7.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat [persoon A] zijn verweer tegen het verstekvonnis onvoldoende heeft onderbouwd. Vestia heeft haar vordering bij dagvaarding van 3 oktober 2016 wel onderbouwd. Nu [persoon A] daartegenover zijn verweer niet heeft onderbouwd, zullen alle vorderingen van Vestia als onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen, op de wijze zoals verwoord in het verstekvonnis. Dit brengt met zich mee dat het verstekvonnis zal worden bekrachtigd.

2.8.

[persoon A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de verzetprocedure.

3. De beslissing

De kantonrechter:

bekrachtigt het op 28 oktober 2016 onder zaaknummer 5420265 CV EXPL 16-40982 tussen partijen gewezen verstekvonnis;

veroordeelt [persoon A] in de kosten van de verzetprocedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Vestia begroot op € 218,- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. drs. D.L. Spierings en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44487