Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:637

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
03-02-2021
Zaaknummer
8376879 CV EXPL 20-951
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitwerking franchise-overeenkomst met verplichte leverancier; substantiëringsplicht art 21 jo 111 Rv; verrekening; uitstellen opeisbaarheid veroordeling; art 3:53 lid 2 BW geheel of ten dele buitenwerkingstelling terugwerkende kracht vernietiging; geen salarispunt voor dagvaarding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8376879 CV EXPL 20-951

uitspraak: 28 januari 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Dordrecht,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.E. van Zoest,

tegen

[gedaagde] , (v.)h.o.d.n. [naam bedrijf] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.H.F. Beiboer.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en [gedaagde] .

Verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. het exploot van dagvaarding van 26 februari 2020, met producties;

  2. de conclusie van antwoord, met producties;

  3. het vonnis in incident van 16 juli 2020;

  4. de conclusie van repliek, met producties;

  5. de conclusie van dupliek, met producties;

  6. de akte uitlating producties.

De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen het volgende vast.

1.1

[gedaagde] heeft in maart 2018 een franchiseovereenkomst gesloten met [naam bedrijf] (hierna: [naam bedrijf] ). In die overeenkomst wordt [eiseres] aangewezen als de vaste c.q. verplichte leverancier van de producten voor de franchiseondernemer.

1.2

In de periode van 31 december 2018 tot en met 28 januari 2019 heeft [eiseres] voor een totaal bedrag van € 10.992,19 producten geleverd aan [naam persoon 1] .

1.3

[naam persoon 2] , manager Finance van [naam bedrijf] , heeft op 8 januari 2019 een e-mailbericht verstuurd aan [gedaagde] . Dit bericht luidt als volgt:

“Volgens mij zijn de incassomachtigingen nu allemaal weer in orde.

Onderstaande facturen zijn geïncasseerd, maar deze heb je met de betaling van

EUR 11.870,31 ook voldaan:

18199470 Heraudit EUR 242,00

18199566 DM kaarten november EUR 162,62

Daarnaast hebben we afgelopen week de volgende uitbetalingen nog niet aan jou gedaan:

creditcard 10/12 – 23/12 EUR 259,95

i-Deal 24-12 – 30/12 EUR 3.688,08

De laatste facturen die nog je had gestorneerd, doordat de incassomachtiging niet goed stond, zijn:

18732319 [eiseres] EUR 1.504,44

18732318 [eiseres] EUR 1.421,93

In totaal heb je hierdoor recht op een bedrag van EUR 1.426,28. Dit bedrag gaan we aan je uitkeren.”

Omschrijving van het geschil

2.1

[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen een bedrag van € 12.680,03, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over

€ 10.842,10 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, waaronder beslagkosten ad € 1.733,24.

2.2

[eiseres] legt nakoming van de overeenkomst aan haar vordering ten grondslag. [eiseres] heeft in de periode van 5 januari 2019 tot en met 26 januari 2019 aan [gedaagde] negen facturen verstuurd. Op 9 februari 2019 is een creditfactuur ad € 150,09 verstuurd. Het totaal verschuldigde ad € 10.842,10 is onbetaald gelaten door [gedaagde] . Naast dit bedrag aan hoofdsom vordert [eiseres] een bedrag van € 954,51 aan verschenen rente tot de dag der dagvaarding en een bedrag van € 883,42 aan buitengerechtelijke incassokosten.

2.3

[gedaagde] betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan. De dagvaarding dient nietig verklaard te worden, danwel dient [eiseres] niet ontvankelijk verklaard te worden, althans dient haar vordering afgewezen te worden, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten waaronder de beslagkosten. In strijd met de waarheid staat in het verlofrekest van [eiseres] valselijk dat [naam bedrijf] [gedaagde] in rechte heeft betrokken om betaling van franchisefees, reclamefees en online bestellingenfees te bewerkstelligen. [gedaagde] wordt zo onterecht als wanbetaler neergezet terwijl het juist [gedaagde] is die [naam bedrijf] in rechte heeft betrokken nu zij haar verplichtingen niet nakomt. Ook in de dagvaarding worden deze zaken verkeerd weergegeven waardoor de werkelijke verweren van [gedaagde] onbelicht blijven.

Daarnaast is [gedaagde] niets meer verschuldigd aan [eiseres] . Alle facturen van [eiseres] zijn middels verrekening voldaan. Een eventuele veroordeling van [eiseres] op [gedaagde] dient pas opeisbaar te worden onder de voorwaarde dat in de Amsterdamse zaak van [gedaagde] tegen [naam bedrijf] onherroepelijk uitspraak is gedaan.

