Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:6048

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
10/750123-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van een poging tot medeplegen van (verlengde) invoer van ruim 100 kg cocaïne. Die cocaïne was verborgen in een container op een containerschip afkomstig uit Peru dat was aangemeerd in de Rotterdamse haven. Als schipper op een bunkerboot heeft de verdachte samen met de medeverdachte twee uithalers naar dit schip gevaren en hen door middel van een kraan aan boord gebracht. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/750123-20

Datum uitspraak: 10 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

niet op een adres ingeschreven in de basisregistratie personen,

ter zitting opgegeven adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

raadsvrouw mr. M.G.J. Plat, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 27 mei 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. M.J. Blotwijk heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder feit 1 primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;

  • -

    verbeurdverklaring van de in beslag genomen zegel en telefoon.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak medeplegen invoer cocaïne (primair)

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering

4.2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. In het dossier bevindt zich geen bewijs waaruit blijkt dat de twee mannen vanaf de [naam vaartuig 1] aan boord van de “ [naam vaartuig 2] zijn gebracht. De verdachte ontkent enige betrokkenheid te hebben bij de invoer van drugs.

4.2.2.

Beoordeling

De volgende feiten en omstandigheden kunnen op grond van de inhoud van de

bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben op de terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder nadere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

Het containerschip [naam vaartuig 2] is vanuit Peru naar Nederland gevaren met container [containernummer] aan boord. De lading van deze container bestond uit 17 colli ‘waste and scrap’ bestemd voor een Belgische onderneming genaamd [naam onderneming] .

Op 17 maart 2020 is dit containerschip afgemeerd in de Amazonehaven langszij de kade van de containerterminal ECT in Rotterdam. Op die datum is bovengenoemde container open en met een verbroken verzegeling aangetroffen. Hierin werden 99 pakketten aangetroffen waarin bijna 100 kilogram cocaïne zat.

Er lagen voorafgaand aan deze vondst twee andere schepen langszij, de “ [naam vaartuig 3] ” en de “ [naam vaartuig 1] ”. De “ [naam vaartuig 3] ” is een bunkerschip die de [naam vaartuig 2] van brandstof voorzag en daarnaast lag de “ [naam vaartuig 1] ”. De verdachte en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) zaten op het laatstgenoemde schip. Dit schip is van het bedrijf [naam bedrijf] , waarvoor de verdachte werkt als zzp’er. Hij had dit schip de avond van 17 maart 2020 privé meegenomen en was toen de schipper. Daarnaast was de medeverdachte aanwezig als matroos. Op de [naam vaartuig 1] was een kraan aanwezig met daaraan een bakje/mandje waarmee goederen of personen konden worden verplaatst.

Beoordeeld moet worden of de verdachten strafrechtelijke betrokkenheid hebben bij de aangetroffen drugs.

Uit de Whatsappcommunicatie in combinatie met de verklaring van de verdachte bleek dat de verdachten die avond om 20:00 uur bij het Transferium hadden afgesproken. Volgens de medeverdachte was deze afspraak alleen met [naam persoon] , maar nu er in de Whatsapp wordt gesproken over ‘die gasten’, gaat de rechtbank ervan uit dat de verdachten in elk geval met twee mensen bij het Transferium hebben afgesproken. Gelet op de verklaringen van de verdachten en de vaarbewegingen staat daarnaast vast dat zij daadwerkelijk die avond rond 20:00 uur 10 minuten hebben aangelegd bij het Transferium.

Getuige [naam getuige 1] , tweede officier aan boord van de [naam vaartuig 2] , heeft verklaard dat er rond 21:30 uur twee onbekende mannen in blauwe kleding aan boord waren en dat zij bezig waren bij een container. Hij heeft gezien dat de container openstond en dat de verzegeling verbroken was. Deze mannen werden niet herkend door de bemanning van de “ [naam vaartuig 2] ” noch door de bemanning van “De [naam vaartuig 3] ”. De twee onbekende mannen wezen nadat zij werden aangesproken naar het schip achter “De [naam vaartuig 3] ”, te weten de [naam vaartuig 1] . De mannen vertelden daarnaast dat zij op zoek waren naar een gasfles. Zij overhandigden hierbij een document van [naam bedrijf] dat de getuige binnen aan de Chief Mate (de rechtbank begrijpt: de kapitein) wilde laten zien. Voordat hij wegliep zag de getuige een derde man, die vanaf de [naam vaartuig 1] gebiedend sprak tegen de twee mannen en naar hen gebaarde dat ze in het mandje van de kraan moesten stappen. Bij terugkomst van de getuige aan dek waren de twee onbekende mannen verdwenen.

