Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5750

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
10/691008-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor afpersing in vereniging (overval op een tankstation). Ontlastende verklaringen niet geloofwaardig. Gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden m.a. waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/691008-20

Datum uitspraak: 20 januari 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] ,

verblijvende op datzelfde adres,

raadsvrouw mr. I. van Baaren, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 januari 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. T.J. Lindhout heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het tenlastegelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 (zes) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Voorts vordert zij dat aan de verdachte de bijzondere voorwaarden worden opgelegd zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd, uitgezonderd het meewerken aan middelencontrole.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de diefstal in vereniging met (dreiging van) geweld wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe heeft zij aangevoerd dat in afgeluisterde telefoongesprekken van de aangehouden [naam 1] (degene die naar eigen zeggen niet betrokken is geweest bij de overval maar wel bij de eerdere diefstal van de vluchtauto, hierna: [naam 1] ) de verdachte naar voren komt als één van de daders. In die gesprekken geeft de verdachte ook informatie over de mededader. Deze informatie blijkt achteraf te kloppen. Vervolgens is aan de binnenkant van een handschoen die is aangetroffen in de vluchtauto en die door één van de daders werd gedragen tijdens de overval, het DNA van de verdachte aangetroffen. Op grond hiervan kan bewezen worden dat de verdachte één van de mededaders is geweest. De verklaring van de verdachte dat hij die dag op een verjaardag was, is niet geloofwaardig. Deze verklaring heeft hij pas voor het eerst ter terechtzitting, lang na zijn aanhouding en eerdere verhoren door de politie, gegeven. De handgeschreven getuigenverklaringen van zijn familie zijn evenmin geloofwaardig.

4.1.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Er is sprake van een tunnelvisie in het politieonderzoek. De verdachte is stellig in zijn ontkenning en hij heeft uitleg gegeven voor het aantreffen van zijn DNA in de handschoen, namelijk dat hij weleens handschoenen leent van anderen tijdens het voetballen op straat. Nadat hem bekend werd dat de politie hem zocht, heeft de verdachte zich direct op het politiebureau gemeld. Dat hij niet meer wist waar hij was op het moment van de overval is niet vreemd, maar kan juist een aanwijzing zijn dat hij niet degene is geweest die op die dag de overval heeft gepleegd. De verdachte heeft toen al aangegeven dat hij vermoedelijk bij zijn vriendin was. Later heeft hij deze verklaring uitgebreid, namelijk dat hij op een verjaardag was op ditzelfde adres. Dit wordt ondersteund door de overgelegde getuigenverklaringen van zijn vriendin en haar familie. De verklaring van [naam 1] is niet geloofwaardig. Hij wist dat zijn gesprekken vanuit de penitentiaire inrichting (hierna: PI) werden afgeluisterd. Het feit dat de verdachte, nadat hij [naam 1] aan de telefoon kreeg, zei dat deze niet zo duidelijk moest praten over de telefoon, kan verklaard worden door de omstandigheid dat de verdachte op dat moment aan zijn eigen huisadres werd bedreigd door [naam 1] en zijn broer.

4.1.3.

Beoordeling

Vast staat dat op 4 mei 2019 bij tankstation ESSO aan de Adriaan Volkerlaan te Rotterdam een overval is gepleegd, waarbij de kassamedewerkers onder dreiging van een wapen werden gedwongen om geld af te geven. Daarbij gaf een gemaskerde man die in het bezit was van een (op een) wapen (gelijkend voorwerp) instructies en hield een tweede persoon de deuren van het tankstation open. De daders vertrekken vervolgens met een vluchtauto en hebben een geldlade en een bedrag van bijna € 500,00 meegenomen.

Aan de hand van een peilbaken in de geldlade werd de vluchtauto gelokaliseerd, waarin een handschoen met opvallende zwarte glimmende knopjes op de handrug werd aangetroffen. Bij het uitkijken van de camerabeelden van het tankstation is te zien dat de gemaskerde dader een soortgelijke handschoen droeg. In de handschoen is DNA van onder meer [naam 1] aangetroffen. Tijdens zijn verhoor bij de politie op 12 december 2019 verklaart [naam 1] over een inbraak waarbij hij voornoemde handschoen heeft gebruikt, maar ontkent hij betrokken te zijn geweest bij de overval op het tankstation. Hij verklaart verder dat een ander de overval heeft gepleegd en dat hij vanuit de PI zijn broer [naam 2] bij die jongen heeft langs gestuurd. [naam 1] heeft toen via de telefoon van [naam 2] deze jongen gesproken, maar deze wilde het niet hebben over de overval en was bang dat hij werd afgeluisterd. Voorts verklaart [naam 1] dat hij te horen kreeg dat de kleinste dader na de overval alle spullen in een tas moest doen en dat daarbij een handschoen in de auto is gevallen.

