Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6411

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
06-07-2021
Zaaknummer
C/10/585620 / HA ZA 19-1049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Een onterfde broer maakt aanspraak op zijn legitieme porties in nalatenschappen van zijn vader en moeder. Zijn zus - de enige erfgenaam - is van mening dat haar broer al voldoende heeft gehad en zijn legitimaire aanspraken daarom nihil zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2021-0195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/585620 / HA ZA 19-1049

Vonnis van 23 juni 2021

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat voorheen mr. S. Kranendonk, thans mr. J.B. Evenboer, beiden te Dordrecht,

tegen

[gedaagde] , in persoon en in haar hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van de heer [erflater] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. de Bakker te Hendrik-Ido-Ambacht.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” en “ [gedaagde] ”.

1. De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis van 9 september 2020 waarin een mondelinge behandeling is bepaald en de daaraan ten grondslag liggende stukken;

  • -

    de akte indiening stukken en eiswijziging van [eiser] , d.d. 17 februari 2021, met producties;

  • -

    de akte na comparitie van [gedaagde] , d.d. 17 februari 2021, met productie;

  • -

    de (antwoord)akte indienen stukken van [eiser] , d.d. 17 maart 2021, met producties;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde] , d.d. 17 maart 2021.

1.2.

Op 20 januari 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] is verschenen, bijgestaan door advocaat mr. L. Yilgör. [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door mr. A.C. de Bakker. Na de mondelinge behandeling zijn [eiser] en [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om bij aktes de rechtbank nader te informeren.

1.3.

De uitspraak van dit vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn broer en zus.

2.2.

Op 25 mei 2017 is te Sliedrecht overleden mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). Erflaatster is de moeder van [eiser] en [gedaagde] . Erflaatster heeft bij testament over haar nalatenschap beschikt en daarin haar echtgenoot, de heer [naam echtgenoot] (hierna: erflater) en [gedaagde] tot enige erfgenamen van haar nalatenschap benoemd. Erflaatster heeft in haar testament [eiser] en zijn afstammelingen onterfd.

2.3.

Op 7 augustus 2018 is erflater overleden. Erflater is de vader van [eiser] en [gedaagde] . Hij heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en [gedaagde] tot enig erfgenaam benoemd. Erflater heeft in zijn testament [eiser] en zijn afstammelingen onterfd.

2.4.

[gedaagde] heeft de nalatenschap van erflater op 18 februari 2019 beneficiair aanvaard.

2.5.

Naast [eiser] en [gedaagde] hadden erflater en erflaatster nog twee dochters, [naam dochter 1] en [naam dochter 2] . Zij zijn vooroverleden. De afstammelingen van [naam dochter 2] (haar zonen [naam zoon 1] , [naam zoon 2] en [naam zoon 3] ) hebben bij [gedaagde] een beroep gedaan op hun legitieme portie en op een legaat dat erflater hen had toegekend in zijn testament. [gedaagde] heeft met hen een vaststellingsovereenkomst gesloten. [naam dochter 1] had geen kinderen.

2.6.

[eiser] heeft op 8 augustus 2018 aanspraak gemaakt bij [gedaagde] op zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster en op 7 februari 2019 op zijn legitieme portie in de nalatenschap van erflater.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] heeft – na wijziging van eis – gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [gedaagde] te veroordelen om aan hem inzake nalatenschap van erflaatster tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 33.345,- aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2019 tot aan de dag van algehele betaling;

  2. [gedaagde] te veroordelen om aan hem inzake van de nalatenschap van erflater tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen € 112.027,47 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 februari 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

  3. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van de beslaglegging;

  4. [gedaagde] te veroordelen de volledige kosten van deze procedure aan [eiser] te betalen, daaronder begrepen de werkelijke kosten ad € 25.722,03, althans het forfaitaire salaris van de raadslieden van [eiser] , binnen drie dagen na dagtekening van het te wijzen vonnis en voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, te rekenen vanaf de bedoelde termijn voor voldoening;

  5. indien de betaling van de werkelijke procedurekosten wordt afgewezen, voor recht te verklaren dat [gedaagde] als vereffenaar en/of persoonlijk aansprakelijk is voor alle schade die [eiser] heeft geleden, lijdt en zal lijden als gevolg van het feit dat [gedaagde] weigert dan wel heeft geweigerd de legitieme vorderingen van [eiser] in de nalatenschappen van erflaatster en erflater te betalen en thans deze schade tot en met 19 maart 2020 vast te stellen op € 29.199,95; de kosten vanaf 20 maart 2020 dienen nadat deze zijn vastgelegd door [gedaagde] aan [eiser] voldaan te worden;

  6. [gedaagde] te veroordelen om binnen drie dagen na het vonnis inzage aan [eiser] te verstrekken in een kopie van alle bankafschriften van erflater over de vijf jaar voorafgaand aan het overlijden van erflater en in de aangifte erfbelasting in de nalatenschappen van erflater en erflaatster, zulks op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag – een gedeelte van een dag daaronder begrepen – met een maximum van € 15.000,- voor iedere dag of ieder dagdeel dat [gedaagde] hiermee in gebreke is.

3.2.

[eiser] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat hij recht heeft op zijn legitieme portie in de nalatenschap van zowel erflaatster als erflater, waarvan hij op basis van de stukken die heeft ontvangen van [gedaagde] en de boedelnotaris een berekening heeft gemaakt.

3.3.