De verklaring van getuige [naam getuige 2] , werkzaam op “De [naam vaartuig 3] ”, ondersteunt de verklaring van getuige [naam getuige 1] . [naam getuige 2] heeft eveneens verklaard twee mannen in blauwe kleding te hebben gezien die om gasflessen vroegen. Deze twee onbekend gebleven mannen kwamen aanlopen met de engineer van het zeeschip (de rechtbank begrijpt: getuige [naam getuige 1] ) en waren ineens verdwenen.

Op basis van bovengenoemde verklaringen kan vastgesteld worden dat er rond 21:30 uur twee onbekende mannen op de “ [naam vaartuig 2] ” aanwezig waren.

Het document dat [naam getuige 1] ontving van de twee onbekende mannen is overgedragen aan de douane. De verdachte heeft verklaard dat hij dit document heeft ingevuld en dat dit document op 17 maart 2020 eerst aanwezig was op de [naam vaartuig 1] . Vaststaat dat dit document uiteindelijk in handen van [naam getuige 1] terecht is gekomen en dat hij dit van de twee onbekende mannen aan boord van de “ [naam vaartuig 2] ” heeft gekregen. De verdachten hebben beiden ontkend dit document aan boord van de “ [naam vaartuig 2] ” te hebben gebracht.

De rechtbank gaat er op basis van het voorgaande van uit dat het niet anders kan dan dat het document is meegenomen door de twee onbekende mannen vanaf de [naam vaartuig 1] en zij door middel van de kraan van de [naam vaartuig 1] op het containerschip “ [naam vaartuig 2] ” zijn gebracht. Het document is ingevuld en meegenomen om hun aanwezigheid op het schip te verklaren. Dit wordt ook ondersteund door de Whatsappcommunicatie van de verdachte waarin hij aan getuige [naam getuige 3] vraagt of hij nog iets kan ‘fabriceren’, waarmee volgens de verdachte werd gedoeld op het overhandigde document. Hierbij is ook van belang dat het document al van tevoren door de verdachte is ingevuld en diverse onjuistheden bevatte, bijvoorbeeld dat er om 21:00 uur 3 gasflessen zouden zijn opgehaald, terwijl vaststaat dat er in het geheel geen gasflessen waren.

Het is een feit van algemene bekendheid dat via containers cocaïne de Rotterdamse haven en daarmee Nederland ingevoerd wordt. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat er sprake was van het bieden van hulp aan ‘uithalers’ van cocaïne door hen op het schip “ [naam vaartuig 2] ” te brengen. Er is geen bewijs dat de verdachte op de hoogte was van de exacte hoeveelheid cocaïne, zodat hij wordt vrijgesproken van de ten laste gelegde hoeveelheid van ruim 98 kilogram.

Uit artikel 1 lid 4 van de Opiumwet blijkt dat onder het invoeren van verdovende middelen niet alleen binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen zelf wordt begrepen, maar ook het verrichten van handelingen gericht op het verdere vervoer, de opslag en de aflevering van verdovende middelen (de zogenaamde ‘verlengde invoer’).

Poging

De deur van de container met cocaïne was al open en het zegel was verbroken, maar de cocaïne was nog niet uit de container van het schip gehaald. Door het optreden van de bemanning van de “ [naam vaartuig 2] ”, de douane en de zeehavenpolitie is het bij een poging tot verlengde invoer gebleven.

Medeplegen

Gelet op de Whatsapp-communicatie en het complexe logistieke proces rondom de invoer van containers, heeft de verdachte voor de poging tot (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne nauw en bewust samengewerkt met anderen waaronder de medeverdachte.

4.2.3.

Conclusie

De door de verdediging aangevoerde argumenten die zouden moeten leiden tot vrijspraak, zijn weerlegd door de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven is overwogen. De rechtbank komt aldus tot een bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde poging tot invoer van cocaïne.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op of omstreeks 17 maart 2020 te Rotterdam ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met anderen

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

-contact heeft onderhouden en afspraken heeft gemaakt en ontmoetingen heeft gehad met zijn mededaders met betrekking tot het uithalen van die cocaïne en

