Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5925

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
10/660085-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art 6 WVW met dodelijke afloop. Hypoglykemie bij vrachtwagenchauffeur met diabetes. Vaststelling strafrechtelijke schuld van de chauffeur. Matigende invloed op mate van schuld vanwege (scherpe) instelling door behandelend artsen van de door verdachte na te streven bloedsuikerwaarden.

Eis: 6 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf en 3 jaar OBM (m.a.) . Opgelegd: drie maanden voorwaardelijke gevangenisstraf (prft. 2 Jaar) en 4 jaar OBM (m.a.)

Verwerping ontvankelijkheidsverweer ter zake de onder 2 ten laste gelegde overtredingen Arbeidstijdenbesluit vervoer. Voor deze feiten is art. 9a Sr. toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/660085-19

Datum uitspraak: 24 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. E. Benhaim, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 juni 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M. van Heemst heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden en een geldboete van 750 euro subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis;

  • -

    ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 (drie) jaren met aftrek van de eerder ingevorderde en ingehouden periode van het rijbewijs.

4. Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat ten aanzien van feit 2 een bestuursrechtelijke afdoening zou moeten prevaleren boven een strafrechtelijke afdoening. Om die reden is de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging van de overtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

Standpunt officier van justitie

Aangevoerd is dat het openbaar ministerie, gelet op het opportuniteitsbeginsel en de samenhang met het eerste feit op de dagvaarding, ontvankelijk is in de vervolging voor feit 2.

Beoordeling

Het openbaar ministerie heeft op grond van het opportuniteitsbeginsel de bevoegdheid een zaak via het strafrecht te vervolgen, indien dit het openbaar belang dient.

Bij de concrete toepassing van het opportuniteitsbeginsel kan (en mag) de officier van justitie tevens letten op bijzondere omstandigheden die maken dat een afdoening via de strafrechter meer in de rede ligt dan bij “kale” overtreding van deze strafbepaling. De officier van justitie kon in redelijkheid het herhaalde onjuist gebruik van de tachograafpas in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 willen betrekken bij de strafrechtelijke beoordeling van het zeer ernstige ongeval op die datum. Zeker onder deze omstandigheden staat het de officier van justitie vrij de gedragingen die onder 2 aan de verdachte zijn ten laste gelegd, voor te leggen aan de strafrechter, hoewel (en ook) als een afdoening buiten het strafrecht van een dergelijke gedraging normaal gesproken aan de orde is.

De officier van justitie is ontvankelijk.

5. Waardering van het bewijs

5.1.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering feit 2

Het onder 2 ten laste gelegde is door de verdachte bekend, en komt neer op het plegen van een aantal overtredingen. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

5.2.

Bewijswaardering

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat voorafgaand aan het ongeval een hypoglykemie (hierna: hypo) is opgetreden. Op de dag van het ongeval heeft de verdachte er alles aan gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kon worden om een hypo te voorkomen. Zijn waarden waren bij vertrek in orde en hij voelde zich goed. De eerder opgetreden hypo’s bij de verdachte zijn onder andere omstandigheden tot stand gekomen en hadden een andere medische oorzaak. De plotselinge daling van de glucosewaarde is zeer waarschijnlijk veroorzaakt door ophoping van insuline in onderhuids weefsel, waarna die insuline onverwacht en min of meer tegelijkertijd is vrijgekomen en een snelle en onverwachte daling van de bloedsuikerspiegel heeft veroorzaakt. Het was daarom voor de verdachte redelijkerwijs niet te verwachten dat hij een aanmerkelijk risico liep een dergelijke hypo te krijgen tijdens het besturen van zijn voertuig.

Gelet op voorgaande is van roekeloosheid of een andere vorm van strafrechtelijk relevante schuld geen sprake.

Beoordeling

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat op 11 maart 2019 omstreeks 21:48 uur op de kruising van een afrit van de A-16 aan de Jacq. Dutilhweg te Rotterdam een zeer ernstig ongeval is gebeurd. De verdachte bestuurde daarbij een trekker met oplegger en reed met zeer hoge snelheid door rood licht de kruising op. Hij botste vervolgens tegen een personenauto. Deze auto werd meegesleept en kwam onder de vrachtauto van de verdachte terecht. Als gevolg hiervan is de bestuurder van deze personenauto, [naam slachtoffer] , ter plaatse overleden.

