Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6318

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
05-07-2021
Zaaknummer
8856744 CV EXPL 20-39844
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

factuur onderhoud auto, schade, beroep op verrekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8856744 CV EXPL 20-39844

uitspraak: 30 april 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[persoon A] ,

h.o.d.n. [bedrijf A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiser in conventie,

verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: [naam gemachtigde 1] te [plaats 1] ,

rolgemachtigde: [naam gemachtigde 2] te [plaats 2] ,

tegen:

[persoon B] ,

h.o.d.n. [bedrijf B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

gemachtigde: mr. C.C.M. Welten te Rotterdam.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [persoon A] ’ en ‘ [persoon B] ’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaarding van 30 oktober 2020, met producties;

• de conclusie van antwoord in conventie tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties;

• het tussenvonnis van 25 januari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

• de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2

De mondelinge behandeling is gehouden op 22 maart 2021 via beeld- en geluidverbinding met het programma Skype voor bedrijven. Ter zitting is de heer [persoon B] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Van de zijde van [persoon A] is niemand ter zitting verschenen. Van het ter zitting verhandelde heeft de griffier aantekeningen gehouden.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[persoon B] heeft [persoon A] ingehuurd voor het verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een auto. Voor deze werkzaamheden heeft [persoon A] een bedrag van € 925,20 gefactureerd, welk bedrag niet door [persoon B] is voldaan.

3. De vordering en het verweer in conventie

3.1

[persoon A] vordert dat [persoon B] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [persoon A] van:

  1. een bedrag van € 925,20 in hoofdsom, primair te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 12 augustus 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, subsidiair te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 12 augustus 2019 tot aan de dag van algehele voldoening, althans de wettelijke (handels-)rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

  2. een bedrag van € 138,78 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  3. een bedrag van € 423,50 ter zake van juridische bijstand;

  4. e proceskosten;

  5. de nakosten ter hoogte van de helft van het toepasselijke liquidatietarief, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de 3e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2

[persoon A] heeft nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst aan zijn vordering ten grondslag gelegd. Uit hoofde van deze overeenkomst moet [persoon B] € 925,20 aan hem betalen, zoals in rekening gebracht bij factuur van 29 juli 2019. Ondanks aanmaning heeft [persoon B] nagelaten het verschuldigde bedrag te voldoen. [persoon B] is daarom tevens de wettelijke (handels)rente verschuldigd vanaf 12 augustus 2019. Nu [persoon B] ook na de aanmaning die [persoon A] hem op 16 januari 2020 heeft gestuurd de vordering niet heeft betaald, is hij tevens de in deze brief aangezegde buitengerechtelijke incassokosten van € 138,78 verschuldigd geworden.

3.3

[persoon B] is het niet eens met de vordering van [persoon A] . Hij voert daar primair tegen aan dat partijen met elkaar hebben afgesproken dat [persoon A] hem geen nota zou sturen voor de verrichte werkzaamheden, omdat [persoon A] tijdens die werkzaamheden schade aan de auto heeft veroorzaakt. [persoon A] heeft dus niets meer van [persoon B] te vorderen. Subsidiair voert [persoon B] aan dat hij de vordering van [persoon A] mag verrekenen met zijn vordering op [persoon A] van € 816,75 uit hoofde van de door hem geleden schade als gevolg van het handelen van [persoon A] .

3.4

Op de overige stellingen van partijen wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling nader ingegaan.

4. De vordering en het verweer in voorwaardelijke reconventie

4.1

[persoon B] vordert, voor het geval zijn verweren niet slagen, in voorwaardelijke reconventie dat [persoon A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan [persoon B] van een bedrag van € 816,76, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2021 tot aan de dag van algehele voldoening, binnen 3 dagen na betekening van dit vonnis, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

4.2

Op hetgeen partijen in reconventie hebben aangevoerd, zal in het kader van de beoordeling – voor zover nodig – worden ingegaan.

