Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6376

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-06-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
C/10/531165 / HA ZA 17-696
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis na tussenvonnis (ECLI:NL:RBROT:2019:10927). Is de koopovereenkomst met betrekking tot een woning ondertekend door alle partijen zelf, of hebben anderen voor hen getekend? Handtekeningenonderzoek wijst uit dat niet iedereen zelf heeft getekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/531165 / HA ZA 17-696

Vonnis van 30 juni 2021

in de zaak van

1. [naam eiser 1] ,

wonende te [woonplaats eiser 1] ,

2. [naam eiser 2],

wonende te [woonplaats eiser 2] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. S.A. Ray te Rotterdam,

tegen

1. [naam gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats gedaagde 1] ,

gedaagde in conventie,

advocaat mr. P.J. Velthuizen te Rotterdam,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. P.J. Velthuizen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagden] genoemd worden. Afzonderlijk zullen partijen [naam eiser 1] , [naam eiser 2] , [naam gedaagde 1] en [naam gedaagde 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 10 juli 2019 en de daarin genoemde processtukken

  • -

    de akte strekkende tot wijziging van eis ex artikel 130 Rv., met producties, van [eisers] ,

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] ,

  • -

    het deskundigenrapport,

  • -

    de conclusie na deskundigenrapport van [eisers] ,

  • -

    de antwoordconclusie na deskundigenbericht van [gedaagden]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1.

In geding is de vraag of [naam gedaagde 2] en/of [naam eiser 2] (zelf) hun handtekeningen hebben geplaatst op de overeenkomst waarbij [eisers] hun woning hebben verkocht aan [gedaagden] Het verweer van [gedaagden] , luidt kort gezegd, dat “de twee mannen voor de twee vrouwen hebben getekend,” als gevolg waarvan niet voldaan is aan het schriftelijkheidsvereiste van art. 7:2 lid 2 BW. De rechtbank heeft een deskundige benoemd teneinde te onderzoeken of het wel/ niet de handtekeningen van [naam gedaagde 2] en [naam eiser 2] zijn die op de koopovereenkomst staan.

2.2.

[eisers] hebben hun eis gewijzigd, met een meer subsidiaire vordering voor het geval hun overige vorderingen mochten worden afgewezen. De rechtbank zal later op deze eiswijziging terugkomen.

2.3 De deskundige, [naam] , rapporteert onder meer het volgende (waarbij hij [naam eiser 2] aanduidt als [naam eiser 2] ):

“ 7. Resultaten vergelijkend onderzoek

7.1 Handtekening [naam eiser 2]

bij vergelijking van de betwiste handtekeningen met het overlegde referentiemateriaal zijn overeenkomsten waarneembaar in het algeheel van de handtekeningen. De betwiste handtekening en de referentiehandtekeningen bestaan uit gelijksoortige patronen die vergelijkbaar zijn. zie afbeelding 5.

[...]

Bij vergelijking van de verschillende elementen op microniveau zijn juist verschillen waarneembaar. De letter M verschilt. In de betwiste handtekening is de brug van de letter M (dat is het middelste deel) zichtbaar als een v-vorm die niet helemaal tot onder doorloopt. Bij de referentiehandtekeningen is dit juist wel het geval. De brug loopt verder door naar onder en is minder v-vormig. Het krommingsverloop van de kap (het bovenste deel) vind ik meer overeenkomstig, maar de rechter stok van de letter M verloopt ''bol'' naar beneden, terwijl dit bij de referentiehandtekeningen meer ''hol'' is of recht. De letter C en het krommingsverloop vind ik niet-tegenstrijdig. Deze letter C zou binnen de variatie van de referentiehandtekeningen kunnen passen. De letter t daarintegen verschilt juist weer. Deze is vrij klein geschreven ten opzichte van de overige letters, terwijl die in de referentiehandtekeningen groter is en steeds ongeveer even hoog als de naastgelegen letter C. Dit is een duidelijk verschil. De letter H vertoont wat overeenkomsten, maar niet qua grootte. De letter a verschilt weer duidelijk. In de betwiste handtekening is de letter a vrij klein en verwaarloosd geschreven, terwijl deze letter in de referentiehandtekeningen er duidelijk als een letter a uitziet. De letter V is in de betwiste handtekening wat ronder van vorm en wat kleiner dan die in de referentiehandtekeningen. de referentieletters V zijn wat puntiger. Het eindpatroon in de referentiehandtekeningen vertoont enige variatie, echter ze eindigen allemaal links. Allen (de rechtbank leest: alleen) bij de betwiste handtekeningen eindigt dit patroon midden onder de handtekening omdat een extra haal aan is geschreven. Die laatste haal bevindt zich in geen van de referentie-handtekeningen.

