Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6075

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
20-07-2021
Zaaknummer
C/10/618892 / KG ZA 21-397
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Gedaagde heeft zonder recht of titel woonwagen geplaatst op een ontmantelde standplaats van een woonwagencentrum van woningcorporatie. Woningcorporatie vordert ontruiming. Belangenafweging leidt tot toewijzing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&E HW 2021/16, UDH:S&E HW/50820 met annotatie van Maaike Boomsma
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/618892 / KG ZA 21-397

Vonnis in kort geding van 25 juni 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING WATERWEG WONEN,

gevestigd te Vlaardingen,

eiseres,

advocaat mr. E. de Jong te Rotterdam,

tegen

[naam gedaagde] ,

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagde,

advocaat mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Waterweg Wonen en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 juni 2021, met 11 producties;

  • -

    de 15 producties van [naam gedaagde] ;

  • -

    de mondelinge behandeling op 11 juni 2021;

  • -

    de pleitaantekeningen van [naam gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Waterweg Wonen is eigenaar van de woonwagenlocatie aan de [adres 1] . Het bestemmingsplan Holy-Noord 4e herziening (van september 2011) van de gemeente Vlaardingen (hierna: de gemeente) bepaalt hoeveel standplaatsen op de woonwagenlocatie door Waterweg Wonen mogen worden verhuurd. De gemeente hanteerde toen nog een uitsterfbeleid voor standplaatsen voor woonwagens, dat wil zeggen dat een standplaats die vrij kwam niet opnieuw voor verhuur werd aangeboden. In 2011 is het aantal standplaatsen van vijftien teruggebracht naar tien. Via twee wijzigingen van het bestemmingsplan in 2013 en 2017 is het te verhuren aantal verder teruggebracht naar zeven standplaatsen. Bij de laatste wijziging is de standplaats op voormalig standplaatsnummer [nummer 1] door de gemeente opgeheven, nadat de huurovereenkomst voor die standplaats door de toenmalige bewoner was opgezegd. Deze standplaats is ontmanteld en is niet meer aangesloten op het riool en de elektriciteit.

2.2.

Waterweg Wonen verhuurt de standplaats met nummer [nummer 2] aan de vader van [naam gedaagde] . [naam gedaagde] staat ook ingeschreven op dit adres.

2.3.

Op 12 juli 2018 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het “Beleidskader Gemeentelijk woonwagen- en standplaatsenbeleid” (hierna: het Beleidskader) uitgebracht. Het Beleidskader biedt bouwstenen die gemeenten kunnen gebruiken om een huisvestingsbeleid voor woonwagenbewoners te ontwikkelen dat voldoet aan het mensenrechtelijk kader op basis van (Europese) rechtspraak en de oordelen van het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het CRM). In het Beleidskader is onder meer bepaald dat de behoefte aan standplaatsen in kaart moet worden gebracht, dat de afbouw van standplaatsen niet is toegestaan (behoudens uitzonderlijke omstandigheden) zolang er behoefte is aan standplaatsen en dat een woningzoekende Roma-, Sinti- of woonwagenbewoner binnen redelijke termijn kans maakt op een standplaats.

2.4.

Van november 2020 tot februari 2021 heeft er correspondentie plaatsgevonden tussen [naam gedaagde] en de gemeente.

[naam gedaagde] heeft – kort gezegd – aandacht gevraagd voor het ontbreken van een woonwagenbeleid in de gemeente, het ontbreken van een wachtlijst uitsluitend voor het woonwagenkamp, het standplaatsentekort en het discriminerende uitsterfbeleid dat wordt gehanteerd.

In reactie daarop heeft de gemeente – kort gezegd – [naam gedaagde] gewezen op de geldende inschrijfprocedure via Woonnet Rijnmond (hierna: Woonnet) en medegedeeld dat ten tijde van het opheffen van de laatste drie standplaatsen nog het uitsterfbeleid gold, maar dat dat beleid is herzien naar aanleiding van de uitspraken van het College voor de Rechten van de Mens en het Beleidskader. Ook bericht de gemeente dat zij niet voornemens is om het woonwagencentrum uit te breiden.

2.5.