Verder staat vast dat de verdachte ten tijde van dit verkeersgedrag een extreem laag bloedglucosewaarde had en enige tijd voorafgaand, tijdens en kort na het ongeval niet of nauwelijks bij bewustzijn was. Nadat hem extra glucose was toegediend, verbeterde gaandeweg zijn toestand en werd hij weer aanspreekbaar.

De centrale vraag in dit strafdossier is: heeft de verdachte een strafrechtelijk relevante mate van schuld aan dit ongeval?

Bij de vraag of sprake is van 'schuld' aan een verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan van en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij komt dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Daarbij is allereerst de gezondheidstoestand van de verdachte van belang. Verdachte was al zeer lang diabetespatiënt. Hij gebruikte insuline om zijn bloedsuikerwaarde op het gewenste peil te houden en verrichtte daartoe frequent metingen. Omdat de verdachte werkzaam was als vrachtwagenchauffeur (incl. het vervoer van gevaarlijke stoffen), werd hij in verband met zijn diabetes periodiek gekeurd ten behoeve van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (verder: het CBR). Ten tijde van het ongeval was hij goedgekeurd.

Enkele weken voor het ongeval, op 8 februari 2019 omstreeks 21:50 uur, is de verdachte ook niet of nauwelijks bij bewustzijn aangetroffen in zijn vrachtauto. Hij stond toen -op een rustige weg- stil op het weggedeelte voor tegemoetkomend verkeer. Voor de politieambtenaren was de verdachte (ook) toen niet aanspreekbaar. Uit onderzoek van de tachograaf in zijn vrachtwagen bleek dat hij op dat moment al 16 uur had gewerkt en op een chauffeurspas reed die niet van hem was, maar van de (voormalige) directeur van het transportbedrijf waar hij toen (en tijdens het ongeval) voor werkte. Daarbij stelt de rechtbank tevens vast dat hij op die dag en de vier voorafgaande dagen in totaal al 68,5 uur had gewerkt, dus gemiddeld bijna 14 uur per dag.

Op 11 maart 2019 is de verdachte rond 08:30 uur begonnen met zijn werkzaamheden. Omstreeks 21:00 uur begint hij aan zijn laatste rit van Moerdijk naar Amsterdam; de rit die eindigt met het ernstige ongeval in Rotterdam. Hij had ten tijde van het ongeval de nodige rijtijd achter de rug. In de vier werkdagen in de week voorafgaand aan het ongeval heeft verdachte 55,5 uur gewerkt, eveneens een gemiddelde van bijna 14 uur per (werk)dag.

De verdachte heeft elke dag zeer frequent zijn suikerwaarde bepaald. De resultaten van die metingen zijn in het dossier gevoegd, zowel van 11 maart 2019 als de drie maanden daaraan voorafgaand. Op 11 maart 2019 heeft de verdachte voor de laatste keer een dergelijke meting verricht iets na 20:00 uur, een uur voor vertrek met de vrachtauto in Moerdijk. De waarde was bij die laatste meting 6,3 millimol glucose/L bloed. Uit het dossier volgt verder dat een waarde tussen de 3,9 millimol glucose/L bloed en 9,3 millimol glucose/L bloed voor de verdachte (medisch gezien) de onder- en boven-streefwaarden zijn. Beneden die waarde ontstaan risico’s op een te lage bloedsuikerwaarde, ook wel aangeduid als een “hypo”. Naarmate de bloedsuikerwaarde lager wordt, vergroot dit de kans op verregaande bewustzijnsvermindering en controleverlies. Eerder dan deze ernstige gevolgen treden verschijnselen op als transpireren en trillen, verschijnselen die een aanwijzing zijn voor het intreden van een (veel) te lage bloedsuikerspiegel.