7.2 Handtekening [naam gedaagde 2]

Bij vergelijking van de betwiste handtekeningen met het overlegde referentiemateriaal zijn duidelijke verschillen waarneem baar in het algeheel beeld van de handtekeningen. De betwiste handtekening en de referentiehandtekeningen bestaan niet uit gelijksoortige patronen. Zie afbeelding 6.

[...]

Bij vergelijking van de verschillende elementen op microniveau zijn eveneens verschillen waarneembaar. Het patroon dat lijkt op de letter D vertoont verschillen tussen de betwiste en de referentie-handtekeningen. De stok van de ''letter D'' bevindt zich links, terwijl dit bij de referentiehandtekeningen in het midden bevindt. Tevens verschilt de vorm van die stok. De kromming van de kap verschil ook; in de referentiehandtekeningen is deze kap veel royaler geschreven en ronder van vorm dan bij de betwiste handtekening. Het patroon dat lijkt op de letter R (in de betwiste handtekening) komt niet als zodanig voor in de referentiehandtekeningen. Daar lijkt het patroon op een letter M en hierdoor verschilt dat patroon. Deze is royaal in de referentiehandtekeningen en kort van aard in de betwiste handtekening.

8. Interpretatie van de bevindingen

Omdat er uitsluitend schrijfproeven voor het onderzoek beschikbaar zijn en geen handtekeningen die bij een eerdere gelegenheid buiten de context van de zaak zijn geproduceerd, zijn de onderzoeksmogelijkheden enigszins beperkt. Voor een adequaat onderzoek zijn die genoemde handtekeningen nodig. Toch zijn de bevindingen voldoende en waren er genoeg vergelijkingsmogelijkheden om een conclusie te kunnen trekken.

De bevindingen liggen in de lijn der verwachting wanneer de beide betwiste handtekeningen door andere personen zijn geschreven dan door degenen die het referentiehandschrift hebben geproduceerd. Ondanks de weinige waargenomen sporen van overeenkomst in de handtekening van [naam eiser 2] , hecht ik meer waarde aan de zichtbare verschillen dan aan de (sporen van) overeenkomst. De verschillen overheersen. Omdat er enkele sporen van overeenkomst waarneembaar zijn, althans meer niet-tegenstrijdigheden dan significante overeenkomsten, kan er een minder vergaande conclusie worden gegeven.

Bij de handtekening van [naam gedaagde 2] zijn de verschillen meer significant en zijn er geen overeenkomsten waargenomen. Hierdoor kan er voor die handtekening een wat verdergaande conclusie worden getrokken.

De kans op de bevindingen wanneer de betwiste handtekeningen zouden zijn gezet door betrokken zelf acht ik klein omdat het juist om vlot geproduceerde handtekeningen gaat. Wanneer er vlot wordt geschreven komen juist de eigen kenmerken van de schrijver naar boven en minder kenmerken van nabootsing of vervalsing zoals aarzelingen in de lijnen. Die aarzelingen zijn in beide handtekeningen niet waarneembaar.

Wanneer de handtekeningen wel authentiek zouden zijn, zou ik meer overeenkomsten hebben verwacht dan nu zijn waargenomen. Nu zijn er juist verschillen waargenomen.