Begin mei 2021 heeft [naam gedaagde] op voormalig standplaatsnummer [nummer 1] een woonwagen geplaatst. Bij e-mail van 6 mei 2021 aan Waterweg Wonen en de gemeente deelt [naam gedaagde] mee dat hij de lege woonwagenstandplaats (nummer [nummer 1] ) vanaf die dag kraakt en dat hij – kort gezegd – het niet eens is met het beleid dat door de gemeente wordt gevoerd ten aanzien van standplaatsen op de woonwagenlocatie.

2.6.

Bij brief van 10 mei 2021 heeft de advocaat van Waterweg Wonen [naam gedaagde] gesommeerd de woonwagen op standplaatsnummer [nummer 1] te verwijderen.

Bij e-mail van 17 mei 2021 heeft de advocaat van [naam gedaagde] geantwoord dat [naam gedaagde] demonstreert voor meer standplaatsen in de gemeente en dat demonstreren een grondrecht is, dat door dat Waterweg Wonen dient te worden gerespecteerd.

3. Het geschil

3.1.

Waterweg Wonen vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. [naam gedaagde] te veroordelen om met onmiddellijke ingang, althans op een door de voorzieningenrechter te bepalen datum, de voormalige standplaats aan de [adres 2] (gelegen op kadasternummer [kadasternummer] en nader aangeduid op de plattegrond overgelegd als productie 3 bij de dagvaarding) te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Waterweg Wonen zijn;

  2. [naam gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan haar vordering legt Waterweg Wonen het volgende ten grondslag.

[naam gedaagde] maakt inbreuk op het eigendomsrecht van Waterweg Wonen, dat is onrechtmatig. Waterweg Wonen kan op grond van artikel 5:2 BW te allen tijde haar eigendom opeisen.

Het recht van Waterweg Wonen om vrij over haar eigendom te beschikken weegt zwaarder dan het belang van [naam gedaagde] om de voormalige standplaats in gebruik te houden.

Waterweg Wonen heeft een spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming. Zij wil op korte termijn een einde te maken aan het feit dat [naam gedaagde] in strijd handelt met het bestemmingsplan van de gemeente en zij wil voorkomen dat andere mensen het voorbeeld van [naam gedaagde] volgen en ook standplaatsen zonder recht of titel in gebruik nemen.

Indien [naam gedaagde] het niet eens is met het beleid van de gemeente, dient hij zich tot de gemeente te wenden.

Ook indien er een standplaats vrij komt, is het hoogst onwaarschijnlijk dat die plaats wordt toegewezen aan [naam gedaagde] , gezien zijn korte inschrijfduur en een incident in 2018.

3.3.

[naam gedaagde] concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van Waterweg Wonen in de kosten van de procedure.

Hij voert aan dat sprake is van misbruik van bevoegdheid, nu Waterweg Wonen geen enkel belang heeft bij haar vordering anders dan een standplaats te ontruimen zodat deze niet langer verhuurd kan worden. Uit (Europese) uitspraken en die van het CRM volgt dat het opheffen van woonwagenstandplaatsen niet is toegestaan behalve als daar zeer goede redenen voor zijn en dat er een behoefte-onderzoek moet plaatsvinden. Waterweg Wonen is medeverantwoordelijk voor het huisvestingsbeleid in Vlaardingen. Uit niets blijkt dat zij zich daartoe heeft ingespannen.

[naam gedaagde] woonde tot voor kort bij zijn ouders op hetzelfde woonwagencentrum. Vanwege corona en de kwetsbare gezondheid van zijn ouders heeft hij besloten de standplaats met nummer [nummer 1] in gebruik te nemen. Daarnaast wil hij met deze handelwijze actie voeren tegen het beleid om goede standplaatsen op te heffen terwijl daar wel behoefte aan is.

Bovendien staat [naam gedaagde] bovenaan als kandidaat om de eerste vrijkomende standplaats te kunnen huren, althans hij is het op één na oudste inwonende kind op de locatie.

4. De beoordeling

4.1.

Vaststaat dat [naam gedaagde] zonder recht of titel de standplaats met nummer [nummer 1] heeft ingenomen door daar een woonwagen op te plaatsen. Daarmee maakt hij inbreuk op het eigendomsrecht van Waterweg Wonen en is Waterweg Wonen in beginsel bevoegd de standplaats op te eisen op grond van artikel 5:2 BW. De voortduring van de inbreuk op haar eigendomsrecht maakt dat Waterweg Wonen voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

4.2.

