Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5994

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
9199595
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Kort geding. Concurrentiebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0842
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9199595 VV EXPL 21-205

uitspraak: 17 juni 2021

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. J. van der Zanden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AmSpec B.V.,

gevestigd te Rozenburg,

gedaagde,

gemachtigde: mr. K. Wiersma.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘AmSpec’.

1. De procedure

1.1

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    de dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de door [eiser] toegezonden nadere producties;

  • -

    de door partijen toegezonden pleitaantekeningen.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 1 juni 2021.

2. De feiten

Er wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[eiser] is op 22 maart 2021 bij AmSpec in dienst getreden in de functie van Accountmanager Bio Fuels.

2.2

De arbeidsovereenkomst tussen AmSpec en [eiser] bevat de volgende bedingen:

“10 GEHEIMHOUDINGSPLICHT

Het is de Werknemer verboden om, zowel gedurende het bestaan van de Overeenkomst alsook nadat de Overeenkomst om welke reden dan ook zal zijn geëindigd, op enige wijze mededeling te doen van zaken, activiteiten en belangen betreffende de onderneming van de Werkgever of aan de Werkgever gelieerde ondernemingen waarvan de Werknemer in het kader van zijn werkzaamheden bij de Werkgever heeft kennisgenomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of behoort te kennen. Het verbod om voornoemde mededelingen te doen geldt ten aanzien van iedereen (daarbij inbegrepen andere personeelsleden van de Werkgever, tenzij zij in verband met hun werkzaamheden in dienst van de Werkgever van een en ander op de hoogte dienen te worden gesteld), behalve ten aanzien van de Werkgever.

13 NON-CONCURRENTIEBEDING

Het is de Werknemer verboden om, zo wel gedurende het bestaan van de Overeenkomst alsook gedurende een periode van één jaar nadat de Overeenkomst om welke reden dan ook zal zijn geëindigd, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Werkgever, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, op enigerlei wijze werkzaam of betrokken te zijn in of bij of enig aandeel te hebben in enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van de Werkgever of met dat van een aan de Werkgever gelieerde onderneming, of daarbij zijn bemiddeling, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, op enigerlei wijze te verlenen. Dit geldt ook voor het verkrijgen of houden van aandelen of certificaten van aandelen (exclusief aandelen die officieel aan een beurs zijn genoteerd), in eigen naam of op naam van anderen, in enige onderneming met activiteiten op een terrein, gelijk aan of anderszins concurrerend met dat van de Werkgever of met dat van een aan de Werkgever gelieerde onderneming. Deze verplichting geldt uitsluitend voor enige werkzaamheid of betrokkenheid van de Werknemer als hiervoor bedoeld binnen het gebied van de Europese Unie (inclusief het Verenigd Koninkrijk).

14 RELATIEBEDING

14.1

Het is de Werknemer verboden om, zowel gedurende het bestaan van de Overeenkomst alsook gedurende een periode van één jaar nadat de Overeenkomst om welke reden dan ook zal zijn geëindigd, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Werkgever, direct of indirect, voor zichzelf of voor anderen, op enigerlei wijze professionele diensten te verrichten of doen verrichten voor cliënten of relaties van de Werkgever of aan de Werkgever gelieerde ondernemingen of afnemers van producten of diensten van de Werkgever of aan de Werkgever gelieerde ondernemingen. Het is de Werknemer tevens verboden om op enigerlei wijze in contact te treden met cliënten of relaties van de Werkgever of aan de Werkgever gelieerde ondernemingen of afnemers van producten of diensten van de Werkgever of aan de Werkgever gelieerde ondernemingen.

14.2

Met cliënten of relaties van de Werkgever zoals bedoeld in artikel 14.1 van deze

Overeenkomst worden in ieder geval bedoeld de cliënten of relaties van de Werkgever of aan de Werkgever gelieerde ondernemingen, waarmee de Werkgever gedurende dan wel voorafgaand aan de beëindiging van de Overeenkomst op enigerlei wijze (zakelijk) contact heeft gehad.

18 BOETEBEDING

Indien de Werknemer handelt in strijd met zijn verplichtingen uit de artikelen 10 (Geheimhoudingsplicht) tot en met 17 (Geschenken) van deze Overeenkomst, zal hij aan de Werkgever, zonder dat enige ingebrekestelling is vereist, voor iedere overtreding een boete verbeuren ten bedrage van EUR 10.000, alsmede een boete ten bedrage van EUR 1.000 voor elke dag dat de overtreding heeft plaatsgevonden en voortduurt. In plaats van voornoemde boete is de Werkgever ook gerechtigd om volledige schadevergoeding te vorderen.”