In het dossier bevinden zich tapgesprekken tussen [naam 1] en zijn broer [naam 2] op 23 november 2019. Hieruit blijkt het volgende. In het eerste gesprek wordt gesproken over de oefoe (straattaal voor het woord overval) en dat het DNA van [naam 1] in de auto is achtergelaten door de overvaller die aan de [straatnaam] zou wonen, twee deuren naast ‘ [bijnaam 1] ’ (fonetisch). In het tweede tapgesprek van ongeveer een kwartier later antwoordt [naam 1] op de vraag van [naam 2] hoe ‘die man, die boy’ heet, dat hij [naam verdachte] (fonetisch) heet. [naam 1] krijgt daarna [naam verdachte] aan de telefoon en vraagt hem of hij weet met wie hij spreekt, waarop [naam verdachte] bevestigend antwoordt. Wanneer [naam 1] vraagt naar de dag ‘toen je de oefoe ging slaan’, zegt [naam verdachte] dat hij niet zo duidelijk moet praten over de telefoon. Daarna bedreigt [naam 1] [naam verdachte] en wordt het gesprek beëindigd. Ruim twee minuten later belt [naam 1] [naam 2] terug en zegt [naam 2] dat hij met ‘die boy’ praat en geeft hij aan [naam 1] door wat met hem wordt besproken. [naam 2] vraagt degene met wie hij spreekt namens [naam 1] of deze de handschoen aan had, waarop deze persoon bevestigend antwoordt. Vervolgens vraagt [naam 2] namens [naam 1] waarom hij ‘die torrie’ in de auto heeft gelaten. [naam 2] vertelt [naam 1] daarna dat wordt gezegd dat ‘ [naam 3] ’ tijdens het rijden niet alles in de tas heeft gedaan om weg te gooien, dat hij per ongeluk is vergeten de handschoen in de tas te doen en dat [naam 3] vijf barkie (€ 500,00) heeft gestolen. [naam 2] vraagt of met [naam 3] ‘ [bijnaam 2] ’ wordt bedoeld, waarna [naam 1] zegt dat hij weet over wie dit gaat en dat hiermee [bijnaam 3] wordt bedoeld. Ter terechtzitting heeft de verdachte bevestigd dat hij degene was met wie het eerste gesprek tussen hem, [naam 2] en [naam 1] is gevoerd. De verdachte heeft ontkend dat er daarna nog gesprekken met [naam 2] en/of [naam 1] hebben plaatsgevonden. Nu het tweede gesprek tussen ‘die boy’, [naam 2] en [naam 1] echter al binnen ruim twee minuten na het eerste gesprek heeft plaatsgevonden, uit de gesprekken daarvoor is gebleken dat ze op zoek waren naar ‘ [naam verdachte] ’ aan de [straatnaam] , degene die de overval zou hebben gepleegd en gelet op de inhoud van de betreffende gesprekken, kan naar oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat het de verdachte moet zijn geweest met wie (ook) dit tweede gesprek is gevoerd.

Met behulp van de daderinformatie uit de tapgesprekken wordt via de politiesystemen achterhaald dat met [naam 3] de medeverdachte [naam medeverdachte] wordt bedoeld, een persoon van Nederlands/Macedonische afkomst met een lengte van 1,50 meter. Tijdens zijn verhoor in januari 2020 bekent hij zijn betrokkenheid bij de overval en verklaart hij dat hij de persoon is geweest die de deuren van het tankstation heeft opengehouden. Hij wil echter enkel over zijn eigen aandeel verklaren. Aan de hand van de informatie uit de tapgesprekken waarin wordt gezegd dat de overvaller ‘ [naam verdachte] ’ heet en aan de [straatnaam] woont, wordt met behulp van GBA-gegevens nagetrokken dat de verdachte de enige is met die voornaam die aan de [straatnaam] te Rotterdam ingeschreven staat. Tijdens het verhoor van de verdachte wordt zijn DNA afgenomen. Blijkens het NFI-rapport van 20 maart 2020 levert dit DNA een match op met het DNA dat in de handschoen met opvallende zwarte glimmende knopjes is aangetroffen.