9. Conclusies

Bij het onderzoek waren de volgende elkaar uitsluitende hypothesen opgesteld voor de betwiste handtekeningen:

H1. De betwiste handtekening is geproduceerd door betrokkene.

H2. De betwiste handtekening is geproduceerd door een willekeurige andere persoon.

9.1

Handtekening [naam eiser 2]

De bevindingen van het onderzoek zijn waarschijnlijker wanneer hypothese H2 juist is dan wanneer hypothese H1 juist is.

9.2

Handtekening [naam gedaagde 2]

De bevindingen van het onderzoek zijn veel waarschijnlijker wanneer hypothese H2 juist is dan wanneer hypothese H1 juist is.

Wanneer er meer referentiemateriaal beschikbaar zou zijn voor het onderzoek, kan wellicht meer duidelijkheid worden verkregen. De onderzoeksmogelijkheden zijn nu enigszins beperkt geweest, maar wel voldoende voor een conclusie.”

2.4.

De rechtbank acht de bevindingen van de deskundige logisch, concludent en overtuigend en neem deze over. Het is (meer dan) waarschijnlijk dat de koopovereenkomst niet is ondertekend door [naam gedaagde 2] en [naam eiser 2] . De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de handtekeningen niet door hen zijn geplaatst. Gevolg daarvan is, zoals reeds in rechtsoverweging 4.7 van het tussenvonnis van 20 februari 2019 is overwogen, dat geen sprake is van een geldige koopovereenkomst. Daarom zullen de oorspronkelijke vorderingen worden afgewezen.

2.5.

Aan het oordeel doet het volgende niet af.

2.5.1.

[eisers] stellen dat, voor zover zij weten, de deskundige bij zijn onderzoek niet heeft kunnen beschikken over de originele koopovereenkomst. Volgens [eisers] zitten er verschillen tussen de parafen op pagina 1 van de als productie 1 overgelegde koopovereenkomst en pagina 1 van de door de deskundige gehanteerde versie van de koopovereenkomst. Dit betoog faalt. Terecht voeren [gedaagden] aan dat er een logische verklaring bestaat voor deze discrepantie (waarover de rechtbank al eerder geoordeeld, in het tussenvonnis van 20 februari 2019, rov. 4.5.1). De verklaring is, naar [eisers] zelf hebben gesteld, dat de Hypotheker een nieuwe versie wilde hebben van pagina 1. [naam gedaagde 1] heeft ter comparitie verklaard dat de reden daarvan was dat op pagina 1 een geboortedatum verkeerd vermeld stond. De stelling is dus niet goed onderbouwd.

2.5.2.

Ook om een andere reden faalt de stelling. De stelling is in strijd met de goede procesorde. Op zich kan aan [eisers] worden nagegeven dat, zoals uit het deskundigenrapport blijkt, de koopovereenkomst aan de deskundige is afgegeven door [gedaagden] , en dus niet door [eisers] . Dit laat in theorie de mogelijkheid open dat [gedaagden] niet de originele koopovereenkomst aan de deskundige hebben afgegeven, dan wel deze overeenkomst eerst hebben bewerkt. Maar [eisers] zijn te laat met hun kritiek. Procespartijen kunnen volgens de wet opmerkingen maken en verzoeken doen aan de deskundige. Die bepaling is er niet voor niets. [eisers] hadden hun kritiek aan de deskundige moeten richten toen hij nog bezig was met zijn onderzoek. De deskundige heeft zijn conceptrapport voor commentaar aan partijen voorgelegd, dus die mogelijkheid heeft bestaan. De deskundige is nu de mogelijkheid ontnomen om de kritiek mee te nemen in zijn onderzoek, dan wel om deze kwestie terug te koppelen naar de rechtbank als hij er zelf niet uitkwam. Het komt voor risico van [eisers] dat zij van deze mogelijkheid geen gebruik hebben gemaakt. Daarbij weegt mee dat de bewijslast dat de handtekeningen echt zijn, op [eisers] rust.