2.3

[eiser] heeft zijn arbeidsovereenkomst met AmSpec tegen 1 juni 2021 opgezegd en wil(de) per 1 juni 2021 in dienst treden bij [naam bedrijf] (hierna: “[naam bedrijf]”) in de functie van “Regional Product Manager ARA”.

2.4

In de e-mail van 22 maart 2021 om 06:59 uur van [eiser] aan AmSpec staat vermeld:

“Geachte [naam],

In aansluiting op het gesprek van 15-03-2021 bevestig ik de inhoud van dat gesprek, zoals aangegeven.

In het gesprek heb ik kenbaar gemaakt dat ik van plan ben om de Organisatie van AmSpec te gaan verlaten, omdat ik een aanbod heb gekregen van [naam bedrijf] om per 1 juni a.s. in dienst te treden.

Aangezien ik een aanbod heb ontvangen waarbij ik mij betere toekomstperspectieven tegemoet ziet komen (toekomstige promoties) en een andere functie zal gaan vervullen, leidt dat ertoe dat ik van plan ben om het aanbod te accepteren.

Hoewel naar mijn mening een eventuele indiensttreding bij [naam bedrijf] niet zou leiden tot overtreding van een concurrentie- of relatiebeding, wil ik hierover geen onduidelijkheid hebben en verzoek ik daarom formeel om toestemming, zoals in de arbeidsovereenkomst is opgenomen.

Ik ontvang dan ook graag binnen vijf dagen schriftelijk de bevestiging dat ik in dienst kan treden bij [naam bedrijf]”

2.5

In de e-mail van 22 maart 2021 om 16:40 uur van [eiser] aan AmSpec staat vermeld:

“Zoals eerder besproken en terugkomend op onderstaande email dien ik hierbij mijn ontslag in.

Mijn laatste werkdag zal 01-06-2021 zijn.
(…)”

2.6

AmSpec heeft te kennen gegeven [eiser] aan het concurrentie,- en relatiebeding te houden.

3. Het geschil

3.1

[eiser] vordert – verkort weergegeven – in kort geding uitvoerbaar bij voorraad:

I primair het non-concurrentiebeding (gedeeltelijk) te schorsen, in die zin dat het hem is toegestaan per 1 juni 2021 bij [naam bedrijf] in dienst te treden als Regional Product Manager ARA;

II subsidiair AmSpec te veroordelen tot betaling aan hem van een vergoeding van

€ 250,- per dag dat hij aan het non-concurrentiebeding wordt gehouden als voorschot op een vergoeding ex artikel grond van artikel 7:653 lid 5 BW.

3.2

AmSpec heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd betwist en heeft geconcludeerd tot afwijzing daarvan, kosten rechtens.

3.3

Voor zover voor de beoordeling van belang, wordt hierna ingegaan op de stellingen waarmee [eiser] en AmSpec de vordering en het verweer daartegen (verder) onderbouwen.

4. De beoordeling

4.1

[eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering. Zijn vordering kan daarom in dit kort geding in behandeling worden genomen.

4.2

Dit is een kort geding. Dit betekent dat, mede op basis van wat [eiser] en AmSpec naar voren hebben gebracht, beoordeeld moet worden of de vordering van [eiser] in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat het gerechtvaardigd is op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door de door [eiser] gevorderde voorziening te treffen. De kantonrechter geeft niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen. Daarbij geldt dat gelet op de aard van het kort geding, voor uitgebreide bewijslevering in het algemeen geen plaats is.

4.3

Centraal staat de vraag of [eiser] gebonden is c.q. moet blijven aan het tussen partijen overeengekomen en onder 2.2 geciteerde concurrentiebeding.

