Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5854

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
8857654 CV EXPL 20-39883
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurrecht - ontbinding en ontruiming wegens grote huurachterstand. Overeengekomen betalingsregelingen niet nagekomen. Tenzij-verweer slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8857654 CV EXPL 20-39883

uitspraak: 25 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de stichting

Woonstichting Patrimonium,

gevestigd te Barendrecht,

eiseres,

gemachtigde: G-J. Baijens, gerechtsdeurwaarder bij Gerechtsdeurwaarderskantoor Baijens,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [naam bewindvoerderskantoor], in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van [persoon A] en [persoon B] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

die zelf procedeert,

Partijen worden hierna aangeduid als ‘Patrimonium’ en ‘ [gedaagde] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de dagvaarding van 30 oktober 2020, met bijlagen, waarin [persoon A] en [persoon B] zijn gedagvaard;

  2. het antwoord van [persoon A] en [persoon B] ;

  3. de akte van Patrimonium van 25 november 2020;

  4. het tussenvonnis van 18 januari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald;

  5. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2021;

  6. het schrijven van [persoon A] en [persoon B] van 18 februari 2021;

  7. de akte van Patrimonium van 16 maart 2021;

  8. het schrijven van [persoon A] en [persoon B] van 16 maart 2021;

  9. het schrijven van de bewindvoerder van [persoon A] en [persoon B] van 17 maart 2021 met bijlage;

  10. de beslissing van 29 maart 2021 dat een mondelinge behandeling is bepaald;

  11. de aantekening dat de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 april 2021.

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

[persoon A] en [persoon B] huren de woning aan het adres [adres] te Barendrecht van Patrimonium. De huurprijs bedraagt op dit moment € 661,49 per maand. Partijen zijn overeengekomen dat de huur bij vooruitbetaling moet worden voldaan. In de betaling van de huur is een achterstand ontstaan.

2.2

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 januari 2021 zijn de goederen die (zullen) toebehoren aan [persoon A] en [persoon B] per 15 januari 2021 onder bewind gesteld en is [gedaagde] ( [gedaagde] h.o.d.n. [naam bewindvoerderskantoor] ) benoemd tot bewindvoerder.

2.3

[gedaagde] heeft op 17 maart 2021 de kantonrechter op de hoogte gebracht van een schikking tussen partijen, onder overlegging van de betreffende schikkingsovereenkomst. [gedaagde] is hiermee verschenen in deze procedure en is daardoor formele procespartij geworden, in de plaats van [persoon A] en [persoon B] .

2.4

Patrimonium heeft meerdere malen met (de bewindvoerder van) [persoon A] en [persoon B] een schikking getroffen. In de laatste betalingsregeling van 22 februari 2021 is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
“(…)
In bovengemelde zaak bevestigen wij hierbij de getroffen betalingsregeling van € 100,00 per maand met ingang van 28 februari 2021. Daarnaast dient de lopende huurverplichting correct en tijdig te worden voldaan.

U heeft ons op 18 februari jl. telefonisch bevestigd de huur over de maanden januari en februari 2021 alsnog per direct over te maken aan Woonstichting Patrimonium.

U dient de gelden over te maken op één van onze onderstaande kwaliteitsrekeningen. Wij verzoeken u daarbij ons dossiernummer te vermelden.

Deze betalingsregeling wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde van stipte nakoming en voor een periode van drie maanden. Na drie maanden zal de regeling worden herzien aan de hand van de financiële situatie. Wanneer één termijn niet op tijd is voldaan zal de getroffen betalingsregeling direct komen te vervallen en zal het restant terstond en ineens opeisbaar zijn. Wij zijn dan bevoegd om zonder nadere aankondiging executie c.q. beslagmaatregelen te nemen.(…)”.

2.5

[gedaagde] is de betalingsregeling in de maand april 2021 niet nagekomen, waardoor de regeling is komen te vervallen.

3. Het geschil

3.1

Patrimonium vordert – bij dagvaarding – dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de huurovereenkomst wordt ontbonden en gedaagde wordt veroordeeld om het gehuurde binnen drie dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en te verlaten met alle zaken en personen die zich daar vanwege gedaagde bevinden onder afgifte van de sleutels aan eiser, met machtiging van eiser om, voor het geval gedaagden aan deze ontruiming niet mochten voldoen, die zelf te bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van justitie en politie;

II. gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 4.619,20 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 2.604,50 vanaf 30 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

III. gedaagde wordt veroordeeld om vanaf november 2020 tot aan het moment van de ontruiming € 661,49 per maand te betalen;

IV. gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten.

3.2

Patrimonium legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. [persoon A] en [persoon B] zijn hun verplichting om tijdig de huur te betalen niet nagekomen. Het bedrag van € 4.619,20 is gebaseerd op € 4.588,97 aan huur tot en met oktober 2020, € 466,39 aan buitengerechtelijke kosten inclusief btw en € 13,84 aan vervallen rente, waarvan [gedaagde] al een bedrag van € 450,- betaald heeft. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst.