De gevorderde handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten worden eveneens betwist, [gedaagde] handelt namelijk niet meer in naam van zijn bedrijf maar als natuurlijk persoon. Bij gebrek aan een inkomen dienen de buitengerechtelijke incassokosten gematigd te worden. [eiseres] dient veroordeeld te worden in de kosten van de procedure waaronder nakosten en rente.

Beoordeling van het geschil

3.1

Het verweer van [gedaagde] dat de dagvaarding nietig is dan wel [eiseres] niet-ontvankelijk is vanwege het verzaken door [eiseres] van de substantiëringsplicht van artikel 111 Rv in het verlofrekest en de dagvaarding wordt verworpen. In artikel 111 lid 3 Rv is weliswaar bepaald dat het exploot van dagvaarding de verweren tegen de vordering vermeldt (de substantiëringsplicht) doch de wet verbindt geen consequenties aan het niet voldoen aan dit vereiste. Dat daarnaast door [eiseres] (abusievelijk) in het verlofrekest en de dagvaarding is opgenomen dat [gedaagde] door [naam bedrijf] in rechte is betrokken in plaats van andersom, is weliswaar in strijd met de waarheid maar nu [eiseres] haar vordering niet op die stelling baseert acht de kantonrechter het niet geraden hieraan de door [gedaagde] bepleite gevolgtrekking te verbinden. Wel houdt de kantonrechter met de omissies van [eiseres] rekening in het kader van de proceskostenveroordeling (zie 3.8 hieronder).

3.2

[eiseres] vordert betaling van haar facturen 19700128, 19700129, 19700579, 19700580, 19701235, 19701236, 19701237, 19702001 en 19702002. [gedaagde] heeft de goederen waarop deze facturen zien geleverd gekregen zodat hij gehouden is deze facturen te voldoen. [gedaagde] doet echter een beroep op verrekening, volgens hem zijn de facturen voldaan met door [naam bedrijf] ontvangen iDealbetalingen en credit cardbetalingen van klanten van [gedaagde] . [gedaagde] verwijst in dit verband naar het kort geding vonnis van de Amsterdamse voorzieningenrechter van 20 februari 2019, de door [gedaagde] aanhangig gemaakte bodemprocedure tegen [naam bedrijf] , het onder 1.3 weergegeven e-mailbericht en de door de voormalig gemachtigde van [eiseres] verstuurde sommatiebrieven.

3.3

Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt echter niet. Hiertoe wordt als volgt overwogen. In het kort geding-vonnis, waarin [eiseres] (een andere zelfstandige rechtsentiteit dan [naam bedrijf] ) geen enkele rol speelt zodat er namens haar – anders dan [gedaagde] aanvoert – geen mededelingen zijn gedaan, staat onder 2.21 van de vaststaande feiten dat [naam bedrijf] iDealbetalingen die zij ontvangt van klanten van [gedaagde] verrekent met door [gedaagde] aan [naam bedrijf] verschuldigde bedragen. De overweging van de voorzieningenrechter dat er ‘op enig moment niets meer openstond’ lijkt dan ook betrekking te hebben op de verhouding tussen [gedaagde] en [naam bedrijf] , de gehele beoordeling ziet immers alleen op die onderlinge verhouding. Ook in de bodemprocedure die [gedaagde] heeft aangespannen tegen [naam bedrijf] speelt [eiseres] geen enkele rol, die procedure ziet op de rol van [naam bedrijf] bij het tot stand komen van de franchiseovereenkomst en tijdens de duur daarvan. Opvallend is wel dat [gedaagde] in die dagvaarding (onder punt 47) weergeeft dat de betalingsachterstand bij [eiseres] verder oploopt doordat [naam bedrijf] de achtergehouden bedragen gebruikt ter verrekening van haar eigen facturen waardoor [eiseres] geen goederen meer levert zonder vooruitbetaling. [gedaagde] heeft geld moeten lenen om een deel van een bestelling op 30 januari 2019 (net na onderhavige periode) op te mogen halen. [eiseres] heeft aangegeven de bestelling van 1 februari 2019 niet te leveren als de gehele achterstand ad € 8.327,81 niet wordt voldaan. Dit is een ander standpunt dan het standpunt dat [gedaagde] in deze procedure inneemt. In ieder geval draait de bodemprocedure ook om de onderlinge verhouding tussen [gedaagde] en [naam bedrijf] zodat een inhoudelijke beoordeling over een eventuele verrekening van facturen van [eiseres] niet te verwachten valt.