4.4

Allereerst heeft [eiser] aangevoerd dat thans geen sprake is van een geldig

concurrentiebeding omdat het concurrentiebeding niet op de juiste wijze schriftelijk is overeengekomen. Daartoe voert [eiser] aan dat in de arbeidsovereenkomst geen duidelijk aanvangsmoment is overeengekomen. Een en ander laat zich evenwel simpel verklaren, door het feit dat [eiser] bij zijn vorige werkgever gebonden was aan een concurrentiebeding en partijen pas definitief met elkaar in zee wilde zodra over (de geldigheid van) dat beding duidelijkheid bestond. De relatie met (de ratio achter) het schriftelijkheidsvereiste van het onderhavige concurrentiebeding, ontgaat de kantonrechter. Dit standpunt wordt gepasseerd.

4.5

Verder heeft [eiser] aangevoerd dat aan het beding geen rechten meer ontleend kunnen

worden omdat de arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege ernstig verwijtbaar handelen door AmSpec ex artikel 7:653 lid 4 BW. [eiser] stelt dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door AmSpec, omdat de werksituatie onveilig zou zijn. Van [eiser] werd verlangd dat hij 24 uur per dag, zeven dagen er week bereikbaar was, hij werkte 12 tot 13 uur per dag, zijn overwerk werd niet beloond en AmSpec hield zich niet aan coronaregels, aldus steeds [eiser]. Deze stellingen zijn door AmSpec gemotiveerd betwist en er is bewijslevering noodzakelijk om vast te stellen of de stellingen van [eiser] juist zijn. Ook als die stellingen juist zijn, betekent dat niet dat de arbeidsovereenkomst ook in verband met dat handelen van AmSpec geëindigd is. [eiser] stelt dat in deze procedure voor het eerst; zijn opzegging rept met geen woord over de omstandigheden die zouden hebben bijgedragen aan het ernstig verwijtbaar handelen van AmSpec. Naar het oordeel van de kantonrechter is het dan ook niet waarschijnlijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van AmSpec is geëindigd, zodat het beroep op artikel 7:653 lid 4 BW wordt gepasseerd.

4.6

Verder heeft [eiser] aangevoerd dat de directeur van AmSpec, de heer Ivchenko, aan hem heeft toegezegd dat hij niet aan het concurrentiebeding zal worden gehouden. AmSpec betwist dit uitdrukkelijk. [eiser] verwijst in de onder 4.4 weergegeven e-mail die hij heeft verzonden om zijn arbeidsovereenkomst op te zeggen ook niet naar een dergelijke toezegging. Wel vraagt hij expliciet om toestemming, hetgeen er juist op duidt dat die toestemming nog niet is gegeven. Een verleende toestemming is in de onder 4.5 weergegeven e-mail niet te lezen. De kantonrechter acht het dan ook niet aannemelijk dat in een bodemprocedure geoordeeld gaat worden dat is toegezegd dat [eiser] niet aan het beding zou worden gehouden.

4.7

Partijen zijn dus een geldig concurrentiebeding overeengekomen en [eiser] is aan dat beding in beginsel gebonden. De kantonrechter kan in een bodemprocedure een concurrentiebeding (gedeeltelijk) vernietigen als [eiser], in verhouding tot het te beschermen belang van AmSpec, door dat beding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653, lid 3 BW).Daarom dient op basis van alle relevante omstandigheden van het geval een afweging te worden gemaakt tussen de belangen van [eiser] bij schorsing van het beding en de belangen van AmSpec bij onverkorte handhaving daarvan.

4.8

Tussen partijen is eigenlijk niet in geschil dat [naam bedrijf] is aan te merken als een directe concurrent van AmSpec en dus valt onder de reikwijdte van het tussen partijen overeengekomen non-concurrentiebeding. [eiser] heeft hierover wel een en ander gesteld, maar die stellingen zijn niet deugdelijk onderbouwd. [eiser] stelt immers zelf dat partijen dezelfde klanten bedienen. Ter zitting heeft hij voorts verklaard dat hij juist vanwege zijn ervaring in deze branche naar [naam bedrijf] wil overstappen.

4.9

Gelet op hetgeen partijen daarover hebben aangevoerd, is voldoende aannemelijk dat [eiser] tijdens zijn dienstverband met AmSpec specifieke knowhow/kennis heeft opgedaan van de werkwijze van AmSpec en bovendien intensief heeft gewerkt met diens relaties. Dat dit vooral digitaal is gegaan en dat gewerkt werd met een “poel” aan cliënten, zoals door [eiser] gesteld, maakt dit niet anders. [eiser] kan aldus zijn specifieke knowhow/kennis bij AmSpec aanwenden om te concurreren. Het is gezien het voorgaande aannemelijk dat het gevaar bestaat dat door indiensttreding van [eiser] de concurrentiepositie van AmSpec wordt geschaad.