Kort na het ongeval bleek de verdachte niet aanspreekbaar en bleek bij onderzoek ter plaatse door de ambulanceverpleegkundige zijn bloedsuikerspiegel zeer laag, 2,2 millimol glucose/L bloed. Ten opzichte van de laatste meting was dit een daling van 3,4 millimol glucose/L bloed. Uit de weergave van de metingen blijkt dat een dergelijke daling van de bloedsuikerspiegel bij de verdachte niet ongewoon was. Zo is bijvoorbeeld op 11 maart 2019 te zien dat tussen 06:50 uur en 07:20 uur, maar in elk geval binnen een uur tijd, een daling optrad van meer dan 5 millimol. Hetzelfde is het geval tussen 13:50 en 14:50 uur. In beide gevallen eindigt de verdachte in een situatie waarin gesproken kan worden van een hypo, zijn bloedsuikerspiegel is beide keren uiteindelijk rond de 3 millimol/L. Dergelijke scherpe dalingen zijn ook op andere dagen zichtbaar: 7 maart 2019, rond 12:00 uur, waarbij verdachte eindigt met een bloedsuikerspiegel tussen 2,7 (2,6) en 2,2 millimol glucose/L bloed. Indien de rechtbank deze waarden vergelijkt met die van 8 februari 2019 is te zien dat de verdachte die dag vanaf 20:00 uur een te lage bloedsuikerwaarde heeft. Ten tijde van het aantreffen van de verdachte die dag door de politie, rond 21:50 uur, zou hij een bloedsuikerwaarde hebben gehad van rond of lager dan de 3 millimol glucose/L bloed.

Bij dit alles zijn ook de medische gegevens van 11 maart 2019 van belang. De verdachte is overgebracht naar het ziekenhuis. Daarbij staat vermeld onder anamnese, dus als verklaring van de patiënt tegenover de arts: “Heeft de afgelopen weken veel stress,….” En ”Voelde nu tijdens het rijden ook de hypo wel aankomen, weet niet goed waarom het mis is gegaan”.

De verdachte was al sinds 1992 bekend met diabetes en de gevolgen van die aandoening voor hem persoonlijk. Ook waar het gaat om de mogelijke invloed van zijn diabetes op het deugdelijk kunnen besturen van een vrachtwagen. Hij was op 8 februari 2019 duidelijk gewaarschuwd voor de combinatie van lang en hard werken en zijn diabetes. De verdachte heeft bovendien geen suikerwaarde gemeten kort voor zijn vertrek in Moerdijk (na 21.00 uur), terwijl uit de beschikbare metingen blijkt dat er bij hem geregeld binnen een uur (zeer) aanzienlijke dalingen optreden. Tenslotte blijkt uit de anamnese dat de verdachte weliswaar de lage bloedsuikerwaarde voelde aankomen, maar daar blijkbaar niet onmiddellijk op heeft gereageerd met een stop en een meting. De getuige [naam getuige] zag om ca. 21:10 uur de tankauto van de verdachte kort na zijn vertrek van het haventerrein in Moerdijk opvallend rijgedrag vertonen. De getuige zag dat de door de verdachte bestuurde tankauto, zonder verlichting en stilstond op de rijbaan, waarna de tankauto schokkend in beweging kwam. In plaats van adequaat te handelen door zijn suikerwaarde te meten is de verdachte toen toch doorgereden en is hij niet al te veel later in een toestand geraakt waardoor hij niet langer reageerde op de omgeving.

Uit de verklaring van de internist bij het CBR blijkt dat de bloedsuikerspiegel van de verdachte, afgezet tegen zijn beroep, beter iets hoger had kunnen zijn ingesteld dan deze ten tijde van het ongeval was. Een (iets) te hoge bloedsuikerwaarde blijkt uit een oogpunt van verkeersveiligheid te verkiezen boven de (lagere) instelling en verdere behandelkaders die de verdachte toentertijd waren voorgeschreven door zijn toenmalige internist en diabetesverpleegkundige. Deze omstandigheid is bij het bepalen van de mate van schuld bij de verdachte in zijn voordeel meegewogen.