2.6.

Over de eiswijziging wordt als volgt geoordeeld.

2.6.1.

[eisers] stellen, samengevat, het volgende: indien uit het deskundigenonderzoek volgt dat de handtekening van [naam gedaagde 2] niet authentiek is, dan zijn [eisers] onnodig op kosten gejaagd. [gedaagden] hebben pas in deze procedure en wel bij conclusie van antwoord (d.d. 27 september 2017) voor het eerst het standpunt ingenomen dat er iets mis was met de handtekening van [naam gedaagde 2] ; eerst toen heeft [naam gedaagde 2] dat verklaard. [gedaagden] hadden dat moeten zeggen vóórdat de procedure werd opgestart. Het is onrechtmatig om dat niet te doen. Ook is het onrechtmatig van [naam gedaagde 1] om de handtekening van [naam gedaagde 2] te plaatsen. [naam gedaagde 2] handelt ook onrechtmatig, omdat zij van de door [naam gedaagde 1] vervalste handtekening op de hoogte was en daarover heeft gezwegen. De schade bestaat uit:

a) advocaatkosten in verband met onderhavige procedure: € 16.0024,33

b) voorschot i.v.m. handtekeningdeskundige: € 1.210,00

c) kosten makelaar: € 5.335,00

d) afkoopkosten makelaar: € 600,00

e) kosten in verband met het nemen van conservatoire maatregelen: € 1.176,00

f) buitengerechtelijke incassokosten: € 1.006,69.

2.6.2.

[gedaagden] betwisten dat zij onrechtmatig gehandeld hebben en zij betwisten de hoogte/ toewijsbaarheid van de gestelde schade. Volgens [gedaagden] wist [naam eiser 1] heel goed hoe het zat met de handtekeningen, want hij heeft nota bene zelf ook de handtekening van zijn echtgenote geplaatst op de koopovereenkomst. [naam eiser 1] had in ieder geval na de conclusie van antwoord (maar eigenlijk dus al voor het aanhangig maken van de procedure) zijn conclusies moeten trekken, zodat de gemaakte kosten aan eigen schuld zijn te wijten.

2.6.3.

De rechtbank staat de eiswijziging toe. Deze is niet in strijd met de goede procesorde. In het oordeel weegt mee dat [gedaagden] wel inhoudelijk verweer voeren tegen de eiswijziging maar geen bezwaar maken tegen het instellen van de eiswijziging als zodanig.

2.6.4.

De vordering zal worden afgewezen. Het deskundigenrapport bewijst dat ook [naam eiser 1] zelf een handtekening en wel die van zijn echtgenote heeft vervalst op de koopovereenkomst. Dan mogen [eisers] [naam gedaagde 1] niet verwijten dat hij op gelijke wijze heeft gehandeld. Dat de rechtsgeldigheid van de koopovereenkomst in rechte zou kunnen worden aangetast is (mede) aan zijn eigen schuld te wijten en dient in de gegeven omstandigheden dan ook voor rekening en risico van [eisers] te blijven. Het verweer van [gedaagden] op dit punt treft doel.

2.6.5.

De posten a, b en e zijn ook om een andere reden niet toewijsbaar. Het gaat hier om proceskosten. In beginsel bestaat geen recht op een volledige proceskostenvergoeding. Proceskosten plegen als regel te worden vergoed volgens een gematigd tarief, dat niet alle kosten van de wederpartij dekt (de zogeheten Liquidatietarieven). Een vordering tot volledige vergoeding van de proceskosten is alleen toewijsbaar in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen (HR 29 januari 2016, ECLI:NL:HR:2016:147). Daarvan is in dit geval geen sprake. Op een gedaagde partij rust in beginsel geen rechtsplicht om alle verweren al bekend te maken aan de wederpartij voordat de procedure aanhangig wordt gemaakt. Een ander oordeel zou de onwenselijke consequentie kunnen hebben dat de wederpartij voorafgaand aan de procedure zich gedwongen ziet een advocaat te raadplegen om zich zo goed mogelijk in te dekken terwijl er nog niet eens een gerechtelijke procedure in zicht is. Daar komt bij dat [eisers] van het verweer van [gedaagden] in ieder geval op 27 september 2017 (datum conclusie van antwoord) op de hoogte waren. De gevorderde kosten zien alle op de periode daarna.