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting zijn betrokkenheid bij de overval ontkend. Aanvankelijk heeft hij in zijn politieverhoor op 30 januari 2020 verklaard dat hij ten tijde van de overval waarschijnlijk bij zijn vriend [naam 4] , het broertje van zijn vriendin, was. Niet eerder dan ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij op die dag op een verjaardag is geweest van een persoon die inmiddels is overleden en dat diegene op hetzelfde adres woonde als zijn vriendin en haar broertje. Voorts zijn er door de verdediging handgeschreven verklaringen van zijn vriendin en haar familie overgelegd, die bevestigen dat de verdachte op die verjaardag was.

De rechtbank overweegt als volgt. ‘ [naam verdachte] ’ op de [straatnaam] - dit blijkt de verdachte te zijn - wordt door [naam 1] aangewezen als één van de overvallers op het tankstation op 4 mei 2019. [naam 1] heeft verklaard dat hij zijn broer op de dader van de overval heeft afgestuurd en dat hij via zijn broer telefonisch met hem heeft gesproken. Dit wordt ondersteund door de tapgesprekken tussen [naam 1] en [naam 2] . In deze gesprekken zegt de verdachte te weten wie [naam 1] is en ook zegt hij dat [naam 1] niet zo duidelijk over de telefoon moet praten als deze hem vraagt of hij de overval heeft gepleegd. Hij spreekt op dat moment niet tegen dat hij betrokken was bij de overval. Evenmin geeft de verdachte aan dat hij niet weet waar [naam 1] het over heeft. Het lijkt er eerder op dat de verdachte uit angst om afgeluisterd te worden niet over de telefoon wil praten over de overval. Daarnaast spreekt de verdachte over een bedrag van € 500,00 (vijf barkie) dat zou zijn weggenomen. Uit de aangifte is gebleken dat ongeveer dit bedrag is weggenomen. Voorts spreekt de verdachte over mededader ‘ [naam 3] ’, welke informatie ook juist bleek te zijn. De medeverdachte [naam medeverdachte] (deze naam wordt fonetisch uitgesproken als [naam 3] ) [naam medeverdachte] heeft daarna bekend dat hij betrokken was bij de overval en degene was die de deuren open hield. [naam medeverdachte] heeft verklaard dat hij de verdachte, wanneer hem een foto van hem wordt getoond, niet herkent als de mededader. Nu hij aan het begin van zijn verhoor al heeft verklaard niet over anderen te willen verklaren, wordt evenwel door de rechtbank op dit punt geen waarde gehecht aan deze verklaring. Vervolgens heeft de verdachte bevestigend geantwoord toen [naam 1] hem vroeg of hij de handschoen aan had gehad en heeft de verdachte aan [naam 1] , via zijn broer, meegedeeld dat het ‘ [naam 3] ’ was die de handschoen in de auto had achtergelaten. Ook deze informatie blijkt juist te zijn, nu in de vluchtauto een handschoen is gevonden die gelijkenis vertoont met de handschoen van de dader met het masker die op de camerabeelden van de overval te zien is. Later is gebleken dat het DNA in deze handschoen een match oplevert met het DNA van de verdachte.

De verdachte heeft niet eerder dan ter terechtzitting, bijna een jaar na zijn aanhouding, verklaard dat hij de dag van de overval op een verjaardag was. Dit komt overeen met de door de verdediging kort vóór de zitting handgeschreven verklaringen van de vriendin van de verdachte en haar familieleden. Het had in de lijn der verwachting gelegen dat, bij verdenking van een dergelijk feit, een ontlastende verklaring als deze eerder en in elk geval niet pas ter terechtzitting zou zijn gegeven. Mede gelet op dit late tijdstip maakt het geheel naar het oordeel van de rechtbank dan ook een geconstrueerde indruk en de rechtbank acht daarom - mede bezien in het licht van het vorenstaande - niet geloofwaardig dat de verdachte op het moment van de overval daadwerkelijk op een verjaardag aanwezig was. De rechtbank hecht dan ook geen geloof aan de overgelegde handgeschreven verklaringen van de vriendin van de verdachte en haar familieleden, waarbij de rechtbank voorts betrekt dat het partijgetuigen betreft, waarvan kan worden gezegd dat zij er een zeker belang bij hebben dat de verdachte aan een veroordeling ontkomt.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de dader met het masker en wapen is geweest tijdens de overval. Nu de verdachte samen met [naam medeverdachte] onder dreiging van geweld de aangevers heeft gedwongen geld te af te geven, wordt afpersing bewezen geacht.