[gedaagde] heeft tot afwijzing van de vorderingen geconcludeerd. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] zijn legitieme bij leven van erflaatster en erflater reeds ontvangen. Op haar verweer zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

Opgave schenkingen/waarheidsplicht

4.1.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] giften gehad van erflater en erflaatster en heeft hij als legitimaris de plicht hiervan opgave te doen. Nu hij geen openheid van zaken heeft gegeven dienen volgens [gedaagde] op grond van de redelijkheid en billijkheid zijn aanspraken op de legitieme portie worden ontzegd. De rechtbank kan [gedaagde] hierin niet volgen, aangezien nog niet vaststaat dat [eiser] zijn waarheidsplicht heeft geschonden. Als in deze procedure wel vast komt te staan dat [eiser] giften heeft gehad die hij niet gemeld heeft, dan zal dit zijn legitieme aanspraak verminderen of zelfs bewerkstelligen dat die nihil is. De rechtbank ziet daarom geen reden om op grond van artikel 21 Rv andere gevolgen te verbinden aan een eventuele schending van de waarheidsplicht door [eiser] .

Geen recht op de legitieme portie gezien de wetsgeschiedenis

4.2.

[gedaagde] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aan de regeling van de legitieme portie volgens de wetsgeschiedenis een aantal overwegingen ten grondslag ligt, maar dat daaraan niet ten grondslag ligt de situatie dat [eiser] tijdens het leven van erflater en erflaatster zijn deel al heeft ontvangen en erflater hem daarom heeft onterfd. De rechtbank kan [gedaagde] in deze redenering niet volgen. In de wet wordt juist wel rekening gehouden met de situatie dat iemand tijdens zijn leven bevooroordeeld is door giften. Deze giften worden immers bij de berekening van de legitieme portie in mindering gebracht, waardoor de legitieme aanspraak lager of zelfs nihil is. Niet geoordeeld wordt daarom dat het beroep van [eiser] op de legitieme portie in strijd is met de ratio van de legitieme portie. Als vast komt te staan dat [eiser] giften heeft ontvangen, dan worden deze immers van zijn legitieme portie afgetrokken.

Misbruik van recht en strijd met de eisen redelijkheid en billijkheid

4.3.

[gedaagde] heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat [eiser] beroep op de legitieme portie heeft te gelden als misbruik van recht en in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid, omdat [eiser] al voldoende gehad heeft. De rechtbank is met verwijzing naar wat hiervoor is overwogen van oordeel dat daarvan geen sprake is. Op grond van de wet heeft [eiser] recht op zijn legitieme portie. Ook indien het maatschappelijk draagvlak voor de rechtsfiguur van de legitieme portie is afgenomen, betekent niet dat sprake is van misbruik van recht of dat het in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid wanneer [eiser] aanspraak maakt op zijn legitieme portie. De legitieme portie is immers nog een bestaande rechtsfiguur, zodat [eiser] daarop ook aanspraak kan maken.

Legitimaire aanspraak

4.4.

Nu [eiser] aanspraak kan maken op zijn legitieme porties, zal beoordeeld moeten worden wat de legitimaire aanspraken van [eiser] zijn in de nalatenschappen van erflaatster en erflater. De rechtbank stelt het volgende voorop. De legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden1. Bij de berekening van de legitieme portie worden in aanmerking genomen de door erflater gedane giften aan (onder anderen) een afstammeling, mits deze, of een afstammeling van hem, legitimaris van de erflater is2. De legitieme portie van een kind van de erflater bedraagt de helft van de waarde waarover de legitieme portie wordt berekend gedeeld door het aantal in artikel 4:10 lid 1 onder a BW genoemde, door de erflater achtergelaten personen3. De waarde van giften, door de erflater aan de legitimaris gedaan, en van hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt, komt in mindering op de legitieme portie4. Hetgeen dan resteert is de legitimaire aanspraak.

4.5.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de legitimaire aanspraak van [eiser] in zowel de nalatenschap van erflaatster als die van erflater nihil is, omdat hij meer giften heeft ontvangen dan zijn legitieme porties. [eiser] heeft, met onderbouwing van stukken, gemotiveerd bestreden dat hij giften heeft ontvangen van zijn ouders. Voordat de legitimaire aanspraak van [eiser] berekend kan worden, zal eerst beoordeeld moeten worden of de door [gedaagde] gestelde giften aan [eiser] hebben plaatsgevonden. Deze beoordeling zal hieronder vanaf rechtsoverweging 4.8. plaatsvinden.

4.6.

Daarnaast zal beoordeeld moeten worden of de andere kinderen van erflater en erflaatster ook giften hebben ontvangen, zoals door [eiser] later in deze procedure is gesteld. Bij de berekening van de legitieme portie moeten immers alle giften aan afstammelingen worden meegenomen, ook als zij geen beroep op hun legitieme gedaan hebben5. Volgens [eiser] heeft [naam dochter 1] giften ontvangen, alsook [gedaagde] en de kinderen van [naam dochter 2] . Dit zal hieronder worden beoordeeld. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat zij onderzoek heeft gedaan naar schenkingen, maar dat dit niet het geval is geweest. Aan [gedaagde] zelf hebben erflaatster en erflater wel bedragen geschonken, maar deze bedragen zijn verrekend met andere posten, aldus [gedaagde] .

Inzage bankafschriften en aangifte erfbelasting

4.7.1.

