Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6193

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
8654517 CV EXPL 20-24799
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Nakoming overeenkomst, vordering in reconventie wanprestatie danwel onrechtmatig handelen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8654517 CV EXPL 20-24799

uitspraak: 18 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grip Verzuimservice B.V.,

gevestigd te Voorthuizen,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. R. Patandin,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Smit Advocaat & Belastingkundige B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: V.L.C. de Neijs.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Grip’ en ‘Smit’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 9 juli 2020 met bijlagen;

  2. de conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie, met bijlagen;

  3. de conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie, met bijlagen;

  4. de conclusie van dupliek in conventie tevens conclusie van repliek in reconventie, met bijlagen;

  5. de conclusie van dupliek in reconventie met bijlagen.

Smit heeft op 11 februari 2021 verzocht om een (deel van de) conclusie van dupliek in reconventie niet in behandeling te nemen op grond van artikel 123 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kantonrechter ziet gelet op de inhoud van de conclusie van dupliek in reconventie aanleiding om dit verzoek gedeeltelijk in te willigen, namelijk voor zover deze conclusie ziet op de conventie. Dit betekent dat punten 1 t/m 12 van de conclusie van dupliek in reconventie buiten beschouwing worden gelaten.

Het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

2. De vordering en het verweer in conventie

2.1

Grip vordert dat Smit bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 605,30, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldag van de facturen tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van Smit in de proceskosten, waaronder een bedrag aan salarisgemachtigde van € 925,- exclusief btw, te voldoen binnen 14 dagen na het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met nakosten en de wettelijke handelsrente over de proceskosten vanaf de 15e dag na het vonnis.

2.2

Grip legt aan haar vordering nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht ten grondslag. Smit is verplicht tot betaling van de door Grip verrichte werkzaamheden, bestaande uit verzuimbegeleiding van één van de werknemers van Smit. In totaal moet Smit hiervoor € 526,35 betalen. Smit is deze betalingsverplichting niet nagekomen. Daarom heeft Grip haar vordering ter incasso uit handen gegeven. De daaraan verbonden kosten van € 78,95 komen op grond van de wet voor rekening van Smit. Voorts maakt Grip aanspraak op de wettelijke handelsrente.

2.3

Smit voert verweer en verzoekt om Grip in haar vordering niet ontvankelijk te verklaren danwel de vordering ongegrond te verklaren, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van Grip in de proceskosten alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente voor zover de kosten niet zijn voldaan binnen 14 dagen na het vonnis. Hierop zal - voor zover van belang - hierna worden ingegaan.

3. De vordering en het verweer in reconventie

3.1

Smit vordert in reconventie dat Grip bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om binnen 20 werkdagen na betekening van het vonnis aan Smit te betalen € 13.667,25, met veroordeling van Grip in de proceskosten alsmede de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente voor zover de kosten niet binnen 14 dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan.

3.2

Smit leg het volgende aan haar vordering ten grondslag. Grip is tekortgeschoten in haar verplichting op grond van de overeenkomst van opdracht danwel handelt onrechtmatig door het niet (tijdig) verstrekken van een terugkoppeling van het spreekuur van de bedrijfsarts op 3 juli 2019 en van het spreekuur op 23 augustus 2019. Smit heeft hierdoor haar medewerker niet kunnen re-integreren, waardoor zij door toedoen van Grip schade heeft geleden. De schade komt neer op een bedrag van € 13.667,25.

3.3

Grip voert verweer gevoerd en concludeert tot afwijzing van de vordering van Smit, met veroordeling - uitvoerbaar bij voorraad - van Smit in de proceskosten, te voldoen binnen 14 dagen na het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met nakosten en de wettelijke handelsrente over de proceskosten vanaf de 15e dag na het vonnis. Daarop zal - voor zover van belang - hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie

Vordering in conventie

4.1

Grip vordert in conventie betaling van drie facturen. Deze facturen zien op een telefonisch overleg tussen Smit en de bedrijfsarts van Grip en drie spreekuren tussen een medewerker van Smit en de bedrijfsarts van Grip.

