Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5829

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
FT EA 21-423 en FT EA 21-424 + FT EA 21-425 en FT EA 21-427
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

toewijzing dwangakkoord, aanpassing aanbod ter zitting naar aanleiding van herberekening vtlb

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie

rekestnummer: [nummers]

uitspraakdatum: 11 juni 2021

in de zaak van:

[naam 1] en [naam 2],

[adres]

[woonplaats] ,

verzoekers.

1 De procedure

Verzoekers hebben op 31 maart 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een viertal schuldeisers, te weten:

  • -

    Bunq B.V. (hierna: Bunq);

  • -

    Delta Fibre Nederland B.V., vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit (hierna: Delta Fibre);

  • -

    CAK, vertegenwoordigd door R.A.M. Vismans (hierna: het CAK);

  • -

    Nationale Volksbank, vertegenwoordigd door Flanderijn en Van Eck Gerechtsdeurwaarders (hierna: de Volksbank);

die weigeren mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

De Volksbank heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.

Ter zitting van 3 juni 2021 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoekers;

  • -

    mevrouw [naam 3] , werkzaam bij Stroomopwaarts (hierna: schuldhulpverlening);

  • -

    mevrouw [naam 4] , werkzaam bij Perspectief Bewindvoering en Inkomensbeheer (hierna: beschermingsbewindvoerder).

De Volksbank heeft in haar verweerschrift aangegeven niet ter zitting te zullen verschijnen.

De overige weigerende schuldeisers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift achtentwintig concurrente schuldeisers (met achtendertig vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 33.534,59 van verzoekers te vorderen.

Verzoekers hebben bij brief van 18 september 2020 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 46,59% tegen finale kwijting. Ten tijde van het aanbod was de schuldenlast € 34.376,28.

Bunq heeft een tweetal concurrente vorderingen op verzoekers van in totaal € 539,29. Ter zitting heeft schuldhulpverlening aangegeven dat Bunq inmiddels niets meer te vorderen heeft van verzoekers. Dit houdt in dat Bunq niet langer te beschouwen is als (weigerende) schuldeiser en dat de schuldenlast nog wordt gevormd door zevenentwintig concurrente schuldeisers (met zesendertig vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 32.995,30 van verzoekers te vorderen.

Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij, in verband met haar Pw-uitkering (type Wajong), jaarlijks gekeurd wordt door de Sociale Dienst. Vanuit de meest recente keuring is desgevraagd gebleken dat aan haar geen sollicitatieplicht is opgelegd.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De afloscapaciteit van verzoekers is enerzijds gebaseerd op ongewijzigde voortzetting van de Wajong-uitkering van verzoekster en anderzijds op basis van de dienstbetrekking van verzoeker. Verzoeker werkt fulltime en heeft een arbeidscontract voor onbepaalde tijd.

De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers hebben sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en de vaste lasten worden inmiddels door de beschermingsbewindvoerder voldaan.

Vierentwintig schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in (voor drieëndertig vorderingen). Het CAK, Delta Fibre en de Volksbank stemmen hier niet mee in. Het CAK heeft een vordering van € 756,98 op verzoekers, welke 2,3% van de totale schuldenlast beloopt. Delta Fibre heeft een vordering van € 503,66 op verzoeker, welke 1,5% van de totale schuldenlast beloopt. De Volksbank heeft een vordering van € 1.297,37 op verzoeker, welke 3,9% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

In haar verweerschrift heeft de Volksbank primair aangebracht dat het verzoek dwangakkoord afgewezen dient te worden. Hiertoe heeft de Volksbank -kort samengevat- aangevoerd dat:

  • -

    het voorstel niet voldoende betrouwbaar is gedocumenteerd;

  • -

    verzoekster haar inspanningsverplichting niet nakomt;

  • -

    de vordering niet te goeder trouw is ontstaan doordat verzoekers hebben nagelaten om, toen de schuld opliep, een betalingsregeling hiervoor te treffen;

  • -

    het aanbod niet het maximaal haalbare is omdat verzoekster niet aan haar inspanningsverplichting terwijl zij wel fulltime zou kunnen werken;

  • -

    het vrij te laten bedrag te hoog is vastgesteld doordat er een bedrag ad € 145,06 is meegenomen voor woonlasten die niet gecorrigeerd zouden worden door artikel 475d Rv en het niet duidelijk is waarom een bedrag ad € 164,95 aan reiskosten wordt vrij gelaten;

  • -

    verzoekers nog jong zijn en thans veertig jaar kunnen aflossen (middels een gewone betalingsregeling).