Uit het onder 1.3 weergegeven e-mailbericht volgt weliswaar dat [naam bedrijf] de daar genoemde twee facturen van [eiseres] heeft verrekend maar niet dat zij onderhavige facturen heeft verrekend. Bij conclusie van dupliek lijkt [gedaagde] nog aan te voeren dat er geen andere facturen bij [eiseres] meer openstonden dan deze twee omdat die anders wel opgesomd zouden worden in het e-mailbericht van 8 januari 2019. Onderhavige facturen, met een vervaltermijn van acht dagen, waren op dat moment echter nog niet opeisbaar zodat die conclusie niet opgaat. Uit het enkele gegeven dat er sommatiebrieven zijn verstuurd waarin zowel betaling van facturen van [eiseres] als [naam bedrijf] wordt geëist, volgt evenmin dat onderhavige facturen zijn verrekend.

In rechte is dan ook niet komen vast te staan dat onderhavige facturen zijn voldaan zodat de gevorderde hoofdsom zal worden toegewezen. Nu, zoals hierboven overwogen, [eiseres] geen rol speelt in de bodemprocedure die [gedaagde] tegen [naam bedrijf] heeft aangespannen is er geen reden de opeisbaarheid van onderhavige veroordeling uit te stellen totdat er in de Amsterdamse zaak een onherroepelijk eindvonnis is.

3.4

[gedaagde] doet bij conclusie van dupliek nog een beroep op verrekening, in die zin dat de waarde van de op 1 juni 2019 in de winkel aanwezige voorraad in mindering dient te worden gebracht. Om tot een geslaagd beroep op verrekening te komen moet er sprake zijn van een tegenvordering die op eenvoudige wijze vast te stellen is. [eiseres] betwist een vergoeding voor de voorraad verschuldigd te zijn. De gegrondheid van het verrekeningsverweer kan dan ook niet eenvoudig worden vastgesteld en zal conform artikel 6:136 BW worden gepasseerd.

Eveneens voert [gedaagde] bij conclusie van dupliek aan dat hij op 29 januari 2019 een bedrag van € 1.497,94 heeft betaald. Voor zover deze betaling ziet op onderhavige facturen dient dit bedrag in mindering gebracht te worden.

3.5

Nu [eiseres] betwist dat een (eventuele) vernietiging door [gedaagde] bij brief van 31 mei 2019 van de franchiseovereenkomst met [naam bedrijf] mede inhoudt dat de overeenkomst met [eiseres] wordt vernietigd waardoor er voor [gedaagde] nooit een verplichting heeft bestaan bij [eiseres] goederen af te nemen, behoeft het beroep van [gedaagde] bij conclusie van dupliek op artikel 3:53 lid 2 BW (geheel of ten dele buitenwerkingstelling van de terugwerkende kracht van vernietiging) geen bespreking.

3.6

[gedaagde] handelde ten tijde van de leveringen uit hoofde van zijn bedrijfsvoering, niet als consument. De gevorderde wettelijke handelsrente zal dan ook als op de wet gegrond worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

3.7

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden toegewezen nu voldoende is gesteld en gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Nu niet meer wordt gevorderd dan op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is toegestaan, zal de vergoeding ad € 883,42 niet worden gematigd.

3.8

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. Gelet op hetgeen hierboven onder 3.1 is overwogen zal geen salarispunt voor de dagvaarding worden toegekend noch salaris voor het beslagrekest. Tot aan deze uitspraak worden daarom de proceskosten aan de zijde van [eiseres] bepaald op € 91,46 aan dagvaardingskosten, € 340,- aan vast recht en € 540,- aan salaris voor de gemachtigde (1½ punt). De veroordeling in de beslagkosten is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar, zij het met vorenbedoelde korting. De kosten van de overbetekening van de dagvaarding ad € 70,59 worden afgewezen nu geen kopie van het overbetekeningsexploot in het geding is gebracht. Een bedrag van € 1.119,65 aan beslagkosten zal daarom worden toegewezen.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] tegen kwijting te betalen € 12.680,03, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW over € 10.842,10 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 431,46 aan verschotten, € 540,- aan salaris voor de gemachtigde en € 1.119,65 aan beslagkosten;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Deze beslissing is gegeven door mr. G.A.F.M. Wouters uitgesproken ter openbare terechtzitting.

745