Telefonisch overleg

4.2

Grip stelt dat tussen de bedrijfsarts van Grip en Smit een telefonisch overleg heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2019. Dit wordt door Smit in eerste instantie betwist. Grip heeft nader toegelicht dat het gesprek heeft plaatsgevonden met [naam] , een HRM-medewerkster van Smit die de verzuimbegeleiding bij Smit verzorgt. Dit wordt door Smit vervolgens niet betwist. Naar de kantonrechter begrijpt stelt Smit dat zij voor het overleg niet hoeft te betalen, omdat op de factuur staat vermeld dat het overleg heeft plaatsgevonden met de werkgever en de HRM-medewerkster niet de werkgever is. Daarnaast vindt Smit het verwarrend dat op de factuur staat spreekuur, terwijl het overleg 30 minuten heeft geduurd en dus niet een uur. De kantonrechter kan Smit in haar stellingen niet volgen. Los daarvan doet dit niet af aan haar betalingsverplichting richting Grip. Vaststaat dat er een dienst is geleverd waar een betalingsverplichting tegenover staat.

Spreekuren met de bedrijfsarts

4.3

Door Smit wordt niet betwist dat de spreekuren op 3 juli 2019, 2 augustus 2019 en 23 augustus 2019 met de bedrijfsarts van Grip hebben plaatsgevonden. Smit stelt dat Grip niet aan haar verplichting heeft voldaan om haar te voorzien van (tijdige) terugkoppelingen daarvan. Smit stelt dat zij daarom gerechtigd was haar betalingsverplichting op te schorten. De kantonrechter kan Smit ook hierin niet volgen. Smit heeft volgens haar eigen stelling de terugkoppelingen ontvangen op 24 september 2019, zodat in ieder geval vanaf dat moment geen recht of mogelijkheid meer bestaat om haar betalingsverplichtingen op te schorten.

4.4

Nu er geen ander verweer is gevoerd en de hoogte van het bedrag niet wordt betwist, wordt de gevorderde hoofdsom van € 526,35 toegewezen.

4.5

Grip maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Voldoende is gebleken dat is voldaan aan de wettelijke vereisten, zodat ook het gevorderde bedrag van € 78,95 aan buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.

4.6

Aangezien Smit het openstaande bedrag aan Grip niet tijdig heeft voldaan is zij wettelijke handelsrente verschuldigd (artikel 6:119a BW). De wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW heeft uitsluitend betrekking op verplichtingen tot betaling uit handelsovereenkomsten. Een verplichting tot vergoeding van schade kan daartoe niet worden gerekend. De wettelijke handelsrente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt daarom afgewezen. In plaats daarvan wordt de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de buitengerechtelijke incassokosten toegewezen vanaf de dag van dagvaarding.

Vordering in reconventie

4.7

In reconventie stelt Smit dat er sprake is van een tekortkoming danwel onrechtmatige daad van Grip waardoor zij schade heeft geleden. De kantonrechter stelt voorop dat op Smit de stelplicht en zonodig de bewijslast rust dat Grip is tekortgeschoten in haar verplichtingen danwel onrechtmatig handelt.

4.8

De vordering van Smit is zowel primair, subsidiair als meer subsidiair gegrond op de omstandigheid dat Grip geen tijdige terugkoppeling van de spreekuren op 3 juli 2019 en 23 augustus 2019 aan Smit heeft verstrekt.