-twee (mededaders heeft vervoerd op het schip genaamd de [naam vaartuig 1] en

-deze twee (mededaders op het schip de [naam vaartuig 2] heeft gebracht

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

poging tot medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straffen zijn gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een poging tot de (verlengde) invoer van een hoeveelheid cocaïne. Die cocaïne was verborgen in een container op een containerschip afkomstig uit Peru welke was aangemeerd in de Rotterdamse haven. Als schipper op een bunkerboot heeft de verdachte samen met de medeverdachte twee uithalers naar dit schip gevaren en hen door middel van een kraan aan boord gebracht. Door oplettendheid van de tweede officier aan boord van het containerschip is het bij een poging gebleven. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van de internationale drugshandel. De ingevoerde hoeveelheid cocaïne is dusdanig groot dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en grootschalige handel. De verspreiding van en handel in harddrugs vormen een bedreiging voor de volksgezondheid en gaan gepaard met vele andere vormen van (zware) criminaliteit en overlast in zowel binnen- als buitenland. Ook rekent de rechtbank het de verdachte zwaar aan dat hij met zijn handelen het aanzien van de Rotterdamse haven en het bunkerwezen ernstig heeft geschaad.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

21 april 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, heeft twee rapporten over de verdachte opgemaakt, gedateerd 27 maart 2020 en 10 december 2020. De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapportages.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de ernst van het feit en datgene wat hierboven is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf passend is. Dit heeft enerzijds als doel vergelding voor de ontwrichting in de samenleving waar de verdachte indirect aan heeft bijgedragen. Anderzijds heeft het als doel hem en anderen ervan te weerhouden zich met georganiseerde drugscriminaliteit in te laten. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. De rechtbank is in onderhavige zaak uitgegaan van een onbekende hoeveelheid cocaïne en de – in elk geval – uitvoerende rol die de verdachte in het geheel heeft gehad.

De rechtbank zal een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er toe de verdachte – mede gelet op mogelijk toekomstig werk in de haven – ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar tezamen met de hierna te bespreken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8. In beslag genomen voorwerpen

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de in beslag genomen goederen verbeurd te verklaren.

8.2.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om teruggave van de telefoon aan de verdachte.

8.3.

Beoordeling

Op de beslaglijst staan drie goederen vermeld: 1.00 STK Zegel, 1.00 STK GSM zaktelefoon Kleur: zwart SAMSUNG A71 [serienummer] en 1.00 STK GSM zaktelefoon Kleur: zwart SAMSUNG A71 [serienummer] . Ter zitting heeft de verdachte aangegeven dat bij hem slechts één telefoon in beslag is genomen. De telefoons op de genoemde lijst hebben een identiek nummer. Gelet op bovenstaande gaat de rechtbank uit van één telefoon.

De in beslag genomen zegel en Samsung telefoon zullen worden verbeurdverklaard. Deze voorwerpen behoren toe aan de verdachte en het bewezen feit is met behulp van deze voorwerpen begaan dan wel voorbereid.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 45, 47 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf:

1. STK Zegel ONBEKEND [kenmerknummer 1] ;

2 1.00 STK GSM zaktelefoon KI: zwart SAMSUNG A71 [serienummer]

[kenmerknummer 2] , in BP [beslagnummer 1] ;

3 1.00 STK GSM zaktelefoon KI: zwart SAMSUNG A71 [serienummer]

[beslagnummer 2] ;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.A. Hut, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en J.H.J. Verbaan, rechters,

in tegenwoordigheid van C.A. van den Houwen, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 juni 2021.

De oudste rechter en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 17 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 98 kilogram cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid

van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, ter uitvoering van het voornemen om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland te brengen, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 98 kilogram cocaïne, althans een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

-contact heeft onderhouden en/of informatie heeft uitgewisseld en/of afspraken heeft gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen heeft gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

-twee (mede)dader(s) heeft vervoerd op het schip genaamd de [naam vaartuig 1] en/of

-deze twee (mede)dader(s) (onbevoegd) op het schip de [naam vaartuig 2] heeft

gebracht en/of

- een container met nummer [containernummer] (inhoudende 17 'colli waste and scrap', bevattende 99 pakketten met ongeveer 98 kilogram cocaïne en/of verpakkingsmateriaal) heeft geopend en/of

- met als doel deze pakketten (inhoudende cocaïne) vervolgens over te laden in (een) tas(sen) en/of ba(a)l(en);

terwijl de uitvoering van het voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 17 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 98 kilogram cocaïne, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

-contact onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt en/of een of meer bespreking(en)en/of ontmoetingen gehad met zijn/hun mededader(s) met betrekking tot het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren van die cocaïne en/of

-twee (mede)dader(s) vervoerd op het schip genaamd de [naam vaartuig 1] en/of

-deze twee (mede)dader(s) (onbevoegd) op het schip de [naam vaartuig 2] gebracht en/of

- een container met nummer [containernummer] (inhoudende 17 'colli waste and scrap', bevattende 99 pakketten met ongeveer 98 kilogram cocaïne en/of verpakkingsmateriaal) geopend en/of

- met als doel deze pakketten (inhoudende cocaïne) vervolgens over te laden in (een) tas(sen) en/of ba(a)l(en);