Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5714

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
C/10/618357 / JE RK 21-1271
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing na spoed uithuisplaatsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/618357 / JE RK 21-1271

datum uitspraak: 21 mei 201

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

betreffende

[naam kind] ,

geboren op [geboortedatum kind] 2009 te [geboorteplaats kind] , hierna te noemen [naam kind] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[naam vader] ,

hierna te noemen de vader, wonende te [woonplaats vader] .

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van

12 mei 2021 en de daaraan ten grondslag liggende stukken.

Op 21 mei 2021 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [naam kind] , die voorafgaand aan de mondelinge behandeling apart is gehoord,

- de moeder,

- een vertegenwoordigster van de GI, [naam] .

Opgeroepen en niet verschenen is: de vader.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [naam kind] wordt uitgeoefend door de ouders.

[naam kind] verblijft op de crisisopvang.

Bij beschikking van 7 april 2021 is [naam kind] onder toezicht gesteld tot 7 april 2022.

Bij beschikking van 12 mei 2021 is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van vier weken. De beslissing is voor het overige aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verzocht voor de duur van (in totaal) twee maanden.

De GI heeft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling gehandhaafd en als volgt toegelicht. In de afgelopen periode is [naam kind] twee keer weggelopen van huis. Het lijkt erop dat [naam kind] wegloopt omdat de vader [naam kind] niet kan bieden wat zij nodig heeft. Zelf geeft [naam kind] aan dat het ook door haar stiefmoeder komt. Beide ouders zijn al voor langere tijd onvoldoende in staat om aan te sluiten bij de opvoedbehoefte van [naam kind] . Dat patroon moet worden doorbroken. Er is opvoedondersteuning bij de vader en GGZ-hulpverlening voor [naam kind] ingezet. Deze hulpverlening is echter ontoereikend gebleken. Daarnaast is de vader ambivalent richting de hulpverlening. Het is belangrijk dat [naam kind] rust en stabiliteit ervaart om aan zichzelf te werken. In de komende periode zal duidelijk moeten worden waar de problematiek van [naam kind] vandaan komt en zal er passende hulpverlening moeten worden ingezet. Daarna zal het perspectief worden onderzocht. Op dit moment gaat het goed met [naam kind] op de groep. Zij is gebaat bij de structuur en duidelijkheid die haar wordt geboden. Wel zijn er zorgen over haar seksuele ontwikkeling. Verder worden de mogelijkheden voor school onderzocht.

Het standpunt van de moeder

De moeder heeft tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek. [naam kind] heeft in de thuissituatie bij de vader te veel verantwoordelijkheid gekregen en er was te weinig toezicht. Zij had heimwee en is daarom weggelopen. De moeder heeft in de afgelopen jaren hard aan zichzelf gewerkt om een veilige en stabiele thuissituatie voor haar kinderen te creƫren. Zij wil graag dat [naam kind] weer bij haar komt wonen.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [naam kind] kampt met een belaste voorgeschiedenis en dat er sprake is van kindeigen problematiek. [naam kind] heeft veel wisselingen in verblijfplaats gekend en zij heeft veel instabiliteit en onveiligheid ervaren. Beide ouders zijn onvoldoende in staat gebleken om aan te sluiten bij de opvoedbehoefte van [naam kind] . In de afgelopen periode heeft [naam kind] zich meerdere keren onttrokken aan het gezag van de vader door weg te lopen. [naam kind] vertoont zelfbepalend en grensoverschrijdend gedrag en de ouders zijn onvoldoende in staat om [naam kind] te begrenzen.

Daarnaast heeft [naam kind] zorgelijke uitspraken gedaan waarvan het onduidelijk is waar deze vandaan komen. De onderlinge relaties zijn ernstig verstoord. Er is opvoedondersteuning bij de vader thuis ingezet, maar de hulpverlening is ontoereikend gebleken. Daarnaast staat de vader niet open voor ambulante hulpverlening.

Omdat de veiligheid van [naam kind] niet langer kon worden gewaarborgd in de thuissituatie, is zij met een spoedmachtiging van de kinderrechter uit huis geplaatst. [naam kind] verblijft op dit moment op de crisisopvang en zij is gebaat bij de structuur en duidelijkheid die haar wordt geboden. [naam kind] heeft echter aangegeven zich onveilig te voelen op de groep. In de komende periode is het van belang dat [naam kind] stabiliseert en dat er passende hulpverlening wordt ingezet om de gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Daarnaast is het van belang dat er een passende en voor [naam kind] veilige vervolgplek wordt gezocht. Totdat hier meer duidelijkheid over is verkregen is het van belang dat het verblijf van [naam kind] op de crisisopvang wordt voortgezet.

Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek). De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uit uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengen voor de resterende duur van het verzoek, te weten tot 12 juli 2021.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 12 juli 2021;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2021 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.A. Graven als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 31 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.