Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5701

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
10/245132-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor mishandeling. Veroordeling voor mishandeling en vernieling. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar. Bij de strafoplegging is rekening gehouden met de verleende zorgmachtiging. GEV 1 mnd m.a.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/245132-20

Datum uitspraak: 13 april 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, PPC, locatie Scheveningen,

raadsvrouw mr. H. Asal, advocaat te Rotterdam, waarnemend voor mr. J.E.F.K. Liauw, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 maart 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het onder 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van honderdzevenennegentig dagen met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het onder 1 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen nu op grond van het dossier niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de aangeefster [naam aangeefster] door de verdachte is geraakt. De verdachte zal daarom van de ten laste gelegde mishandeling worden vrijgesproken.

4.2.

Bewijswaardering ten aanzien van de feiten 2 en 3

4.2.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.2.

Beoordeling

De verdachte heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld en dat hij de brievenbus van het restaurant [naam restaurant] heeft vernield. Hij heeft verklaard dat dit door ‘ [naam 1] ’ zou zijn gedaan.

In het dossier bevindt zich de aangifte van [naam slachtoffer 1] . Zij verklaart dat zij op 23 september 2020 te Rotterdam zonder aanleiding wordt aangevallen door een voor haar onbekende man die haar een duw geeft en met zijn vuist op haar nek/schouder slaat. Ze rent het restaurant [naam restaurant] aan de [adres] in waar ze de deur dichtdoet om de man tegen te houden. De man slaat en schopt tegen de deur, waardoor de brievenbus kapot gaat. Dit wordt bevestigd door [naam 2] , de eigenaar van het restaurant, die aangifte doet van vernieling van de brievenbus en de camerabeelden van zijn restaurant overhandigt waar de mishandeling op te zien is. [naam slachtoffer 1] en [naam 2] beschrijven de man tegenover de politie. Er blijken in korte tijd meer meldingen te zijn gedaan van een agressief persoon met een soortgelijk signalement, te weten een donkergetinte man met een kaal hoofd, brildragend, een blauwe jas, een grijze joggingbroek en een Eastpack rugzak met de kleuren groen, paars en roze. Op 27 september 2020 controleert verbalisant [naam agent 1] op straat de verdachte die voldoet aan het door [naam slachtoffer 1] en [naam 2] opgegeven signalement, inclusief de bovenkleding en de rugzak. In het bedrijfsprocessensysteem komt de verdachte meermaals voor in meldingen met betrekking tot overlast en verward gedrag en bij het aanspreken verklaart hij volgens verbalisant enigszins warrig. De verbalisant maakt foto’s van de verdachte. De verdachte wordt twee dagen later aangehouden. Na zijn aanhouding wordt door verbalisant [naam agent 2] opgemerkt dat de door de verdachte gedragen kleding identiek is aan de kleding die wordt gedragen door de persoon op de fotobijlage met de stills van de camerabeelden van de mishandeling. De verbalisanten die de verdachte verhoren constateren dat de verdachte grote gelijkenis toont met de persoon op de foto’s van de camerabeelden en dat de verdachte voldoet aan de signalementen. Ook constateren zij dat de persoon op de foto’s van de camerabeelden lijkt op de persoon op de door verbalisant [naam agent 1] gemaakte foto’s en dat de personen op die foto’s dezelfde unieke tas met kleur vakken dragen. De rechtbank onderschrijft die constateringen. Dat een ander dan de verdachte de mishandeling heeft gepleegd, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk.

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, komt de rechtbank, net als de officier van justitie, tot bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Het is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de vernieling van een brievenbus en de mishandeling van aangeefster [naam slachtoffer 1] .

4.2.3.

Conclusie

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde zoals hierna bewezen verklaard.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:


2
hij op 23 september 2020 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een brievenbus die aan een ander, te weten aan [naam restaurant] (gevestigd aan de [adres] ) en/of [naam 2] toebehoorde, heeft vernield ;

3
hij op 23 september 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- in de rug van die [naam slachtoffer 1] te duwen en
- vervolgensop de nek van die [naam slachtoffer 1] te stompen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

2.