5. De beoordeling in conventie

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat aan de auto van [persoon B] onderhoudswerkzaamheden zijn uitgevoerd door [persoon A] voor een bedrag van € 925,20. Beoordeeld moet worden of [persoon B] ter zake nog een bedrag aan [persoon A] verschuldigd is. [persoon A] heeft betwist dat partijen hebben afgesproken dat [persoon B] niets hoefde te betalen vanwege door [persoon A] veroorzaakte schade aan de auto. Ook heeft [persoon A] gesteld dat hij niets met de gestelde schade te maken heeft. Bovendien heeft [persoon A] aangevoerd dat, als hij al schade heeft toegebracht aan de auto, hij eerst in de gelegenheid had moeten worden gesteld om tot herstel over te gaan.

5.2

Aangezien [persoon A] betwist dat partijen voornoemde afspraak met elkaar hebben gemaakt, lag het op de weg van [persoon B] om die stelling nader te onderbouwen.

5.3

[persoon B] heeft daartoe tijdens de mondelinge behandeling de volgende nadere toelichting gegeven. In of omstreeks de maand juni 2019 heeft [persoon B] zijn auto vanwege autopech bij [persoon A] gebracht voor een reparatie. Na een week kreeg [persoon B] een telefoontje dat hij de auto kon komen ophalen. Hij constateerde toen dat er onder meer twee deuken in de motorkap zaten. Daarnaast vertelde [persoon A] hem dat de auto verkeerd was opgekrikt en dat de dorpel kapot was. [persoon A] heeft niet aangeboden om de schade te herstellen. [persoon B] heeft voorgesteld dat [persoon A] de schade zou herstellen of dat [persoon B] de schade zelf zou laten herstellen en dat de rekeningen vervolgens tegen elkaar zouden worden weggestreept waarna [persoon A] het restant zou betalen. [persoon A] heeft [persoon B] toen alleen uitgescholden en bedreigd. Hij wilde dat [persoon B] de rekening zou betalen. [persoon B] heeft de schade toen twee weken later zelf laten maken. Daarna hebben partijen enige tijd geen contact met elkaar gehad, tot [persoon B] per e-mail van 4 februari 2020 de factuur van 29 juli 2019 ontving.

5.4

Gelet op deze nadere toelichting geldt dat [persoon B] naar het oordeel van de kantonrechter zijn stelling dat partijen hebben afgesproken dat hij niets hoefde te betalen, onvoldoende heeft onderbouwd. Dat die afspraak is gemaakt blijkt immers niet uit de (nadere) toelichting van [persoon B] .

5.5

[persoon B] heeft subsidiair een beroep op verrekening gedaan. Op grond van artikel 6:127 lid 2 BW heeft [persoon B] de bevoegdheid tot verrekening wanneer hij een prestatie te vorderen heeft van [persoon A] die beantwoordt aan zijn schuld jegens [persoon A] en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Beide verbintenissen gaan dan tot hun gemeenschappelijk beloop teniet (artikel 6:127 lid 1 BW).

5.6

Het beroep op verrekening slaagt wel. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.

5.7

In het tussenvonnis van 25 januari 2021 staat dat partijen zelf dienen deel te nemen aan de mondelinge behandeling of vertegenwoordigd moeten worden door een persoon die op de hoogte is van het geschil. [persoon A] is zonder bericht van afmelding niet ter zitting verschenen. Uit het niet verschijnen van [persoon A] zal de kantonrechter de gevolgtrekking maken die zij geraden acht.

5.8

Gelet op de tijdens de mondelinge behandeling door [persoon B] concreet geschetste gang van zaken komt de kantonrechter tot het oordeel dat [persoon A] zijn stelling dat hij niets met de schade te maken heeft onvoldoende gemotiveerd heeft gehandhaafd. Dat betekent dat in deze procedure is komen vast komen te staan dat [persoon A] schade aan de auto van [persoon B] heeft veroorzaakt en als zodanig tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verbintenis tot het uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden aan de auto van [persoon B] . Naar het oordeel van de kantonrechter mocht [persoon B] in de gegeven omstandigheden aannemen dat [persoon A] niet bereid was deze schade zelf te herstellen. [persoon A] is daarom in verzuim komen te verkeren (artikel 6:80 lid 1 sub c van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). [persoon A] is gehouden de door [persoon B] als gevolg van zijn tekortkoming geleden schade te vergoeden (artikel 6:74 BW). Deze schade wordt begroot op € 816,76 conform de door [persoon B] overgelegde taxatie/factuur van Autoschade Albrandswaard. [persoon A] heeft de juistheid van deze taxatiefactuur weliswaar betwist, maar hij heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd ter onderbouwing daarvan. De kantonrechter gaat daarom aan die (blote) betwisting voorbij.