Alles overziend is de rechtbank van oordeel dat de verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld door op 11 maart 2019 te gaan en blijven rijden in zijn vrachtwagen zoals hierboven is beschreven. Zijn schuld aan het ongeval valt daarmee duidelijk binnen het bereik van de schuld als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet. Omdat dit ongeval de dood heeft veroorzaakt van [naam slachtoffer] , zal een veroordeling volgen voor het onder feit 1 primair ten gelaste gelegde op de dagvaarding.

5.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1.

hij op 11 maart 2019 op of omstreeks 21.45 u, te Rotterdam als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en

met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de

afrit (26) van de Rijksweg A16 li en de Jacques Dutilhweg, althans op één van

deze wegen,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

- hij, verdachte, reeds lange tijd bekend was met diabetes en

- hij eerder, op 8 februari 2019, een ernstige hypoglykemie had gehad en

- hij in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 last had van stress en/of lange werkdagen maakte

- hij op die 11 maart 2019 zichzelf reeds meerdere malen een insulinehoeveelheid (een zogenaamde "bolus") heeft moeten toedienen in verband met een te hoog glucosegehalte in zijn bloed,

- ondanks bovengenoemde omstandigheden met die vrachtwagen is gaan rijden en/of is blijven rijden en

- op die afrit met een snelheid van 89 km/u heeft gereden, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 km/u gold en

- zonder te remmen in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht de kruising van die afrit met de Jacques Dutilhweg is opgereden

en

- aan de overkant van die kruising met een snelheid van ongeveer 75 km/u in

botsing of aanrijding is gekomen met een van rechts komende bestuurder van een

personenauto, genaamd [naam slachtoffer] ,

waardoor dat voertuig van die [naam slachtoffer] vooruit werd geduwd en in een greppel

onder die door verdachte bestuurde vrachtwagen is terechtgekomen,

waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van die aanrijding een zeer

lage suikerspiegel had (een zogenaamde "hypo");

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 januari 2019 tot en met 5 maart 2019 te

Papendrecht en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, een motorvoertuig (vrachtwagen) heeft bestuurd, terwijl hij toen daar (telkens) in strijd met het Arbeidstijdenbesluit vervoer gebruik heeft gemaakt

van een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. Overtreding van art. 6 WVW 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood;

en

2. Overtreding van art. 2.4.4. jo art. 8 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, meermalen gepleegd

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

8. Motivering straf en maatregel

De straffen en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 11 maart 2019 een zeer ernstig verkeersongeval veroorzaakt door zich in het verkeer aanmerkelijk onvoorzichtig te gedragen. Hij is daardoor met hoge snelheid met zijn vrachtauto tegen de linkerzijkant van een auto aangereden. De aanrijding heeft tot de dood geleid van de bestuurder van die auto en aldus onherstelbare zeer ernstige gevolgen gehad. Als gevolg van het rijgedrag van de verdachte is een medemens om het leven gekomen. Het grote leed dat dit bij de nabestaanden heeft veroorzaakt, is duidelijk naar voren gebracht in de namens hen op de zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Ook voor de getuigen moet het ongeval een zeer beangstigende ervaring zijn geweest en zal het daarmee gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen.

Niet in het voordeel van de verdachte spreekt dat hij ten tijde van het ongeval als beroepschauffeur met een trekker met oplegger deelnam aan het verkeer. Juist van een professioneel vrachtwagenchauffeur mag extra voorzichtigheid en vakmanschap worden verwacht in het verkeer. Ook waar het ziet op de (voorzienbare) gevolgen van zijn diabetes voor de verkeersveiligheid van derden.

Daarnaast heeft de verdachte enkele keren welbewust het Arbeidstijdenbesluit vervoer overtreden door met de pas van zijn werkgever te rijden. Te lang doorrijden levert in zijn algemeenheid (verkeers)gevaarlijke situaties op, maar zeker ook voor de verdachte waarbij de combinatie van lang en hard werken niet goed samengaat met zijn diabetes. Dit alles wordt de verdachte zwaar aangerekend.

De verdachte is op dit moment niet werkzaam als beroepschauffeur. Hij beschikt sinds kort wel weer over zijn rijbewijs in volle omvang, dus inclusief dat voor vrachtwagen/trekker met aanhanger/oplegger.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2021 gelezen dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor verkeersmisdrijven.

Conclusie van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusie.

Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij het bepalen van de concrete hoogte van de op te leggen straffen, ook de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid, is verder aandacht besteed aan de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Ook heeft de rechtbank gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting ter zake artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht.

De rechtbank zal de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen. Deze voorwaardelijke straf dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Daarnaast zal de rechtbank om de ernst van de verkeersfout duidelijk te markeren en de verkeersveiligheid te waarborgen de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen van een geruime duur.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen en maatregel passend en geboden.

De rechtbank zal geen afzonderlijke straf opleggen voor de onder 2 ten laste gelegde overtredingen, maar zal artikel 9a Sr. toepassen.

9. Vorderingen benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

In deze procedure hebben zich ter zake van de feiten 1 een aantal benadeelde partijen gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Hierna volgt een korte opsomming, met daarbij kort vermeld waar de vordering op is gebaseerd:

(1) [naam benadeelde 1] , affectie- en shockschade als broer van het slachtoffer, (2) [naam benadeelde 2] , shockschade als moeder van het slachtoffer, (3) [naam benadeelde 3] , shockschade als vader van het slachtoffer en vergoeding van gederfde inkomsten ten gevolge van het overlijden van zijn zoon. Namens alle benadeelde partijen gezamenlijk is € 3.342,- aan proceskosten verzocht.

Algemene overweging affectieschade

Artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) biedt voor affectieschade in lid 3 en 4 de wettelijke grondslag aan een limitatief in de wet omschreven kring van gerechtigden, met daarnaast (lid 4 sub g) een mogelijkheid tot toekenning aan anderen. De benoemde kring van gerechtigden omvat, voor zover in deze zaak van belang, een ouder van de overledene (lid 4 sub c). De hardheidsclausule van lid 4 sub g ziet op een andere persoon die ten tijde van het overlijden een zodanige nauwe persoonlijke relatie heeft tot de overledene, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij of zij voor de toepassing van lid 3 als gerechtigde tot het ontvangen van een vergoeding voor affectieschade wordt aangemerkt.

Broers (en zussen) zijn niet opgenomen in de opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een dergelijk recht toe te kennen. Dit sluit uiteraard niet uit dat zij in bijzondere gevallen een beroep kunnen doen op de hardheidsclausule. Om te bepalen in welke gevallen deze aanspraak kan worden gemaakt, is van belang dat de regeling voor vergoeding van affectieschade pas geldt sinds 1 januari 2019. Aangenomen moet dus worden dat de laatste inzichten van de wetgever hierin verdisconteerd zijn. De rechtbank neemt daarom als uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten dient te worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting is vermeld dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. De rechtbank leidt hier uit af dat de wetgever heeft bedoeld dat slechts in uitzonderlijke gevallen broers of zussen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade en dat het onvoldoende is dat uitsluitend komt vast te staan dat zij een zeer goede en hechte band hadden.

Het bedrag dat voor toekenning van de vergoeding van deze affectieschade in aanmerking komt, is vastgelegd in het Besluit vergoeding affectieschade. Op grond van artikel 1 van dit besluit kunnen de levensgezel en ouders (sub b en c) aanspraak maken op een bedrag van € 20.000,- en is dat voor de categorie overige nauwe persoonlijke relaties (sub g) € 17.500,-.

Vorderingen benadeelde partijen

Verzoek tot aanhouding van de verdediging

De raadsvrouw heeft in haar pleidooi meer subsidiair om aanhouding van de behandeling van de zaak verzocht omdat zij de stukken kort voor de zitting heeft ontvangen en zich hierdoor niet heeft kunnen voorbereiden. Hoewel de vordering laat is verstrekt, is de rechtbank van oordeel dat dit geen reden om tot aanhouding over te gaan is. De raadsvrouw is tijdens de behandeling ter zitting goed in staat gebleken ter zitting alle relevante punten inhoudelijk en gemotiveerd te bespreken. Hieruit blijkt dat verdediging op adequate manier kon reageren op de vorderingen. Het verzoek wordt afgewezen. De vorderingen zullen hierna dan ook inhoudelijk worden besproken.