[eiser] gelooft niet dat er geen schenkingen zijn gedaan zoals door [gedaagde] is gesteld. Hij heeft inzage in de bankafschriften van erflater gevorderd en verzocht om de aangiften erfbelasting in de nalatenschappen van erflater en erflaatster aan hem te verstrekken. [eiser] heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat het niet anders kan dan dat de kinderen van [naam dochter 2] giften hebben ontvangen, omdat erflater en erflaatster in hun testament hebben opgenomen dat ‘die tak van de familie’ al genoeg gehad heeft. Daarnaast heeft hij gewezen op een bankafschrift van erflater6 waaruit volgens hem blijkt dat diverse overboekingen aan [gedaagde] en haar echtgenoot zijn gedaan, zodat [gedaagde] wel degelijk giften heeft gehad van erflater.

4.7.2.

De rechtbank begrijpt dat [eiser] artikel 4:78 BW aan dit verzoek ten grondslag heeft gelegd. Op grond van dit artikel kan de legitimaris die niet erfgenaam is ( [eiser] ) tegenover de erfgenamen ( [gedaagde] ) aanspraak maken op inzage en afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dat de erfgenamen desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen moeten verstrekken. Dit begrip moet, gelet op de wetsgeschiedenis, zo ruim mogelijk worden uitgelegd, met de enkele beperking dat de gegevens nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie.7

4.7.3.

Wat de gevorderde aangifte erfbelasting in de nalatenschap van erflater betreft, heeft [gedaagde] gesteld dat zij deze reeds per e-mailbericht van 10 januari 2020 aan [eiser] heeft verstrekt. [eiser] heeft dit niet bestreden, zodat er geen reden is om [gedaagde] te veroordelen deze aangifte opnieuw te verstrekken. Overigens is deze aangifte ook bij de conclusie van dupliek gevoegd als productie 15.

4.7.4.

De rechtbank is wel van oordeel dat [eiser] recht heeft op inzage in de bankafschriften van erflater van de vijf jaar voor zijn overlijden. Giften kunnen immers blijken uit de bankafschriften, zodat deze stukken nodig zijn om de legitieme portie te berekenen. De rechtbank is van oordeel dat het enkel opgave doen van giften door [gedaagde] onvoldoende is, zodat zij niet kan worden gevolgd in haar stelling – met verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Den Haag van 18 juni 20198 – dat [eiser] al voldoende gegevens heeft ontvangen door haar opgave van de giften. [gedaagde] dient daarom de bankafschriften over de laatste vijf jaar voor het overlijden van erflater in kopie te verstrekken. Het feit dat [eiser] de bankrekeningen niet geconcretiseerd heeft, betekent niet dat het verzoek niet kan worden toegewezen. Om een mogelijk executiegeschil te voorkomen zal de rechtbank uitgaan van de bankrekeningen in de door [eiser] overlegde boedelbeschrijvingen, nu uit de stellingen van [eiser] niet blijkt dat erflater meer bankrekeningen had. Dit betekent dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de bankafschriften van de bankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] over de vijf jaar voor het overlijden van erflater in kopie aan [eiser] dient te verstrekken. De termijn waarbinnen [gedaagde] dat moet doen wordt gesteld op twee weken na dit vonnis. Omdat [gedaagde] heeft aangegeven dat zij deze bankafschriften vrijwillig zal verstrekken indien zij daartoe wordt veroordeeld en de rechtbank geen reden heeft om daaraan te twijfelen, zal er geen dwangsom worden verbonden aan de verstrekking van de bankafschriften. Het voorgaande geldt ook voor de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van erflaatster.

4.7.5.

[eiser] heeft in zijn akte van 17 februari 2021 gesteld dat hij ook recht heeft op aangiften IB en heeft in zijn laatste akte gesteld dat hij inzage wil in alle financiële stukken van erflater en erflaatster. [eiser] heeft echter zijn eis niet gewijzigd, zodat dit niet ter beoordeling voorligt. Daarnaast is dit verzoek ook heel algemeen geformuleerd en blijkt hieruit niet precies welke stukken [eiser] nog nodig heeft voor de berekening van zijn legitieme portie. Het ligt op de weg van [eiser] om te concretiseren welke andere schenkingen als bedoeld in artikel 4:67 BW er gedaan zouden kunnen zijn en waarvan hij stukken verlangd. Dat heeft [eiser] niet, althans onvoldoende gedaan, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

Door [eiser] ontvangen giften

4.8.

Hieronder zal worden beoordeeld welke giften [eiser] van erflaatster en/of erflater heeft ontvangen, zoals door [gedaagde] is gesteld. Nu [eiser] gemotiveerd heeft betwist dat hij giften heeft ontvangen ligt het op de weg van [gedaagde] om haar stellingen te onderbouwen. De rechtbank volgt [gedaagde] niet in haar stelling dat deze giften niet concreet gemaakt hoeven te worden gelet op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 20199, omdat de rechtbank in die uitspraak de schenkingen wel concreet heeft gemaakt en heeft geoordeeld dat deze gelijk waren aan de legitieme portie waardoor aan de legitimaris in die zaak zijn legitieme niet toekwam.

4.9.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende relevante feiten:

  • -

    erflater en erflaatster hadden een boerenbedrijf gelegen aan de [adres] te Papendrecht;

  • -

    erflater heeft in 1966 de boerderij met opstallen en percelen weiland gekocht van zijn ouders. Erflater heeft de boerderij (ongeveer 2,5 hectare) en percelen weiland (ongeveer 15 hectare) bijna gelijktijdig verkocht aan [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ), om de boerderij en de percelen weiland vervolgens terug te pachten;

  • -

    erflater bezat daarnaast nog ongeveer 4,57 hectare grond;

  • -

    in 1979 hebben erflater en [eiser] een maatschap opgericht met als doel het voor gemeenschappelijk rekening uitoefenen van een veehoudersbedrijf;

  • -

    in 1991 brak er brand uit in de boerderij. Erflater ziet af van zijn eerste recht tot koop van de boerderij, waardoor [eiser] de boerderij van [naam bedrijf] koopt. De percelen weiland worden door [naam bedrijf] niet verkocht. [eiser] treedt in 1991 in de plaats van erflater op het pachtcontract tussen [naam bedrijf] en erflater wat betreft de percelen weiland;

  • -

    de maatschap is per 31 december 1993 beëindigd, omdat erflater uit was getreden.