5.9

Aangezien het beroep van [persoon B] op verrekening slaagt, wordt de vordering van [persoon A] tot betaling van de hoofdsom toegewezen tot een bedrag van € 108,44 (zijnde € 925,20 minus € 816,76).

5.10

Voorts vordert [persoon A] de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 12 augustus 2019. Tussen partijen is niet in geschil dat de betalingstermijn van de factuur van [persoon A] 14 dagen bedraagt. [persoon B] heeft echter aangevoerd dat hij de factuur pas op 4 februari 2020 heeft ontvangen. Het lag daarom op de weg van [persoon A] om feiten en/of omstandigheden aan te voeren waaruit kan worden geconcludeerd dat [persoon B] de factuur al op een eerder moment heeft ontvangen, maar dat heeft [persoon A] niet gedaan. De kantonrechter gaat er derhalve vanuit dat [persoon B] pas op 4 februari 2020 heeft kennisgenomen van de factuur en dat de betalingstermijn van 14 dagen pas op deze datum is ingegaan. Dat betekent dat [persoon B] met ingang van 19 februari 2020 in verzuim is komen te verkeren en dat de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt toegewezen vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening. Voor een beperking in de duur van de wettelijke rente, zoals nog door [persoon B] aangevoerd, ziet de kantonrechter geen aanleiding. Uit de eigen stellingen van [persoon B] volgt immers dat het hem vanaf 4 februari 2020 duidelijk had moeten zijn dat hij [persoon A] nog € 108,44 moest betalen. Dat hij dat heeft nagelaten komt voor zijn rekening en risico.

5.11

[persoon A] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [persoon A] heeft onbetwist gesteld dat er buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht en heeft daartoe ook verwezen naar door hem overgelegde aanmaningen, waarvan de ontvangst door [persoon B] niet is betwist. [persoon A] kan daarom aanspraak maken op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voor de hoogte van de toewijsbare buitengerechtelijke incassokosten dient aansluiting gezocht te worden bij het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. De kantonrechter zal het bedrag toewijzen tot het tarief dat correspondeert met het toegewezen deel van de hoofdsom. Derhalve is aan buitengerechtelijke incassokosten een bedrag van € 48,40 inclusief btw toewijsbaar.

5.12

Het gevorderde bedrag van € 423,50 ter zake juridische bijstand wordt afgewezen. Deze kosten hebben immers, zoals blijkt uit de daartoe door [persoon A] overgelegde productie, betrekking op de kosten voor het opstellen van de dagvaarding en deze kosten worden geacht te zijn begrepen in de proceskosten. Over de proceskosten wordt hierna beslist.

5.13

Aangezien beide partijen voor een deel in het ongelijk zijn gesteld ziet de kantonrechter aanleiding om de proceskosten in conventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

6. De beoordeling in voorwaardelijke reconventie

6.1

Nu het beroep van [persoon B] op verrekening is geslaagd, is de voorwaarde waaronder de vordering in voorwaardelijke reconventie is ingesteld niet vervuld. Er bestaat daarom geen aanleiding daarop een beslissing te nemen.

6.2

Nu de vordering in reconventie is voortgevloeid uit het verweer in conventie zullen de proceskosten ook in reconventie worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

7. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt [persoon B] aan [persoon A] te betalen een bedrag van € 156,84, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over € 108,44 vanaf 19 februari 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

in conventie en reconventie:

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416