Standpunt benadeelde partij [naam benadeelde 1] (broer slachtoffer)

De vordering bestaat uit een vergoeding voor immateriële schade van in totaal € 32.500,- bestaande uit shockschade € 15.000,- en affectieschade € 17.500,- met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast wordt verzocht proceskosten en alle overige (voor de tenuitvoerlegging) te maken kosten toe te wijzen.

Met betrekking tot de shockschade is aangevoerd dat [naam benadeelde 1] op de plaats delict is geweest, zijn broertje heeft geïdentificeerd en toegezonden filmpjes van de plaats delict heeft gezien. Daarnaast heeft hij zijn ouders kort na het ongeval op de hoogte moeten stellen van het overlijden van zijn broer. [naam benadeelde 1] kampt met nachtmerries, herbelevingen en PTSS. Hij is hiervoor behandeld en gebruikt medicatie.

Ten aanzien van de affectieschade is aangevoerd dat [naam benadeelde 1] en [naam slachtoffer] naar aard en intensiteit meer dan een normale broer/broer relatie hadden. Zij hadden een nauwe en affectieve relatie, waardoor [naam benadeelde 1] onder de categorie nauwe persoonlijke relaties zou moeten vallen en als zodanig aanspraak kan maken op een vergoeding voor affectieschade.

Standpunt benadeelde partij [naam benadeelde 2] (moeder slachtoffer)

De vordering bestaat uit een vergoeding van € 15.000,- immateriële schade bestaande uit shockschade met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast wordt verzocht proceskosten, en alle overige (voor de tenuitvoerlegging) te maken kosten toe te wijzen. Door de aansprakelijkheidsverzekeraar is reeds affectieschade toegekend.

De confrontatie met de gevolgen van het ongeval hebben bij de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, een hevige emotionele shock teweeggebracht die heeft geleid tot aanhoudende psychische klachten.

Standpunt benadeelde partij [naam benadeelde 3] (vader slachtoffer)

De vordering bestaat uit een vergoeding van € 15.000,- immateriële schade bestaande uit shockschade en een bedrag van € 16.570,40 materiele schade bestaande uit gederfde inkomsten met toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast wordt verzocht proceskosten, en alle overige (voor de tenuitvoerlegging) te maken kosten toe te wijzen. Door de aansprakelijkheidsverzekeraar is reeds affectieschade toegekend.

De confrontatie met de gevolgen van het ongeval hebben bij de benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, een hevige emotionele shock teweeggebracht die heeft geleid tot aanhoudende psychische klachten.

Mede door de psychische klachten heeft de vader niet meer kunnen werken als vrachtwagenchauffeur en is hij per september 2019 in de Werkloosheidswet en daarna in de Ziektewet terecht gekomen. Hierdoor mist hij een deel van zijn inkomsten ten opzichte van zijn loon van voor het ongeluk van zijn zoon.

Standpunt officier van justitie

Ten aanzien van de vorderingen heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de shockschade (allen) en de affectieschade (broer) toegewezen dient te worden, met toewijzing van de wettelijke rente en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gederfde inkomsten van de vader betreft geen rechtstreekse schade ten gevolge van het ongeval en om die reden dient hij voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaard te worden.

Standpunt verdediging

Primair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen afgewezen dienen te worden. Er is reeds € 50.000 affectieschade uitgekeerd en de broer heeft geen recht op affectieschade omdat zijn band met de overledene niet valt onder de wettelijke omschrijving dat sprake dient te zijn van een zeer uitzonderlijke situatie.

Subsidiair dienen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen te worden verklaard. De behandeling van de vorderingen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Beoordeling

Shockschade allen

Vast is komen te staat dat aan de benadeelde partijen door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit immateriële schade is toegebracht. Met betrekking tot de shockschade wordt overwogen dat dergelijke schade toewijsbaar is indien kan worden vastgesteld dat sprake is van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Aangevoerd is dat de benadeelde partijen medicatie gebruiken of hebben gebruikt en onder behandeling zijn (geweest) van huisarts en gespecialiseerde zorg voor de psychische klachten als gevolg van de confrontatie met het dodelijk ongeval. Op grond van deze feiten en omstandigheden, die niet zijn weersproken, staat in voldoende mate vast dat de benadeelde partijen shockschade hebben als gevolg van de schadebrengende gebeurtenis. De gevorderde shockschade zal daarom geheel worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Affectieschade [naam benadeelde 1]