4.1.4.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde, zoals hierna bewezen verklaard.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij op 04 mei 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldlade en een geldbedrag toebehorende aan Esso Rotterdam Adriaan Volkerlaan welke bedreiging met geweld bestond uit het (meermalen)

- betreden van het tankstation met een masker voor het gezicht en

- zeggen tegen die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] :

* "Dit is een overval! Geld, geld, geld!" en

* "Sloffen, sloffen!" en

* "Sneller, sneller!",

en

- tonen van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en

- richten en gericht houden van dat (vuur)wapen, althans dat op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [naam slachtoffer 2] en

- slaan met dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op de toonbank van het tankstation en

- gooien van een (sport)tas naar die [naam slachtoffer 2] .

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation. Hij heeft daarbij gedreigd met een vuurwapen dan wel een daarop gelijkend voorwerp en daarmee geld afgeperst van de dienstdoende medewerkers.

Met name overvallen zijn feiten die niet alleen een grote impact hebben op de slachtoffers, maar ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid in hoge mate versterken. Berovingen kunnen voor de direct betrokkenen bijzonder traumatiserend zijn, hetgeen tot langdurige psychische schade kan leiden. De verdachte heeft zich hieraan niets gelegen laten liggen en alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 november 2020, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 16 november 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte is een 23-jarige man zonder delictverleden. Doordat hij niet heeft gereageerd op de uitnodigingen van de reclassering wordt de indruk gewekt dat hij een zorgmijder is. Er kunnen dan ook geen risicofactoren worden aangemerkt. Gelet op het feit dat hij een first offender is en het een ernstig delict betreft, worden uit voorzorg enkele bijzondere voorwaarden voorgesteld, te weten een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachten en het meewerken aan middelencontrole.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gezien de aard en ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De verdachte heeft verzocht om rekening te houden met zijn gezinssituatie. Echter, gelet op de ernst van het feit ziet de rechtbank hier geen aanleiding toe. De rechtbank heeft mede in haar overweging betrokken dat de verdachte op geen enkel moment verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden of empathie heeft getoond voor de slachtoffers.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Daarbij merkt de rechtbank als strafverzwarende omstandigheden aan dat het feit in vereniging is gepleegd met behulp van een vuurwapen, dan wel een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.

De rechtbank zal een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar en daaraan de bijzondere voorwaarden verbinden dat de verdachte zich gedurende de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die hem worden gegeven door of namens de reclassering. Dit houdt mede in een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met de medeverdachte [naam medeverdachte] , één en ander zoals door de reclassering in het rapport van 16 november 2020 geadviseerd. Er wordt geen aanleiding gezien om de verdachte mee te laten werken aan middelencontrole, dit zal dan ook niet worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;

stelt als algemene voorwaarde:

de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

stelt als bijzondere voorwaarden:

1. De veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland, gevestigd op het adres Marconistraaat 2 in Rotterdam, zo vaak en zolang de reclassering nodig acht.

2. De veroordeelde werkt mee aan een intelligentie- en aan een diagnostisch onderzoek. Ook laat hij zich, als de behandelde instantie mogelijkheden hiertoe ziet, behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

3. de veroordeelde zal op geen enkele wijze contact (laten) opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachte [naam medeverdachte] (geboren op [geboortedatum medeverdachte] , wonende te [adres medeverdachte] ), gedurende de proeftijd, of zoveel korter als het Openbaar Ministerie verantwoord vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit verbod;

verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R. Brand, voorzitter,

en mrs. I.W.M. Laurijssens en S.N. Abdoelkadir, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. I.M. Sinon, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 04 mei 2019 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een tankstation gelegen aan de Adriaan Volkerlaan heeft weggenomen een geldlade en/of een

geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Esso Rotterdam Adriaan Volkerlaan, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldlade en/of een geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Esso Rotterdam Adriaan Volkerlaan, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het (meermalen)

- betreden van het tankstation met een masker en/of sjaal/doek voor het gezicht, althans gezichtsbedekkende voorwerpen, en/of

- zeggen tegen die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] :

* "Dit is een overval! Geld, geld, geld!" en/of

* "Sloffen, sloffen!" en/of

* "Sneller, sneller!",

althans woorden van gelijke (dreigende) aard/strekking en/of

- tonen van een (vuur)wapen, althans een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, aan die [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] en/of

- richten en/of gericht houden van dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op die [naam slachtoffer 2] en/of

- slaan met dat/een (vuur)wapen, althans dat/een op een (vuur)wapen gelijkend voorwerp, op de toonbank van het tankstation en/of

- gooien van een (sport)tas naar/in handen van die [naam slachtoffer 2] .