Secundair heeft de Volksbank verzocht om verzoekers te veroordelen in de kosten. Meer subsidiair heeft de Volksbank om nihilstelling van de kosten verzocht, indien de Volksbank als de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de kosten van de procedure.

Naar aanleiding van dit verweer is ter zitting is besproken dat het aanbod dient te worden herzien naar aanleiding van een te wijzigen en actualiseren vtlb-berekening. Verzoekers hebben aangegeven hun aanbod daarmee te willen aanpassen. Dit heeft er toe geleid dat verzoekers na de zitting een herziene berekening hebben aangeleverd op grond waarvan een verhoogde aflossingscapaciteit ontstaat van (actueel) € 459,05 per maand en de prognose uitkomt op een verhoogd percentage van 52,77%. De rechtbank ziet geen aanleiding om de Volksbank in de gelegenheid te stellen hier op te reageren, nu zij niet ter zitting is verschenen en de rechtbank in het gevoerde verweer geen aanleiding ziet te veronderstellen dat de Volksbank haar verweren (voor het overige) zou gaan intrekken.

Hoewel behoorlijk opgeroepen hebben het CAK en Delta Fibre geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid hun standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van het CAK, Delta Fibre en de Volksbank bij hun weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of het CAK, Delta Fibre en de Volksbank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij hebben bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vorderingen van het CAK, Delta Fibre en de Volksbank een aandeel vormen in de totale schuldenlast van 7,7%.

Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk vierentwintig van de zevenentwintig schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Stroomopwaarts. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.

De rechtbank is van oordeel dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoekster niet beschikt over betaald werk. Verzoekster ontvangt een Pw-uitkering (Wajong). Voldoende aannemelijk is geworden dat er tot aan de volgende keuringsdatum geen sollicitatieplicht aan verzoekster is opgelegd door de uitkerende instantie.

Voorts is uit het verzoekschrift en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verzoeker beschikt over een fulltime baan, op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Dat betekent dat verzoeker reeds voldoet aan de in de schuldsaneringsregeling bestaande werkverplichting voor 36 uur per week.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het vrij te laten bedrag na aanpassing naar behoren is vastgesteld. Hierdoor zal de afloscapaciteit ̶ per 1 januari 2021 ̶ stijgen van € 386,26 naar € 459,00 per maand.1

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen, is voldaan. Verzoekers hebben een beschermingsbewindvoerder. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht.

Immers, de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal aanzienlijke kosten met zich brengen, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoeker zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord wordt aangeboden.

Ten aanzien van het standpunt van de Volksbank met betrekking tot het ontbreken van de goede trouw bij het ontstaan van haar vordering, overweegt de rechtbank dat het gestelde ontbreken van de goede trouw de rechtbank niet beperkt in de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a lid 5 Fw. In de aangevoerde feiten en omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om de belangen van de Volksbank zwaarder te wegen dan die van verzoekers en de wel instemmende crediteuren.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van het CAK, Delta Fibre en de Volksbank, die geweigerd hebben in te stemmen.

Het verzoek om het CAK, Delta Fibre en de Volksbank te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

Het CAK, Delta Fibre en de Volksbank zullen als de in het ongelijk gestelde partijen worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden en dat zij niet verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt het CAK, Delta Fibre en de Volksbank om in te stemmen met de door verzoeker ter zitting aangepaste aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt het CAK, Delta Fibre en de Volksbank in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2021. 2

1 Datum inwerkingtreding ‘Wet vereenvoudiging beslagvrije voet’

2 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.