Wat betreft de schadevergoeding voor affectieschade is aangevoerd dat de benadeelde partij [naam benadeelde 1] en het slachtoffer een zodanig nauwe en affectieve relatie hadden dat dit aangemerkt kan worden als ‘naaste’ als bedoeld in de hardheidsclausule. Deze bijzondere band tussen de broers is echter onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule. Niet is namelijk aannemelijk geworden dat is voldaan aan de bijzondere aanvullende eisen die de wetgever stelt aan een dergelijk beroep, zoals hiervoor besproken. Nadere onderbouwing en verdere bespreking van dit deel van de vordering en het verweer ertegen zouden een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Met betrekking tot dit deel van de vordering zal de benadeelde partij daarom in deze procedure niet-ontvankelijk worden verklaard, waardoor de vordering nog wel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Gederfde inkomsten [naam benadeelde 3]

Ten aanzien van de gederfde inkomsten van de vader van het slachtoffer is thans onvoldoende vast komen te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezen verklaarde feit. Nadere onderbouwing en verdere bespreking van dit deel van de vordering en het verweer ertegen zouden een onevenredige belasting van het strafproces vormen.

De benadeelde partij zal daarin niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering kan nog wel bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Kosten rechtsbijstand

De raadsvrouw heeft zich ter zitting gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kosten voor rechtsbijstand. De rechtbank zal aansluiting zoeken bij het geldende civiele liquidatietarief en voor de drie vorderingen één bedrag vaststellen.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] een schadevergoeding betalen van per persoon € 15.000,- voor shockschade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 en kosten als hieronder in de beslissing vermeld. Tevens wordt het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel (art. 36f Sr.) passend en geboden geacht.

Voor het overige zullen de vorderingen van [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 3] niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het totaal bedrag van de schadevergoeding bedraagt € 45.000,- en de advocaat heeft in wezen één vordering voor de drie benadeelde partijen ingediend en toegelicht ter zitting. Gelet op het geldende civielrechtelijke liquidatietarief zullen twee punten à € 1.114,- aan proceskosten worden toegewezen. Daarnaast zullen ook de eventueel nog te maken kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging worden toegewezen.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9a, 14a, 14b, 14c, 36f en 62 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikelen 2 en 8 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

voor feit 1:

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 (vier) jaren;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 1] , te betalen een bedrag van € 15.000 (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 2] , te betalen een bedrag van € 15.000 (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde 3] , te betalen een bedrag van € 15.000 (zegge: vijftienduizend euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partijen [naam benadeelde 1] en [naam benadeelde 3] niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;

bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij(en) gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op € 2.228,-, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam benadeelde 1] , [naam benadeelde 2] en [naam benadeelde 3] te betalen € 45.000,- (hoofdsom, zegge: vijfenveertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 maart 2019 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 45.000 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 260 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

voor de feiten onder 2:

verklaart verdachte schuldig, maar bepaalt dat hem ter zake deze feiten geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en D. van Putten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I. Wagener, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 maart 2019 op of omstreeks 21.45 u, te Rotterdam als

verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtwagen),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval

heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos, in elk geval zeer,

althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of

met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te

rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de kruising van de

afrit (26) van de Rijksweg A16 li en de Jacques Dutilhweg, althans op één van

deze wegen,

welk genoemd rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

- hij, verdachte, reeds lange tijd bekend was met diabetes en/of

- hij eerder, op 8 februari 2019, een ernstige hypoglykemie had gehad en/of

- hij in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 last had van stress en/of

lange werkdagen maakte en/of veel fysieke arbeid verrichtte en/of

- hij op die 11 maart 2019 zichzelf reeds meerdere malen een

insulinehoeveelheid (een zogenaamde "bolus") heeft moeten toedienen in verband

met een te hoog glucosegehalte in zijn bloed,

- ondanks bovengenoemde omstandigheden met die vrachtwagen is gaan rijden

en/of is blijven rijden en/of

- op die afrit met een snelheid van 89 km/u heeft gereden, terwijl daar een

maximumsnelheid van 50 km/u gold en/of

- zonder te remmen in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht de kruising van die afrit met de Jacques Dutilhweg is opgereden