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen

3.

mishandeling

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

6.1.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte ten aanzien van de bewezenverklaarde delicten volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard en heeft de rechtbank verzocht om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hoewel de verdachte niet wil meewerken aan onderzoeken waardoor niet vastgesteld kan worden of de hij onder invloed van een psychische stoornis heeft gehandeld, is door de aangeefster verklaard dat zij is aangevallen door een man die een psychose lijkt te hebben. Dit, in samenhang bezien met de rapporten in onderhavige zaak en de stukken met betrekking tot het verzoekschrift tot zorgmachtiging waaruit blijkt dat de verdachte vermoedelijk lijdt aan een psychische stoornis, maakt het aannemelijk dat de ten laste gelegde feiten niet aan de verdachte toe te rekenen zijn.

6.2.

Beoordeling

Ter beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van verdachte heeft de rechtbank acht

geslagen op de volgende rapportages.

Psychiater [naam 3] heeft in het kader van de voorgeleiding van de verdachte bij de rechter-commissaris een rapport opgemaakt, gedateerd 1 oktober 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte heeft tijdens de telefonische uitleg van het consult laten weten dat het kort moest duren en dat hij niet mee hoefde te werken en heeft vervolgens de verbinding verbroken. Bij de tweede poging om de verdachte te spreken, heeft hij via de arrestantenbewaking laten weten dat hij de deskundige niet wenste te spreken. Via de arrestantenbewaking is vernomen dat de verdachte tegen de muur en prullenbak praat en dat hij merkwaardig handelt door zijn sigarettenpeukjes in kleine stukjes te scheuren en over de vloer uit te spreiden. De verdachte heeft geen toestemming gegeven om zijn begeleider bij Antes te benaderen. Geconcludeerd wordt dat de algehele presentatie verdacht is voor een psychotische decompensatie.

Tevens heeft psychiater [naam 4] een rapport opgemaakt, gedateerd 10 november

2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

De verdachte heeft eveneens tweemaal geweigerd om met de psychiater te spreken. Het in

de stukken beschreven verwarde gedrag en het tegen prullenbakken spreken wijst op

psychotische problematiek. Doordat de verdachte niet heeft meegewerkt aan het onderzoek,

kan echter niet worden nagegaan of er sprake is van psychopathologie. De vragen

van de opdrachtgever blijven onbeantwoord.

Hoewel de deskundigen geen conclusie hebben geformuleerd over de toerekeningsvatbaarheid van verdachte, bevat het dossier zeer sterke aanwijzingen dat hij ten tijde van het plegen van de feiten leed aan een psychische stoornis. De rechtbank heeft echter onvoldoende aanknopingspunten om te concluderen dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar dient te worden verklaard. Het gedrag dat verdachte op 23 september 2020 volgens de verklaringen in het dossier heeft vertoond – het zonder aanleiding slaan van de voor hem onbekende aangeefster en het daarbij vernielen van een brievenbus – alsmede de rapporten geven de rechtbank, net als de officier van justitie, wel voldoende aanknopingspunten om verdachte voor de ten laste gelegde feiten verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. De rechtbank houdt daarmee rekening bij de strafoplegging.

6.3.

Conclusie

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling. Hij heeft een voor hem onbekende vrouw zonder aanleiding op straat in de rug geduwd en met zijn vuist op haar nek geslagen en is haar, toen zij in paniek wegvluchtte, achternagehold. De verdachte heeft op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Hij heeft pijn en angst bij haar veroorzaakt en haar in haar persoonlijke bewegingsvrijheid belemmerd. Het slachtoffer heeft op de terechtzitting verklaard dat zij angstig is geworden en zich onveilig voelt op straat, waardoor ze afhankelijk is geworden van het openbaar vervoer of vervoer door anderen. Daarnaast brengt het handelen van verdachte gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving teweeg, zeker nu het feit op straat en zonder enige aanleiding heeft plaatsgevonden.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een brievenbus. Bij het achternazitten van het slachtoffer [naam slachtoffer 1] heeft hij op de deur en brievenbus geslagen van het restaurant waar zij naar binnen is gevlucht. Hieruit blijkt dat de verdachte zich niet bekommert om de eigendommen van anderen. Een dergelijk feit brengt een gevoel van onveiligheid en overlast mee voor de samenleving.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 25 februari 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 1 oktober 2020. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.

Omdat de verdachte niet wilde meewerken, is het niet mogelijk gebleken om een rapportage op te maken. De verdachte wilde tevens geen toestemming verlenen om referenten te

raadplegen. Tijdens het gesprek met de rapporteur maakte de verdachte geen oogcontact en

keek hij voortdurend zijwaarts. Verder blijkt uit de retourzending dat de verdachte niet

eerder contact heeft gehad met de reclassering en dat een werkstraf uit 2018 retour is

gezonden omdat contact niet mogelijk bleek. Tevens heeft de verdachte in 2018 een BOPZ

traject gehad en is er momenteel een procedure gestart voor een zorgmachtiging op grond

van de Wvggz.