Gift: afstand pandrechten en het recht van eerste koop boerderij

4.10.1.

Volgens [gedaagde] is [eiser] bevoordeeld doordat hij op 4 juni 1992 de boerderij aan de [adres] te Papendrecht kon kopen van [naam bedrijf] voor f. 55.000,-, nadat erflater afstand had gedaan van zijn pachtrechten en recht van eerste koop. [eiser] heeft de boerderij met grond vervolgens zes jaar later doorverkocht voor f. 1.330.000,- aan de ontwikkelaar van de Betuwelijn, waardoor [eiser] volgens [gedaagde] voor € 578.569,78 is bevoordeeld.

4.10.2.

De rechtbank is van oordeel dat dit niet is te kwalificeren als gift en overweegt daartoe als volgt. In 1991 is brand uitgebroken in de boerderij. Volgens [eiser] kon de eigenaar [naam bedrijf] niet aan zijn verplichting voldoen om de boerderij te herbouwen omdat zij onderverzekerd was – hetgeen door [gedaagde] niet is weersproken – zodat [naam bedrijf] genoodzaakt was om de boerderij te verkopen. Erflater heeft toen de gelegenheid gehad om de boerderij te kopen met de verplichting om de opstallen te herbouwen. Volgens [eiser] zag erflater dit niet zitten, gezien de financiële risico’s en zijn leeftijd (destijds 62 jaar), zodat [eiser] de boerderij kon kopen. [gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiser] door koop van de boerderij de verplichting had om de opstallen opnieuw te bouwen nadat deze door een brand waren verwoest. Evenmin is door [gedaagde] weersproken dat [eiser] voor het kopen van de boerderij geldleningen moest aangaan. Voorts is onvoldoende komen vast te staan dat het in 1992 (toen de levering plaatsvond) zeker was dat de ontwikkelaar van de Betuwelijn daadwerkelijk de grond zou kopen. Er waren destijds wel plannen om de Betuwelijn over het perceel te laten lopen, maar uit de stukken waar [gedaagde] op heeft gewezen blijkt onvoldoende dat het in 1992 al zeker was dat dit door zou gaan. Gelet op de financiële verplichtingen die [eiser] is aangegaan voor de koop van de boerderij en de onduidelijkheid over het daadwerkelijk doorgaan van de koop van de grond door de ontwikkelaar van de Betuwelijn, kan niet geoordeeld worden dat het afstand doen van de pachtrechten en van het recht van eerste koop door erflater is te kwalificeren als een gift van erflater aan [eiser] . [eiser] heeft destijds een risico genomen dat erflater niet wilde nemen. Dit kan niet als een gift gekwalificeerd worden.

Gift: kosteloos wonen in de boerderij

4.11.1.

Volgens [gedaagde] heeft [eiser] van 1984 tot 1998 (vrijwel) kosteloos in de boerderij gewoond en is dat aan te merken als een gift. [gedaagde] schat de waarde van deze gift op € 32.828,73. [eiser] heeft zich echter op het standpunt gesteld dat hij conform de afspraken van de maatschap en de pachtovereenkomst heeft betaald voor de bewoning van de boerderij tot 1992 en dat hij daarna zelf de pachter van de boerderij was en de kosten betaalde.

4.11.2.

[gedaagde] heeft niet weersproken dat [eiser] vanaf 1992 de pacht en de kosten van de boerderij betaalde, zodat de vordering in ieder geval vanaf 1992 niet toewijsbaar is. De rechtbank is voorts van oordeel dat de enkele stelling van [gedaagde] dat [eiser] tot 1992 te weinig vergoeding heeft betaald voor de boerderij onvoldoende is om aan te nemen dat dit een gift is. Volgens [eiser] heeft hij pacht betaald aan erflater tot 1992 en heeft hij daarnaast huur betaald voor de boerderij vanuit zijn privévermogen, dat in het privévermogen van erflater terecht is gekomen. Gelet op de gemotiveerde betwisting is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser] in de periode van 1984 tot 1992 (vrijwel) kosteloos in de woning heeft gewoond, zodat dit niet als gift kan worden aangemerkt.

Gift: overname van het boerenbedrijf

4.12.1.

[gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat [eiser] is bevoordeeld, omdat hij het boerenbedrijf van erflater op voordelige wijze heeft kunnen overnemen. Deze bevoordeling heeft [gedaagde] geschat op € 117.979,68 voor onverplichte vermogensoverdracht gedurende veertien jaar en op € 50.000,- omdat de afrekening bij de ontbinding van de maatschap niet marktconform is gedaan.

4.12.2.

Volgens [eiser] is de maatschap destijds afgewikkeld onder leiding van [naam accountantskantoor] conform de toen geldende waarde in het economisch verkeer. Het verschil tussen de waarde in het economische verkeer en de boekwaarde is toen meegenomen in de afrekening. Zowel erflater als [eiser] is akkoord gegaan met deze afrekening.