4.9

Grip betwist dat zij geen tijdige terugkoppelingen aan Smit heeft verstrekt. Zij voert daartoe het volgende aan. Op 4 juli 2019 heeft Grip per email aan Smit de terugkoppeling van het spreekuur van 3 juli 2019 verzonden (productie 12). Op 2 augustus 2019 heeft zij per email de terugkoppeling van het spreekuur van 2 augustus 2019 verzonden (productie 13). Op 23 augustus 2019 heeft Grip per email de terugkoppeling van het spreekuur van 23 augustus 2019 verzonden (productie 14). In reactie op deze gemotiveerde betwisting heeft Smit slechts aangegeven dat zij de terugkoppelingen op de door Grip aangegeven data niet heeft ontvangen. De kantonrechter gaat aan deze stelling voorbij. Uit de overgelegde producties blijkt dat de mails op genoemde data verzonden zijn naar het e-mailadres [e-mailadres]. Smit heeft niet gesteld dat dit een onjuist e-mailadres is en uit een aantal andere overgelegde producties kan ook afgeleid worden dat het een juist e-mailadres is. Zonder nadere toelichting valt dan ook niet in te zien waarom Smit deze mails niet zou hebben ontvangen. Een nadere toelichting ontbreekt. Dit betekent dat, gelet op de gemotiveerde betwisting van Grip Smit haar stelling dat er geen tijdige terugkoppeling zou zijn verstrekt, onvoldoende heeft onderbouwd, zodat dit niet is komen vast te staan.

4.10

Voor zover Smit bedoelt dat Grip toerekenbaar tekortschiet danwel onrechtmatig handelt, omdat Smit de terugkoppelingen niet heeft ontvangen, geldt het volgende. Smit erkent dat zij op de hoogte was van de werkzaamheden van de bedrijfsarts en de spreekuren die in dat kader plaatsvonden. Voor zover zij geen terugkoppeling ontving, lag het op haar weg om hierover navraag te doen bij Grip. Niet is gesteld of gebleken dat Smit dit op enig moment heeft gedaan. Van een toerekenbare tekortkoming of overtreding van een zorgvuldigheidsnorm door Grip kan dan ook geen sprake zijn.

4.11

De vordering tot schadevergoeding wordt gelet op het voorgaande zowel primair, subsidiair als meer subsidiair afgewezen.

4.12

Zowel in conventie als reconventie zal Smit als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Grip vordert in conventie de volledige advocaatkosten. Uit jurisprudentie volgt dat de daadwerkelijke proceskosten alleen toewijsbaar zijn in geval van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen, waarvan pas sprake is als het voeren van verweer, gelet op de ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Volgens de Hoge Raad kan hiervan sprake zijn als de verweerder zijn verweer baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende, dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM (Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 en Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828). Niet is door Grip gesteld of gebleken dat Smit op voorhand moest begrijpen dat zijn verweer geen kans van slagen had. De vordering tot vergoeding van volledige advocaatkosten wordt daarom afgewezen. De proceskosten en nakosten worden volgens het gebruikelijke liquidatietarief begroot en vastgesteld zoals hierna vermeld. Grip vordert tevens wettelijke handelsrente over de proceskosten. De gevorderde wettelijke handelsrente over de proceskosten is niet toewijsbaar aangezien een proceskostenveroordeling niet voortvloeit uit een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW. De wettelijke handelsrente over de proceskosten wordt daarom afgewezen. In plaats daarvan wordt de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten toegewezen zoals hierna in de beslissing vermeld.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.13

Dit vonnis wordt ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat Smit aan de veroordeling moet voldoen, ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

veroordeelt Smit aan Grip te betalen een bedrag van € 605,30, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 526,35 vanaf de vervaldag van de facturen tot aan de dag van algehele voldoening en met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 78,95 vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Smit in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Grip vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 83,38 aan dagvaardingskosten en € 248,- (€ 124,- x 2 punten) aan salaris voor de gemachtigde;

in reconventie:

wijst de vordering af;

veroordeelt Smit in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Grip vastgesteld op € 248,- (€ 124,- x 2 punten) aan salaris voor de gemachtigde;

zowel in conventie als reconventie

en indien Smit niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, te vermeerderen met € 124,- aan salaris, en een bedrag van € 85,- aan betekeningskosten onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de proceskosten ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

wijst af het meer of anders gevorderde;

verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Fiege en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

47636