Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5903

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
25-06-2021
Zaaknummer
C/10/617090 / JE RK 21-1026
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

OTS

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Jeugdrecht

Zaaknummer: C/10/617090 / JE RK 21-1026

Datum uitspraak: 2 juni 2021

Beschikking ondertoezichtstelling

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,

betreffende

[naam kind 1],

geboren op [geboortedatum kind 1] 2018 te [geboorteplaats kind 1], hierna te noemen: [naam kind 1],

[naam kind 2],

geboren op [geboortedatum kind 2] 2020 te [geboorteplaats kind 2], hierna te noemen: [naam kind 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder],

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder],

[naam vader],

hierna te noemen: de vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek met bijlagen van de Raad van 19 april 2021, ingekomen bij de griffie op 19 april 2021.

Op 2 juni 2021 heeft de kinderrechter de zaak mondeling met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn:
- de moeder;

- de vader;

- een vertegenwoordiger van de Raad, [naam 1];
- een vertegenwoordigster van de GI, [naam 2].

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind 1] en [naam kind 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind 1] en [naam kind 2] wonen bij de moeder.

Het verzoek

De Raad verzoekt de ondertoezichtstelling van [naam kind 1] en [naam kind 2] voor de duur van negen maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De Raad handhaaft het verzoek en licht het als volgt toe. Het is zorgelijk dat de moeder pas recent een zorgverzekering voor [naam kind 2] heeft afgesloten. Ook is het contact tussen de moeder en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) onduidelijk, waardoor [naam kind 2] zijn vaccinaties niet heeft gekregen. De Raad is van mening dat het goed zou zijn voor [naam kind 1] om naar de peuterspeelzaal te gaan voor het contact met andere kinderen, maar de moeder heeft er tot nu toe voor gekozen hem niet in te schrijven op een peuterspeelzaal. Daarnaast is er veel onduidelijkheid over de status van de relatie tussen de ouders. Ook heeft de moeder kwetsbaarheden die zichtbaar worden als spanningen oplopen. De Raad ziet dat de moeder zich voor [naam kind 2] en [naam kind 1] inzet, maar dat het haar onvoldoende lukt om de kinderen de duidelijkheid en structuur te geven die zij nodig hebben. De afgelopen periode is er sprake van een positieve ontwikkeling. Het is van belang dat de ondertoezichtstelling zorgt dat deze positieve ontwikkeling vastgehouden wordt.

De standpunten

De GI stemt in met het verzoek van de Raad.

De moeder stemt in met het verzoek van de Raad. Het is goed als [naam kind 1] zo snel mogelijk naar de peuterspeelzaal gaat, zodat de moeder kan wennen aan de structuur. Hij is inmiddels ingeschreven bij een peuterspeelzaal. Wanneer het gezin is verhuisd, is de moeder voornemens om [naam kind 2] ook in te schrijven bij een kinderopvang. De moeder begrijpt dat een ondertoezichtstelling een passende maatregel is om te verzekeren dat de situatie de goede kant op blijft gaan.

De vader stemt in met het verzoek van de Raad. In het verleden zijn er een aantal tegenslagen geweest waardoor de ouders meermaals uit elkaar zijn gegaan en weer bij elkaar zijn gekomen. Nu de vader niet meer in dezelfde woning woont als de moeder en [naam kind 1] en [naam kind 2], zijn er geen spanningen meer en is de situatie rustiger. Vanwege het verleden is een ondertoezichtstelling begrijpelijk. In de toekomst wenst de vader wel samen te wonen met de moeder en [naam kind 1], [naam kind 2] en hun halfbroer [naam 3].

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. [naam kind 1] en [naam kind 2] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd. De ontwikkelingsbedreiging van [naam kind 1] en [naam kind 2] is hoofdzakelijk gelegen in de instabiliteit en onzekerheid die zij in hun leven hebben gekend. De relatie van hun ouders is wisselend en er zijn veel spanningen tussen de ouders. Daarnaast is er weinig zicht op de ontwikkeling van de kinderen omdat de moeder verschillende afspraken met het consultatiebureau heeft afgezegd. Er zijn zorgen over een taalachterstand bij [naam kind 1]. De moeder heeft [naam kind 1] pas recent ingeschreven bij een peuterspeelzaal om aan deze taalachterstand te werken. Daarnaast zijn er zorgen over dat [naam kind 2] tot voorkort geen zorgverzekering had en niet is gevaccineerd. Voorts zijn er zorgen over de persoonlijke en financiƫle problematiek van beide ouders. Er zijn zorgen over het mogelijk bestaan van psychische problematiek bij de moeder waarvoor zij geen behandeling ontvangt. Bij de vader is er eveneens sprake van onverwerkte gebeurtenissen waarvoor hij geen hulpverlening ontvangt.

De afgelopen periode heeft er een prille positieve vooruitgang plaatsgevonden. Er zijn niet langer zorgen over de overbelasting van de moeder in de zorg voor [naam 3] en zijn twee halfbroertjes. Daarnaast lijkt de relatie tussen de moeder en de stiefvader op dit moment rustig te verlopen.

De komende periode dient benut te worden om de ouders onder begeleiding van de GI verder te kunnen laten werken aan het stabiliseren van de woonplek van de moeder en de kinderen. Daarnaast is het van belang dat [naam kind 1] en [naam kind 2] voldoende worden gestimuleerd in hun ontwikkeling en met een vaste structuur naar de peuterspeelzaal c.q. kinderopvang gaan. Ook is het van belang dat de moeder de afspraken met het CJG en andere instanties nakomt. Voorts is het van belang dat de ouders met behulp van passende hulpverlening werken aan hun persoonlijke problematiek en het verbeteren en stabiliseren van hun relatie onderling. De ouders dienen hierbij rekening te houden met het belang van hun kinderen bij een stabiele omgeving. Vanwege de complexiteit van de problematiek acht de kinderrechter de verzochte duur van de maatregel passend en noodzakelijk. De kinderrechter zal daarom [naam kind 1] en [naam kind 2] onder toezicht stellen voor de duur van negen maanden.

De beslissing

De kinderrechter:

stelt [naam kind 1] en [naam kind 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond met ingang van 2 juni 2021 tot 2 maart 2022;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021 door mr. R.H. de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. S. de Leeuw, als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 13 juni 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.