4.12.3.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser] is bevoordeeld bij de overname van het boerenbedrijf. Uit productie 26 van [eiser] blijkt dat erflater na de bedrijfsovername een vordering had op [eiser] van f. 28.529,-. Uit hetgeen [gedaagde] heeft gesteld – gebaseerd met name op uitlatingen van erflaatster – blijkt niet dat dit niet de economische waarde vertegenwoordigd. Evenmin blijkt uit de stukken dat de maatschap een aanzienlijk vermogen had. De mogelijkheid blijft daarom open dat het vermogen van [eiser] is toegenomen doordat [eiser] zijn vermogen spaarde en erflater een groot deel van zijn vermogen heeft weggeschonken aan zijn dochters, zoals door [eiser] is gesteld.

4.12.4.

Daarnaast is het vaste rechtspraak dat niet snel wordt aangenomen dat sprake is van een schenking wanneer een (veelal agrarisch) bedrijf wordt overgedragen van ouders op kind en de kooprijs lager is dan de waarde in het economische verweer. Daarbij weegt mee dat het vaak een bewuste keuze van ouders is geweest om een bedrijf onder gunstige voorwaarden over te dragen aan een kind van hen. In die omstandigheid past het niet dat het kind in financiële problemen wordt gebracht doordat de andere kinderen een beroep doen op hun legitieme portie. In deze zaak is weliswaar sprake van de situatie dat [eiser] , de bedrijfsopvolger, zelf een beroep op zijn legitieme portie heeft gedaan. De rechtbank is desondanks van oordeel dat hetgeen hiervoor is overwogen nog steeds van toepassing is, omdat sprake is van een andere situatie dan in de uitspraak van de rechtbank Den Haag10 waarnaar [gedaagde] heeft verwezen. In die uitspraak was namelijk de bedrijfsovername de reden van de onterving. In de testamenten van erflater en erflaatster is echter niet opgenomen waarom [eiser] onterfd is. Voorts staat niet vast dat de kladbrieven die door [gedaagde] zijn overgelegd daadwerkelijk van erflaatster zijn, nu dit door [eiser] wordt betwist. Ook blijkt onvoldoende dat de brief die de heer [naam persoon 1] voor erflater heeft opgesteld de wil van erflater bevat. De heer [naam persoon 1] is immers geen notaris. Ook als wel wordt uitgegaan van deze brief, dan blijkt hieruit niet dat erflater van mening was dat [eiser] wat betreft de overname van het bedrijf is bevoordeeld. In de brief wordt namelijk niet uitgelegd waarom erflater van mening was dat [eiser] al zoveel ontvangen heeft en waarom [gedaagde] onderbedeeld is geweest. De mogelijkheid blijft dus open dat erflater en erflaatster [eiser] om andere redenen onterfd hebben. Tijdens de mondelinge behandeling is bijvoorbeeld besproken dat [eiser] onenigheid met erflater heeft gehad over een stuk land en dat erflater boos was op [eiser] omdat hij een zwembad in zijn tuin had laten bouwen, zodat de onterving ook daarop gezien kan hebben. De conclusie is derhalve dat de overname van het boerenbedrijf niet als gift is aan te merken.

Gift: bevoordeling door schade-uitkering

4.13.

In 1991 heeft er brand uitgebroken in de boerderij en is er een schadebedrag uitgekeerd. Met dit schadebedrag is een schuur gebouwd die bij de ontbinding van de maatschap aan [eiser] is verbleven. [gedaagde] heeft gesteld dat de schade-uitkering geheel of gedeeltelijk feitelijk aan [eiser] ten goede is gekomen, althans is dat volgens haar een zeer gerechtvaardigd vermoeden. Aldus is sprake van een gift ten bedrage van € 20.783,12. [eiser] heeft echter een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat de uitkering aan erflater is uitgekeerd. Dat de schuur later bij de ontbinding van de maatschap aan [eiser] is overgedragen tegen een lager bedrag dan de schade-uitkering, maakt niet dat [gedaagde] daarmee heeft onderbouwd dat [eiser] op deze wijze is bevoordeeld. Bij het ontbinden van de maatschap speelden immers meerdere omstandigheden mee. Onvoldoende is derhalve gebleken dat de schade-uitkering geheel of gedeeltelijk aan [eiser] is toegekomen. Evenmin is de rechtbank van oordeel dat vermoed moet worden dat de schade-uitkering geheel of gedeeltelijk aan [eiser] ten goede is gekomen, omdat dit onvoldoende blijkt uit hetgeen [gedaagde] heeft gesteld. Nu geen bevoordeling heeft plaatsgevonden is dit geen gift.

Gift: overdracht van melkquotum

4.14.1.

[eiser] heeft het melkquotum van 223.301 kilogram geschonken gekregen volgens [gedaagde] met een waarde van ongeveer € 90.756,04. Daarnaast heeft [eiser] volgens [gedaagde] ook geen gebruiksvergoeding betaald voor het melkquotum in de periode van ontbinding van de maatschap tot de overdracht van dit quotum aan [eiser] , hetgeen op € 10.000,- moet worden geschat. [gedaagde] heeft dit als volgt onderbouwd. Bij de ontbinding van de maatschap in 1993 is reeds afgesproken dat het melkquotum aan [eiser] zou worden overgedragen. In de financiële afrekening van de maatschap is echter geen waarde toegekend aan het melkquotum. In 1996 is aan [eiser] een perceel grasland overgedragen door erflater voor een bedrag van f. 60.230,- en in die akte is tevens opgenomen dat erflater zich ertoe zal verplichten om met ingang van het heffingsjaar 1996/1997 het melkquotum van 223.301 kilogram aan [eiser] over te dragen. Gelet op de hoogte van de koopprijs van de grond kan de waarde van het melkquotum daarin niet verdisconteerd zitten, zodat dit geschonken moet zijn. Tevens heeft [gedaagde] gewezen op de kladbrieven van moeder waarin staat dat [eiser] het melkquotum om niet heeft gekregen en dit melkquotum f. 200.000,- waard was.