Waterweg Wonen mist de bevoegdheid om haar eigendom op te eisen als zij van die bevoegdheid misbruik maakt. Dat is het geval indien, gegeven alle omstandigheden en de betrokken belangen, ontruiming in redelijkheid niet gevergd kan worden van [naam gedaagde] . Het debat van partijen gaat over de vraag of van dergelijk misbruik van bevoegdheid sprake is.

4.3.

Zoals [naam gedaagde] terecht stelt, volgt uit Europese rechtspraak dat artikel 8 EVRM (recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven en de woning) en artikel 14 EVRM (verbod van discriminatie) een positieve verplichting meebrengen voor de overheid om de cultuur van woonwagenbewoners te beschermen en het woonwagenleven te faciliteren. Dat betekent concreet dat het tot de taak van de overheid behoort om in huisvesting te voorzien die rekening houdt met de kwetsbare positie van woonwagenbewoners en hun traditionele levenswijze. Naar aanleiding daarvan is op 12 juli 2018 in Nederland op landelijk niveau het Beleidskader uitgebracht, met richtlijnen aan de gemeenten om een woonwagen- en standplaatsenbeleid op te stellen dat in lijn is met Europese rechtspraak.

4.4.

In deze procedure is het echter niet de gemeente die ontruiming vordert maar Waterweg Wonen. Volgens [naam gedaagde] maakt dat niet uit en verschuilt Waterweg Wonen zich ten onrechte achter de gemeente. Dat standpunt is onjuist. Aangenomen mag worden dat Waterweg Wonen als woningcorporatie een belangrijke rol speelt bij de uitvoering van het gemeentelijke huisvestingsbeleid. Het is evenwel niet Waterweg Wonen die dat beleid tot stand brengt. [naam gedaagde] meent dat het gemeentelijke huisvestingsbeleid ten aanzien van woonwagens niet voldoet aan het (op Europese rechtspraak gebaseerde) Beleidskader. Dat is echter een vraag waarvoor [naam gedaagde] zich tot de gemeente moet wenden. Daarvan is [naam gedaagde] zich overigens kennelijk ook bewust. Hij heeft de gemeente immers aangeschreven en ook via de media aandacht gevraagd voor deze kwestie.

4.5.

Voor Waterweg Wonen is het geldende huisvestingsbeleid in beginsel uitgangspunt. Zij zal zich als eigenaar van het woonwagencentrum moeten houden aan dat beleid. Dat betekent concreet dat van haar niet kan worden gevergd een met dat beleid strijdige situatie op het woonwagencentrum te laten voortbestaan, zodat zij bevoegd is daartegen op te treden. Denkbaar is dat dit anders zou zijn als een wijziging van het huisvestingsbeleid in het verschiet ligt, maar daarvan is niet gebleken. In dit verband speelt ook een rol dat Waterweg Wonen als woningcorporatie niet alleen met [naam gedaagde] te maken heeft. In haar afweging om tegen het onrechtmatige handelen van [naam gedaagde] op te treden heeft Waterweg Wonen in redelijkheid het voorkomen van ongewenste precedentwerking kunnen betrekken. Dat die precedentwerking niet louter theorie is, blijkt uit het vaststaande feit dat op hetzelfde centrum ook een ander kind van een bewoner een ontmantelde standplaats heeft ingenomen. Tegen die persoon heeft Waterweg Wonen overigens ook een vordering tot ontruiming ingesteld.

4.6.

[naam gedaagde] doet in dit verband vergeefs een beroep op zijn grondrecht om te kunnen demonstreren (artikel 9 Gw). Dat grondrecht weegt in de gegeven omstandigheden niet op tegen het eigendomsrecht van Waterweg Wonen. Daarbij speelt een rol dat [naam gedaagde] andere middelen heeft om aandacht te vragen voor het door hem gesignaleerde vraagstuk en Waterweg Wonen niet hoeft te dulden dat het verschil van mening tussen [naam gedaagde] en de gemeente ten koste gaat van haar eigendomsrecht. Het recht op demonstreren is dus geen rechtvaardiging om op onrechtmatige wijze een ontmantelde standplaats van Waterweg Wonen in te nemen.