2.6.6.

Ook post f, de buitengerechtelijke incassokosten, is niet toewijsbaar om een extra reden. Deze buitengerechtelijke incassokosten moeten gemaakt zijn voordat de onderhavige procedure aanhangig is gemaakt. Maar voordat de procedure aanhangig was gemaakt, wisten [eisers] , naar zij stellen, niet dat [naam gedaagde 1] voor [naam gedaagde 2] had getekend. Eventuele incassokosten kunnen dus geen betrekking hebben op de onderhavige kwestie, zodat zij in ieder geval hier niet toewijsbaar zijn. Voor zover de incassokosten betrekking hebben op het oorspronkelijk gevorderde zijn zij evenmin toewijsbaar, omdat de hoofdvordering niet toewijsbaar is.

2.7.

De slotsom is dat alle vorderingen zullen worden afgewezen. [eisers] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [gedaagden] Deze kosten worden begroot op € 6.558,00 (€ 1.545,00 aan griffierecht en € 5.013,00 aan salaris advocaat (conform de Liquidatietarieven, 4 ½ punt, tarief IV ad € 1.114,00 per punt).

De kosten van de deskundige zijn voorgeschoten door [eisers] en blijven voor hun rekening.

2.8.

De proceskostenveroordeling zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank acht het belang van [gedaagden] dat daarmee is gediend zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van [eisers]

in reconventie

2.9.

De rechtbank neemt haar oordelen in conventie hier over. Daaruit volgt dat [naam eiseres] geen partij is bij de koopovereenkomst. Vordering I is dus toewijsbaar.

2.10.

Vorderingen II en II zullen eveneens worden toegewezen. Het bedrag van € 13.978,31 dat [naam eiseres] onder druk van het beslag uit de overwaarde van haar eigen woning heeft betaald, is onverschuldigd aan [verweerders] betaald want [verweerders] blijken geen vordering te hebben op [naam eiseres] . Dit bedrag moet daarom worden terugbetaald.

Omdat [verweerders] geen vordering hebben op [naam eiseres] mochten zij ook geen beslag leggen ten laste van [naam eiseres] . [verweerders] zijn aansprakelijk voor de schade ad 347,88 die [naam eiseres] lijdt vanwege deze beslaglegging (kosten doorhaling). De gevorderde wettelijke rente over beide bedragen is eveneens toewijsbaar.

2.11 [verweerders] . zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [naam eiseres] . Deze kosten worden begroot op € 1.126,00 (conform de Liquidatietarieven, 2 punten, tarief II ad € 563,00 per punt).

2.1. Het vonnis in reconventie zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. De rechtbank acht het belang van [naam eiseres] dat daarmee is gediend zwaarder wegen dan het tegenovergestelde belang van [verweerders]

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst het gevorderde af,

3.2.

veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van [gedaagden] , tot op heden begroot op € 6.588,00,

3.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4.

verklaart voor recht dat [naam eiseres] geen partij is bij de koopovereenkomst,

3.5.

veroordeelt [verweerders] tot betaling aan [naam eiseres] van € 13.978,31 zijnde het door [naam eiseres] onverschuldigd aan hen betaalde bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,

3.6.

veroordeelt [verweerders] tot betaling aan [naam eiseres] van € 347,88 zijnde de door [naam eiseres] geleden schade als gevolg van het onrechtmatig gelegde beslag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,

3.7.

veroordeelt [verweerders] in de proceskosten van [naam eiseres] , tot op heden begroot op € 1.126,00,

3.8.

verklaart het vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Heevel en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door de rolrechter op 30 juni 2021.

[2517/1515]