Voorts wordt verwezen naar de hiervoor vermelde rapporten van psychiater [naam 3] en psychiater [naam 4] . Door psychiater [naam 3] wordt geadviseerd om bij continuering van detentie de betrokkene in een PPC te plaatsen gezien het huidige toestandsbeeld. Indien dit niet het geval is, wordt geadviseerd de verdachte aan te bieden voor beoordeling van de crisisdienst.

De rechtbank heeft acht geslagen op deze rapporten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Mede gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

In strafmatigende zin is rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar is, zoals hiervoor reeds is overwogen onder 6.2. Voorts wordt bij het bepalen van de soort en de duur van de op te leggen straf rekening gehouden met de in het kader van deze strafzaak bij afzonderlijke beslissing van 31 maart 2021 ten aanzien van de verdachte verleende zorgmachtiging.

Gezien de ernst van de feiten vindt de rechtbank enkel het opleggen van een gevangenisstraf passend. De officier van justitie heeft, gelet op de eventuele plaatsing van de verdachte in een kliniek in het kader van de zorgmachtiging, gevorderd om een straf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest inclusief de periode tot aan de datum van de uitspraak. De verdediging heeft zich daarbij aangesloten. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

De verdachte zit thans meer dan zes maanden in voorarrest. Hoewel de rechtbank dit onwenselijk lang vindt, verzet artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich daartegen niet nu sprake is van een traject voor een zorgmachtiging met opname op grond van artikel 2.3 van de Wet forensische zorg. Bij de bepaling van de op te leggen straf neemt de rechtbank echter ook andere feiten en omstandigheden in ogenschouw dan de duur van het voorarrest. Ofschoon het gaat om nare feiten (in het bijzonder de mishandeling), staat een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest niet in verhouding tot de bewezen verklaarde feiten, zeker niet gezien de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte en het feit dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Daarbij heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. De rechtbank zal daarom een gevangenisstraf opleggen van aanzienlijk kortere duur dan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten. De voorlopige hechtenis wordt met ingang van heden opgeheven.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam benadeelde] ter zake van het onder 3 ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 50,00 aan materiële schade en een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering voldoende is onderbouwd en voor toewijzing vatbaar is, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in het geheel dient te worden afgewezen, dan wel dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu ontslag van alle rechtsvervolging is bepleit.

Subsidiair verzoekt de verdediging de vordering ten aanzien van de materiële schade af te wijzen wegens het ontbreken van causaal verband. Het is de keuze van de benadeelde partij om de schade aan de brievenbus aan de eigenaar te vergoeden. Voorts verzoekt de verdediging ten aanzien van de immateriële schade om het bedrag te matigen nu ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte hoge schulden heeft.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij de door de eigenaar van het restaurant geleden schade als gevolg van de vernieling van de brievenbus, heeft vergoed. De benadeelde partij heeft hiermee de vordering overgenomen. Nu overigens geen verweer is gevoerd tegen deze vordering zal de rechtbank de gevorderde materiële schade van € 50,- toewijzen.

Tevens is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk, zodat ook dit deel van de vordering geheel zal worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 23 september 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil

en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 450,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam benadeelde] , te betalen een bedrag van € 450,00 (zegge: vierhonderdvijftig euro), bestaande uit € 50,00 aan materiële schade en € 400,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 23 september 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [naam benadeelde] te betalen € 450,00 (hoofdsom, zegge: vierhonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 september 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 450,00 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 9 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzitter,

en mrs. D. van Dooren en F.J. Koningsveld, rechters,

in tegenwoordigheid van L.C. de Hooge, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1
hij op of omstreeks 23 september 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, tegen/op de/het be(e)n(en) van die [naam slachtoffer 2] te schoppen en/of te trappen;

2
hij op of omstreeks 23 september 2020 te Rotterdam opzettelijk en wederrechtelijk een brievenbus, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam restaurant] (gevestigd aan de [adres] ) en/of [naam 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

3
hij op of omstreeks 23 september 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door
- in/tegen de rug van die [naam slachtoffer 1] te duwen en/of
- (vervolgens) in/op de nek, althans tegen/op het lichaam, van die [naam slachtoffer 1] te slaan/stompen.