4.10

Uit de stellingen van partijen volgt naar het oordeel van de kantonrechter verder dat [eiser] bij [naam bedrijf] in de door hem te bekleden functie nog steeds te maken zal (kunnen) hebben met klanten van AmSpec. [eiser] heeft gesteld dat hij meer een leidinggevende functie gaat bekleden, maar juist de verantwoordelijkheden van een leidinggevende functie kunnen met zich brengen dat [eiser] niet in staat zal zijn zich te houden aan het relatiebeding. Bovendien kan juist in een dergelijke functie kennis worden overgedragen aan anderen. Dat [eiser] slechts een jaar bij AmSpec in dienst is geweest maakt het voorgaande niet anders.

4.11

Het belang van AmSpec bij handhaving van het concurrentiebeding, is evident. Een concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet van de werkgever te beschermen. Daarover heeft AmSpec onweersproken nog aangevoerd dat in de onderhavige specifieke branche en regio slechts een paar spelers werkzaam zijn.

4.12

De (tussen)conclusie is dat AmSpec een gerechtvaardigd belang heeft bij instandhouding van het beding.

4.13

Tegenover het belang van AmSpec staat het belang van [eiser] om niet te worden beperkt in zijn recht op een vrije arbeidskeuze. In dat kader overweegt de kantonrechter het volgende.

4.14

Allereerst acht de kantonrechter van belang dat [eiser] de bedingen voldoende bewust is aangegaan, mede gelet op zijn opleidings- en werkniveau. Ook is van belang dat [eiser] bij zijn vorige werkgever gebonden aan een concurrentiebeding. Hij is met die werkgever in onderhandeling getreden om de stap naar AmSpec te kunnen maken. [eiser] kent het klappen van de zweep. Juist in die fase heeft [eiser] ingestemd met het onderhavige concurrentiebeding. Daaruit volgt dat sprake is geweest van een welbewuste afweging aan de kant van [eiser]. Ook is relevant dat [eiser] zelf het initiatief heeft genomen om zijn arbeidsovereenkomst met AmSpec te beëindigen met het specifieke doel om aansluitend in dienst te treden bij [naam bedrijf]..

4.15

[eiser] heeft verder gesteld dat de werkomstandigheden bij AmSpec zo slecht waren dat hij niet anders kon dan overstappen. Los van het feit dat AmSpec die stelling betwist, wordt uit de stellingen van [eiser] niet duidelijk waarom die overstap binnen de huidige branche gemaakt moest worden. Dat [eiser] alleen binnen deze concurrerende branche kan werken, is niet gemotiveerd gesteld. Ter zitting heeft [eiser] te kennen gegeven dat hij alleen op de nu aan de orde zijnde functie bij [naam bedrijf] heeft gesolliciteerd; op andere vacatures heeft hij niet gereageerd. Niet is daarom gebleken dat hij totaal geen mogelijkheden heeft om tijdelijk ander werk te verrichten. [eiser] heeft ook gesteld dat het bij hem bij deze overstap vooral gaat om herstel van werk- en privébalans, maar daar staat tegenover dat AmSpec onweersproken heeft aangevoerd dat in dat kader binnen AmSpec voor [eiser] andere functies bespreekbaar en mogelijk waren. Betrokken wordt ook dat het beding gelet op alle omstandigheden van het geval, een relatief korte periode van een jaar betreft.

4.16

Gelet op al het voorgaande, de belangen van partijen tegen elkaar afwegend, acht de kantonrechter het niet waarschijnlijk dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser] onbillijk wordt benadeeld door handhaving van de bedingen.

4.17

Voor toewijzing van het subsidiair onder II gevorderde bedrag ex artikel 7:653, lid 5 BW ziet de kantonrechter geen aanleiding, reeds op de grond dat, hiervoor overwogen, niet kan worden geconcludeerd dat [eiser] in belangrijke mate belemmerd wordt om anders dan in dienst van AmSpec werkzaam te zijn. Deze vorderingen worden daarom afgewezen.

4.18

[eiser] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter,


rechtdoende in kort geding:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van AmSpec vastgesteld op € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

en indien AmSpec niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,- aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening. Ook is AmSpec de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over al deze bedragen verschuldigd vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

527