4.14.2.

[eiser] heeft bestreden dat het melkquotum waarde had, omdat het melkquotum is verbonden aan de grond. Het grootste deel van het melkquotum zag op de grond die erflater van [naam bedrijf] pachtte, waarvan [eiser] de pachtovereenkomst had overgenomen. Slechts een klein deel van het melkquotum zag op de grond die [eiser] van erflater had gekocht en het melkquotum zat in die aankoopprijs verdisconteerd.

4.14.3.

De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] heeft een perceel grasland gekocht van erflater op 11 maart 1996. In de akte staat vermeld dat erflater zich ertoe zal verplichten om met ingang van het heffingsjaar 1996/1997 het melkquotum van 223.301 kg aan [eiser] over te dragen. De rechtbank begrijpt, gelet op de grootte van het melkquotum in verhouding met de grootte van het perceel grasland dat [eiser] van erflater had gekocht, dat het melkquotum van 223.301 kg dat in de akte van 11 maart 1996 wordt genoemd niet (alleen) ziet op de grond die erflater in 1996 heeft overgedragen aan [eiser] , maar ook de op de percelen weiland waarvan [eiser] de pacht in 1991 heeft overgenomen.

4.14.4.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het melkquotum is verbonden aan de grond of dat dit toebehoort een veehouder. Dit kan echter in het midden blijven. [eiser] heeft namelijk wel erkend dat het melkquotum enige waarde heeft, maar hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het melkquotum dat ziet op de gepachte grond is afgerekend bij de overdracht van de maatschap en dat de prijs van het melkquotum dat ziet op de grond die [eiser] van erflater heeft verkocht verdisconteerd zit in de koopprijs. Het had gelet hierop op de weg van [gedaagde] gelegen om haar stelling dat sprake is geweest van een gift nader te onderbouwen. Dat heeft zij echter niet gedaan. Daarbij weegt ook mee wat hiervoor is overwogen over de bedrijfsovername. Ook al heeft [eiser] een voordeel gehad bij de bedrijfsovername, omdat hij het melkquotum voor een lager prijs kon overnemen, dan leidt dat niet automatisch tot een gift. Nu ook niet gebleken is dat de onterving van [eiser] heeft samengehangen met de verkrijging van het melkquotum, is de rechtbank van oordeel dat dit niet kan worden aangemerkt als een gift.

Gift: niet betalen van pacht

4.15.

De rechtbank kan [gedaagde] evenmin volgen in haar stelling dat het niet betalen van pacht door [eiser] een gift is ten bedrage van € 7.941,15. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] pacht diende te betalen aan zijn ouders na het ingaan van de pachtovereenkomst per 1 december 1993. Volgens [eiser] heeft hij deze pacht altijd betaald aan zijn ouders. Uit wat [gedaagde] heeft aangevoerd blijkt niet dat [eiser] niet betaald heeft, zodat de rechtbank van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat erflater en erflaatster de pacht aan [eiser] hebben geschonken. De enkele kladversies van brieven van erflaatster vormen onvoldoende onderbouwing hiervan, omdat [eiser] heeft betwist dat deze kladbrieven van erflaatster afkomstig zijn, zodat niet vaststaat dat deze echt zijn.

Gift: niet betalen maandelijkse vergoeding van f. 500,-

4.16.

Volgens [gedaagde] hebben erflater en erflaatster met [eiser] afgesproken dat hij vanaf 1998/1999 f. 500,- per maand aan erflater zou betalen voor zijn werkzaamheden in het bedrijf van [eiser] . Dit zou neerkomen op een gift van € 16.336,09. Nu [eiser] heeft betwist dat een dergelijke afspraak is gemaakt en [gedaagde] – op de kladbrieven van erflaatster na waarvan hiervoor al is geoordeeld dat daar niet vanuit kan worden gegaan – deze afspraak niet heeft onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat dit geen gift is.

Gift: schenking bij verkoop land

4.17.

[gedaagde] heeft zich ten laatste op het standpunt gesteld dat [eiser] bij de verkoop van een perceel aan [naam persoon 2] en [naam persoon 3] € 20.000,- geschonken heeft gekregen. [eiser] heeft dit echter gemotiveerd betwist. Hij was slechts tussenpersoon, omdat er een derde was met het recht van tweede koop, aldus [eiser] . De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] met de enkele verwijzing naar een kladversie van een verklaring van erflaatster onvoldoende heeft onderbouwd dat [eiser] inderdaad € 20.000,- heeft gekregen bij die transactie. Zoals hiervoor al is overwogen staat niet vast dat deze kladversies van erflaatster afkomstig zijn. [gedaagde] had derhalve nader moeten onderbouwen waarom [eiser] € 20.000,- geschonken heeft gekregen, maar dat heeft ze niet gedaan. Gelet daarop wordt dit niet aangemerkt als een gift.

Tussenconclusie giften [eiser]

4.18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is niet vast komen te staan dat [eiser] giften heeft ontvangen van erflaatster of erflater die bij de berekening van de legitimaire aanspraak meegenomen moeten worden.

Door [naam dochter 1] ontvangen giften

4.19.