en/of

- aan de overkant van die kruising met een snelheid van ongeveer 75 km/u in

botsing of aanrijding is gekomen met een van rechts komende bestuurder van een

personenauto, genaamd [naam slachtoffer] ,

waardoor dat voertuig van die [naam slachtoffer] vooruit werd geduwd en in een greppel

onder die door verdachte bestuurde vrachtwagen is terechtgekomen,

waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van die botsing/aanrijding een zeer

lage suikerspiegel had (een zogenaamde "hypo");

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 11 maart 2019 te Rotterdam als bestuurder van een

motorrijtuig (vrachtwagen), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer

openstaande weg, de kruising van de afrit (26) van de Rijksweg A16 li en de

Jacques Dutilhweg, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwij1

- hij, verdachte, reeds lange tijd bekend was met diabetes en/of

- hij eerder, op 8 februari 2019, een ernstige hypoglykemie had gehad en/of

- hij in de periode voorafgaand aan 11 maart 2019 last had van stress en/of

lange werkdagen maakte en/of veel fysieke arbeid verrichtte en/of

- hij op die 11 maart 2019 zichzelf reeds meerdere malen een insulinehoeveelheid (een zogenaamde "bolus") heeft moeten toedienen in verband

met een te hoog glucosegehalte in zijn bloed,

- ondanks bovengenoemde omstandigheden met die vrachtwagen is gaan rijden

en/of is blijven rijden en/of

- op die afrit met een snelheid van 89 km/u heeft gereden, terwijl daar een

maximumsnelheid van 50 km/u gold en/of

- zonder te remmen in strijd met een voor hem geldend rood licht uitstralend

verkeerslicht de kruising van die afrit met de Jacques Dutilhweg is opgereden

en/of

- aan de overkant van die kruising met een snelheid van ongeveer 75 km/u in

botsing of aanrijding is gekomen met een van rechts komende bestuurder van een

personenauto, genaamd [naam slachtoffer] ,

zulks terwijl hij, verdachte, ten tijde van die botsing/aanrijding een zeer

lage suikerspiegel had (een zogenaamde "hypo");

art 5 Wegenverkeerswet 1994

2.

hij in of omstreeks de periode van 29 januari 2019 tot en met 5 maart 2019 te

Papendrecht en/of Amsterdam en/of Rotterdam en/of (elders) in Nederland,

meermalen, althans eenmaal,

een motorvoertuig (vrachtwagen) heeft bestuurd, terwijl hij toen daar

(telkens) in strijd met het Arbeidstijdenbesluit vervoer gebruik heeft gemaakt

van een niet op zijn naam gestelde bestuurderskaart;

"U dient er rekening mee te houden dat degene die rechtstreeks schade heeft

geleden door een op deze dagvaarding vermeld strafbaar feit, zich terzake van

zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het

Strafproces. Conform het bepaalde in artikel 51 b van het Wetboek van

Strafvordering is het mogelijk dat de vordering later schriftelijk, namelijk

voor de aanvang van de terechtzitting, danwel mondeling tijdens de

terechtzitting wordt ingediend. Indien thans aan het openbaar ministerie

bekend is of benadeelde partij zich heeft gevoegd, treft u de inhoud van diens

vordering en de daarbij vermelde gronden op deze dagvaarding aan."

De zitting moet gezien worden als een regiezitting. Deze regiezitting zal

worden gebruikt om de eventuele preliminaire verweren en/of verzoeken van de

verdediging te inventariseren. Een inhoudelijke behandeling van de zaak zal op

een later moment plaatsvinden.

art. 2.4.4, lid 1, sub e, en art. 8, lid 1, van het Arbeidstijdenbesluit

vervoer jo. art. 8.1 lid 1 van het Arbeidstijdenbesluit vervoer

art 2.4:4 lid 1 ahf/sub e Arbeidstijdenbesluit vervoer