Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6285

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
16-2114 FT EA
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schone lei. Aannemelijk dat schuldenares geen gedupeerde is van toeslagenaffaire.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 354
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

verlening schone lei

insolventienummer: [nummer]

uitspraakdatum: 11 juni 2021

Bij vonnis van deze rechtbank van 2 november 2016 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:

[naam 1] ,

[adres]

[woonplaats]

schuldenares,

bewindvoerder: K.F. Petridis.

1 De procedure

Bij beschikking van de rechter-commissaris van 22 oktober 2019 is de termijn van de schuldsaneringsregeling met zes maanden verlengd tot 2 mei 2020. Bij vonnis van deze rechtbank van 3 juli 2020 is de termijn van de schuldsaneringsregeling verder verlengd met een jaar tot 2 mei 2021.

De bewindvoerder heeft schriftelijk verslag uitgebracht op 26 januari 2021. Op 31 maart,

12 april, 20 mei en 27 mei 2021 heeft de bewindvoerder de rechtbank nader bericht.

De beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling is behandeld ter terechtzitting van 28 mei 2021. Daarbij zijn schuldenares en de waarnemend bewindvoerder, dhr. [naam 2] , telefonisch gehoord.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De standpunten

Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat alle verplichtingen door schuldenares zijn nagekomen, dat inmiddels een beschermingsbewindvoerder is aangesteld en dat hij de rechtbank adviseert om schuldenares een schone lei te verlenen.

Voor de zekerheid heeft de bewindvoerder schuldenares bij de Belastingdienst aangemeld als mogelijk gedupeerde van de toeslagenaffaire, maar de Belastingdienst heeft de bewindvoerder op 27 mei 2021 telefonisch bevestigd dat hiervan geen sprake is. De bewindvoerder hoopt dat hij hiervan nog een schriftelijke bevestiging van de Belastingdienst krijgt, maar hij gaat ervan uit dat dit wat langer zal duren. Desgevraagd heeft de bewindvoerder toegezegd dat hij de schriftelijke bevestiging van de Belastingdienst zodra hij deze heeft ontvangen aan de rechter-commissaris zal doen toekomen.

Schuldenares heeft bevestigd dat zij geen gedupeerde van de toeslagenaffaire is. Zij heeft nooit kinderopvangtoeslag aangevraagd, aldus schuldenares.

3. De beoordeling

De rechtbank oordeelt dat schuldenares niet (toerekenbaar) in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. Geen van de schuldeisers heeft redenen aangevoerd om tot een ander oordeel te komen.

Gelet op het voorgaande zal aan schuldenares de zogenoemde “schone lei” worden verleend. De rechtbank heeft in haar overwegingen betrokken dat op basis van het verhandelde ter zitting aannemelijk is dat schuldenares geen gedupeerde is in het kader van de kinderopvangtoeslag-affaire. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat de bewindvoerder de schriftelijke bevestiging van de Belastingdienst in dit kader nog aan de rechter-commissaris zal doen toekomen.

De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.

4 De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat schuldenares niet toerekenbaar in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;

  • -

    bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenares eindigen op 2 mei 2021;

  • -

    verleent de zogenoemde “schone lei” waardoor de na de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling bestaande vorderingen ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, voor zover deze onvoldaan zijn gebleven, niet langer afdwingbaar zijn;

- stelt het salaris van de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal
€ 4.272,98.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van

A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.