Volgens [eiser] heeft [naam dochter 1] giften van erflater en erflaatster ontvangen. [eiser] heeft dit echter onvoldoende onderbouwd. Hij heeft gesteld dat [naam dochter 1] een woning van f. 160.000,- geschonken heeft gekregen, maar dit volgt niet uit door [eiser] overgelegde akte van notariële levering van die woning. Daaruit blijkt niet door wie de woning betaald is. Voorts heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat als erflater en erflaatster daarnaast regelmatig geld overmaakten naar [naam dochter 1] en de kosten voor de afkickkliniek van [naam dochter 1] hebben voldaan dat dit is aan te merken als het doen van giften en dat deze giften niet zijn uitgezonderd in artikel 4:69 lid 1 onder a of b BW. Erflater en erflaatster hielpen [naam dochter 1] immers bij haar verslaving, zodat het aannemelijk is dat het tot de morele verplichting van erflater en erflaatster hoorde om bij te dragen aan het onderhoud van [naam dochter 1] .

Andere giften

4.20.

Op dit moment staat nog niet vast of er ook andere giften gedaan zijn door erflaatster of erflater die meegenomen moeten worden bij de berekening van de legitimaire aanspraak. Volgens [gedaagde] is dat niet het geval, maar [eiser] zal in de gelegenheid worden gesteld om, nadat hij de bankafschriften heeft ontvangen en bestudeerd, nader te onderbouwen of er nog andere giften zijn.

Berekening legitimaire aanspraak tot nu toe

4.21.

Omdat nog niet bekend is of er nog giften zijn die moeten worden meegenomen, kan de legitimaire aanspraak van [eiser] nog niet definitief berekend worden. De rechtbank zal hier onder wel alvast beslissen op de nu al bekende geschilpunten tussen partijen.

Breukdeel

4.22.

Partijen zijn het erover eens dat het breukdeel van [eiser] in de nalatenschap van erflaatster 1/8 deel is. De rechtbank stelt voorts vast dat het breukdeel van [eiser] in de nalatenschap van erflater 1/6 deel is. [eiser] kan niet gevolgd worden in zijn stelling dat met betaling van de legitieme aan de drie kleinkinderen één erfgenaam wegvalt en de legitieme van [eiser] hierdoor groter wordt.

Nalatenschap erflaatster

4.23.

Wat de nalatenschap van erflaatster betreft, zijn partijen verdeeld over de vraag wat de hoogte is van de begrafeniskosten. Het verschil is € 1.019,99 en betreft een factuur voor de levering en plaatsing van een gedenksteen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten ook gerekend kunnen worden tot de schulden van de nalatenschap als bedoeld in artikel 4:7, lid 1 onder b, BW, omdat het in Nederland gebruikelijk is dat een gedenksteen geplaatst wordt op een graf. De kosten zijn daarnaast ook in verhouding met de andere begrafeniskosten. De begrafeniskosten bedragen derhalve in totaal € 7.718,25.

4.24.

Tot nu toe is de legitimaire massa in de nalatenschap van erflaatster als volgt opgebouwd:

50% woning (WOZ-waarde + correctie werkelijke waarde)

+

€ 325.000,00

50% banktegoeden bij de Rabobank

+

€ 1.509,57

Giften

+

p.m.

50% hypotheekschuld

-

€ 53.050,00

Begrafeniskosten

-

€ 7.718,25

Saldo

€ 265.741,32

Legitimaire aanspraak € 265.741,32 x 1/8 = € 33.217,67

Op dit moment is de legitimaire aanspraak van [eiser] in de nalatenschap van moeder € 33.217,67. Als er in de laatste vijf jaar nog in aanmerking te nemen giften zijn gedaan, dan kan deze aanspraak hoger worden. Nu hiervoor reeds is overwogen dat [eiser] geen giften heeft ontvangen, hoeven deze niet van de legitimaire portie worden afgetrokken.

Nalatenschap erflater

4.25.

Partijen zijn wat de nalatenschap van erflater betreft verdeeld over de waarde van de woning en over de vordering van [gedaagde] .

4.26.

Wat de waarde van de woning betreft, zit het verschil in een bedrag van € 6.815,- dat [gedaagde] heeft betaald aan de familie [naam familie] , zodat zij afstand zouden doen van hun voorkeursrecht om de woning de kopen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten behoren bij de verkoopkosten van de woning, dus van de verkoopsom mogen worden afgetrokken. Het is aannemelijk dat dit voorkeursrecht de waarde van de woning zou drukken met als gevolg dat de woning voor minder verkocht zou zijn en het saldo van de nalatenschap daardoor lager wordt. Onvoldoende is gebleken dat het niet in het voordeel van [eiser] is dat een afkoopsom is betaald, zodat dit bedrag van de verkoopopbrengst mag worden afgetrokken.

4.27.

Volgens [gedaagde] bedraagt haar moederlijk erfdeel € 132.870,66 en is dit een schuld in de nalatenschap van erflater, terwijl [eiser] van mening is dat haar erfdeel € 20.209,- bedraagt. Het verschil komt doordat partijen verdeeld zijn over of erflater aanspraak heeft gemaakt op het afvullegaat, een fiscale constructie om de erfbelasting te verminderen. De rechtbank kan [gedaagde] niet volgen in haar stelling dat erflater hiervan geen gebruik heeft gemaakt, omdat [gedaagde] samen met erflater haar vordering destijds op € 20.209,- heeft vastgesteld en omdat ook uit de aanslag erfbelasting blijkt dat erflater wel van het afvullegaat gebruik heeft gemaakt. Gelet hierop moet bij de berekening van het saldo van de nalatenschap van erflater rekening worden gehouden met een vordering aan [gedaagde] van € 20.209,-.

4.28.