4.7.

De afweging van de belangen van Waterweg Wonen en [naam gedaagde] zou mogelijk tot een ander resultaat leiden als voldoende aannemelijk zou zijn geworden dat, indien er een standplaats zou vrijkomen, al dan niet na aanpassing van het gemeentelijke beleid, die standplaats aan [naam gedaagde] zal worden toegewezen. Dat is echter niet aan de orde, in verband waarmee de voorzieningenrechter wijst op het volgende.

4.8.

Waterweg Wonen heeft in overleg met de gemeente een inschrijfbeleid opgesteld. Dat houdt in dat geïnteresseerden in een woonwagenstandplaats zich moeten inschrijven bij Woonnet. Als een standplaats vrijkomt, kunnen ingeschrevenen via Woonnet reageren. De vrijgekomen standplaats wordt dan toegekend aan de persoon die het langst staat ingeschreven bij Woonnet, waarbij geldt dat als het gaat om het betreffende woonwagencentrum, de inwonende kinderen van huidige woonwagenbewoners (die zich hebben ingeschreven) voorrang krijgen. Aan Waterweg Wonen komt in beginsel vrijheid toe bij het bepalen van het inschrijf- en toekenningsbeleid. Niet gebleken is dat het beleid, zoals hiervoor omschreven, leidt tot een onredelijke verdeling. Hieraan doet niet af dat er in andere gemeentes mogelijk andere criteria gelden.

[naam gedaagde] staat sinds 14 februari 2019 ingeschreven bij Woonnet. Hij heeft gesteld dat hij bovenaan de wachtlijst staat, maar Waterweg Wonen heeft dat betwist en [naam gedaagde] heeft zijn stelling niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt. Voor zover hij meent dat hij (vrijwel) bovenaan staat omdat hij het op één na oudste inwonende kind is op de locatie, geldt dat leeftijd niet een criterium is dat Waterweg Wonen hanteert bij toekenning van een standplaats. Volgens Waterweg Wonen staan er op dit moment vijf inwonende kinderen op de wachtlijst, van wie [naam gedaagde] niet de hoogste in rang is. Dus ook als de standplaats met nummer [nummer 1] weer in gebruik mag worden genomen van de gemeente, zal een ander inwonend kind voorrang hebben op [naam gedaagde] . Waterweg Wonen houdt terecht ook rekening met het belang van die anderen op de wachtlijst.

4.9.

Het handelen van [naam gedaagde] komt dus al met al neer op eigenrichting, zonder dat redelijkerwijs te verwachten valt dat de door hem geforceerde situatie alsnog voorzien wordt van een deugdelijk juridische grond. Waterweg Wonen behoeft dat niet te dulden.

4.10.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het belang van Waterweg Wonen bij ontruiming door [naam gedaagde] zwaarder weegt dan het belang van [naam gedaagde] bij behoud van de bestaande situatie. De voorzieningenrechter acht het hoogst aannemelijk dat in de bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Waterweg Wonen met haar vordering tot ontruiming geen misbruik maakt van haar bevoegdheid. De vordering tot ontruiming komt daarom voor toewijzing in aanmerking. Daaraan doet niet af dat Waterweg Wonen in haar geschil met de andere hiervoor genoemde bewoner heeft gekozen voor een bodemprocedure. De ontruimingstermijn wordt bepaald op zeven dagen na de betekening van dit vonnis.

4.11.

[naam gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Waterweg Wonen worden begroot op:

- betekening oproeping € 103,83

- griffierecht € 667,00

- salaris advocaat € 1.016,00

Totaal € 1.786,83

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

veroordeelt [naam gedaagde] om binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis de voormalige standplaats aan de [adres 2] (gelegen op kadasternummer [kadasternummer] en nader aangeduid op de plattegrond overgelegd als productie 3 bij de dagvaarding) te ontruimen en te verlaten met alle zich daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van Waterweg Wonen zijn;

5.2.

veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Waterweg Wonen tot op heden begroot op € 1.786,83;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken op [nummer 1] juni 2021.

2091 / 1980