3.3

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang – hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

Patrimonium heeft op de mondelinge behandelingen van 17 februari en 28 april 2021 een specificatie van de actuele huurachterstand overgelegd. [gedaagde] was bij beide mondelinge behandelingen, ondanks dat hij daartoe behoorlijk in de gelegenheid was gesteld, niet aanwezig, zodat hij de inhoud van de specificaties niet heeft betwist. Gelet hierop zal de kantonrechter ervan uitgaan dat de huurachterstand op het moment van de tweede mondelinge behandeling overeenkomstig de overgelegde specificatie € 3.488,97 bedroeg. Dit bedrag heeft betrekking op de huurachterstand tot en met de maand april 2021. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld om dit bedrag aan Patrimonium te betalen. De wettelijke rente zal ook worden toegewezen, omdat vaststaat dat [gedaagde] met betaling van de huur in verzuim was.

4.2

Patrimonium heeft recht op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten als zij [gedaagde] heeft aangemaand om het verschuldigde bedrag binnen 15 dagen na de dag van ontvangst van de aanmaning alsnog te betalen. Aan deze eis is voldaan en de hoogte van de gevorderde vergoeding komt overeen met de daarvoor vastgestelde tarieven. Ook dit bedrag zal daarom worden toegewezen.

4.3

Ingevolge artikel 6:265 lid 1 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortschietende partij aantoont dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Het (op tijd) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst voor de huurder. Als uitgangspunt wordt daarom genomen dat een huurachterstand van meer dan drie maanden ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen, maar dat de rechter alle omstandigheden moet afwegen. Zo is van belang of de lopende huur wordt betaald en of de huurder (een deel) van de achterstand alsnog heeft voldaan (zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR: 2018:1810).

4.4

Op het moment van de mondelinge behandeling was de huurachterstand ruim vijf maanden. Gelet hierop is in ieder geval geen sprake van een tekortkoming van geringe betekenis. De hoogte van de betalingsachterstand rechtvaardigt in beginsel ontbinding van de huurovereenkomst en veroordeling tot ontruiming van het gehuurde. De bewindvoerder heeft als omstandigheden onder meer aangevoerd dat [persoon B] lijdt aan zware PTSS, wat zorgt voor zowel mentale als fysieke klachten, en dat hij en [persoon A] een dochter hebben die, (net als [persoon A] en [persoon B] zelf) veel baat heeft bij een rustige thuissituatie. Hoewel voor zich spreekt dat het in de situatie van [persoon A] en [persoon B] voor hen onwenselijk is om de woning te moeten ontruimen, maken deze omstandigheden dit niet anders. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat Patrimonium zeer coulant is geweest richting [persoon A] en [persoon B] door het aangaan van meerdere betalingsregelingen met hen, maar dat zij en later de bewindvoerder die overeengekomen betalingsregelingen meermaals niet zijn nagekomen. [gedaagde] heeft verder geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht die tot de conclusie zouden moeten leiden dat het belang van [persoon A] en [persoon B] bij behoud van het gehuurde zwaarder dient te wegen dan het belang van Patrimonium bij de gevorderde ontbinding en ontruiming, waardoor zij in staat is de woning te verhuren aan een huurder de huur tijdig betaalt. In dit geval is de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming daarom gerechtvaardigd.

4.5

De vorderingen tot ontbinding en ontruiming worden toegewezen. De termijn voor ontruiming wordt in redelijkheid gesteld op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

4.6

[gedaagde] moet de huur blijven betalen tot het moment dat [persoon A] en [persoon B] de woning met al hun spullen hebben verlaten. Dit deel van de vordering wordt daarom ook toegewezen.

4.7

De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen. Immers, op grond van de artikelen 556 lid 1 en 557 Rv is de deurwaarder, zonder rechterlijke tussenkomst, bevoegd de hulp van de sterke arm van politie in te roepen, waarbij de kosten van de ontruiming voor rekening van gedaagde komen.

4.8

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.9

Dit vonnis wordt ‘uitvoerbaar bij voorraad’ verklaard. Dit betekent dat [gedaagde] aan dit vonnis moet voldoen, ook als in hoger beroep wordt gegaan tegen dit vonnis.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] aan Patrimonium te betalen € 3.969,20 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het saldo dat aan hoofdsom, exclusief kosten, telkens, na elke credit- en debetmutatie, heeft uitgestaan, vanaf 30 oktober 2020 tot de dag van de algehele voldoening;

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen en veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis de woning aan het adres [adres] te Barendrecht te ontruimen met alle personen en zaken die zich daar vanwege [persoon A] en [persoon B] bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van Patrimonium te stellen;

veroordeelt [gedaagde] aan Patrimonium te betalen € 661,49 met ingang van de maand mei 2021 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Patrimonium vastgesteld op € 499,- aan griffierecht, € 105,03 aan dagvaardingskosten en € 871,50 (3,5 punt x € 249,- per punt) aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.K. Rapmund en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

44236