[gedaagde] heeft later in deze procedure gesteld dat ook kosten van de vereffening ten bedrage van € 7.897,40 ten laste van de nalatenschap komen. Dit zijn de kosten die zien op werkzaamheden met betrekking tot advisering en bijstand bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst in 2019. Deze kosten dienen ten laste van de nalatenschap en niet ten laste van [gedaagde] te komen. De nalatenschap is gebaat bij deze overeenkomst en de kosten zijn redelijk qua hoogte.

4.29.

Tot nu toe is de legitimaire massa in de nalatenschap van erflater dus als volgt opgebouwd:

Woning (na aftrek van hypotheek en afkoopsom)

+

€ 649.242,93

Banktegoeden bij de Rabobank

+

€ 666,95

Giften

+

p.m.

Moederlijk erfdeel [gedaagde]

-

€ 20.209,00

Legitieme portie [eiser] in nalatenschap erflaatster

-

€ 33.217,67

Legitieme portie [naam zoon 1] , [naam zoon 2] en [naam zoon 3] in nalatenschap erflaatster

-

€ 33.345,00

Notariskosten

-

€ 1.197,93

Kosten vereffening

-

€ 7.897,40

Begrafeniskosten

-

€ 7.629,00

Saldo

€ 546.413,88

Legitimaire aanspraak: € 546.413,88 x 1/6 = € 91.068,98

Op dit moment is de legitimaire aanspraak van [eiser] in de nalatenschap van erflater € 92.385,21. Ook hiervoor geldt echter dat als er in de laatste vijf jaar nog in aanmerking te nemen giften zijn gedaan, dat deze aanspraak hoger kan uitvallen. Er hoeven echter geen giften aan [eiser] van de legitieme portie worden afgetrokken, zoals hiervoor reeds is overwogen.

Legitieme portie [gedaagde]

4.30.

heeft gesteld dat zij aanspraak maakt op haar aanvullende legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster als haar moederlijk erfdeel in de nalatenschap van erflater wordt vastgesteld op € 20.209,00. [gedaagde] heeft echter geen reconventionele vordering ingediend, zodat de rechtbank met deze aanspraak geen rekening kan houden. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het niet redelijk is dat [gedaagde] aanspraak maakt op haar aanvullende legitieme. Bij de berekening van de erfdelen van de kleinkinderen heeft zij daar immers geen beroep op gedaan op. Voorts zal een aanvullend beroep op haar legitieme voor de berekening van de legitimaire aanspraken van [eiser] slecht leiden tot een vermindering van ongeveer € 2.000,-. Gelet op het bedrag dat [gedaagde] reeds ontvangt uit de nalatenschappen van erflaatster en erflater, acht de rechtbank het niet redelijk als bij de berekening van de legitimaire aanspraak van [eiser] hiermee rekening moet worden gehouden.

Rente, beslagkosten en proceskosten

4.31.

De rechtbank zal gelet op het voorgaande en mede gelet op de recentelijk door de rechtbank Noord-Holland11 gestelde prejudiciële vragen over de toepasselijkheid van artikel 128 Fw op vereffening van een nalatenschap in dit vonnis nog niet beslissen op de door [eiser] gevorderde rente.

4.32.

De beslissing over de beslagkosten en de proceskosten houdt de rechtbank tevens aan. De rechtbank merkt voorlopig oordelend alvast op dat de kans niet groot is dat [gedaagde] zal worden veroordeeld in de daadwerkelijke proceskosten van [eiser] , omdat zij een pleitbaar standpunt heeft ingenomen. Aan de andere kant is de kans wel groot dat [gedaagde] wordt veroordeeld in de beslagkosten, omdat gelet op het voorgaande het beslag noodzakelijk gelegd lijkt te zijn.

Vervolg procedure

4.33.

[gedaagde] wordt, zoals hierboven is overwogen, veroordeeld om de bankafschriften over de laatste vijf jaar voor het overlijden van erflater aan [eiser] en de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van erflaatster in kopie over te leggen. Vervolgens zal [eiser] in de gelegenheid worden gesteld om hier bij akte op te reageren en indien nodig zijn vordering aan te passen. Daarbij moet [eiser] uitgaan van de hiervoor gemaakte berekeningen. In afwachting hiervan wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4.34.

De rechtbank geeft partijen mee om gelet op wat in deze uitspraak is overwogen over de geschilpunten te bezien of zij er samen uit kunnen komen. Indien partijen daarvoor meer tijd nodig hebben, dan kunnen zij dit aan de rechtbank laten weten.

5. De beslissing

De rechtbank

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee weken na de datum van dit vonnis aan [eiser] te verstrekken een kopie van de bankafschriften van Rabobankrekeningen [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] over de periode van vijf jaar voor het overlijden van erflater, alsmede van de aangifte erfbelasting in de nalatenschap van erflaatster;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 4 augustus 2021 waar [eiser] bij akte mag reageren op de door [gedaagde] overgelegde bankafschriften;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.A.F.M. Wouters en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2021.

3120

1 Die zijn vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW.

2 Op grond van artikel 4:67 aanhef en onder d BW.

3 Op grond van artikel 4:64 BW.

4 Op grond van de artikelen 4:70 en 4:71 BW.

5 Zie r.o. 2.21, gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1168

6 Productie 40 zijdens [eiser]

7 Zie r.o. 8, gerechtshof Den Haag 1 september 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2329

8 ECLI:NL:GHDHA:2019:1869

9 ECLI:NL:RBDHA:2019:1825

10 27 februari 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:1825

11 ECLI:NL:RBNHO:2021:205