Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5698

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
10/702019-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging. Taakstraf voor de duur van 100 uren m.a. Vorderingen benadeelde partijen deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/702019-18

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

verblijvende op datzelfde adres,

raadsman mr M.J.C Verlaan, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 26 september 2019, 19 januari en 20 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. E. van Veen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering

Op 28 januari 2018 vindt aan de Brielselaan te Rotterdam een aanrijding plaats tussen een witte Suzuki Alto met daarin de aangevers [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] en twee vrienden en een grijze Opel Astra met daarin de verdachten [naam verdachte] , [naam medeverdachte 1] , [naam medeverdachte 2] en de vader van verdachte [naam medeverdachte 2] . Na de aanrijding stappen de verdachten uit en lopen zij naar de Suzuki Alto. Hierop ontstaat een vechtpartij tussen de inzittenden van de beide auto’s, waarbij de aangevers worden geslagen, gestompt en geschopt. Beide aangevers zijn als gevolg van deze vechtpartij gewond geraakt.

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat alle verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen de aangevers. Daarbij wordt in het bijzonder belang gehecht aan de verklaringen van de onafhankelijke getuigen [naam getuige 1] en [naam getuige 2] inhoudende dat met uitzondering van de oudere man met bril (de rechtbank begrijpt: vader [naam medeverdachte 2] ) alle drie de jongens van de grijze Opel Astra de jongens van de witte Suzuki Alto hebben geslagen en getrapt en dat de jongens van de witte Suzuki Alto zich probeerden te verdedigen.

Conclusie

De rechtbank acht het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 28 januari 2018 te Rotterdam, op de openbare weg, de Brielselaan, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- slaan en stompen enf trappen en schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en

- slaan en stompen en/ trappen en schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] ;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging als gevolg waarvan twee jonge mannen gewond zijn geraakt. Dit geweld bestond onder andere uit het slaan, stompen, trappen en schoppen op/tegen het lichaam, ook toen een van de slachtoffers reeds op de grond lag.

Feiten als de onderhavige maken een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van slachtoffers en dragen bij aan in de maatschappij heersende gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij hen die daarvan slachtoffer of getuige zijn. Slachtoffers van dergelijke feiten ervaren daarvan vaak, naast fysiek ongemak en overige materiële schade, langdurig de nadelige psychische gevolgen.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 5 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 22 december 2019. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte is een 29-jarige man die zich ten aanzien van het ten laste gelegde feit beroept op zijn zwijgrecht. Door de verdachte is geen toestemming gegeven tot het raadplegen van referenten. Er is sprake van een marginale huisvestingssituatie, waarbij hij zich lijkt te redden met behulp van vrienden en familie. De verdachte zegt dat hij werk heeft en geen financiële problemen ondervindt. Op basis van de beperkte beschikbare informatie zijn er ook geen aanwijzingen van problemen op andere leefgebieden. Door de reclassering wordt daarom geen noodzaak gezien tot het doen van interventies in het kader van reclasseringstoezicht.

De rechtbank heeft acht geslagen op dit rapport.

Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank voorts gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht met betrekking tot openlijke geweldpleging. Gelet hierop kan en mag een forse taakstraf worden opgelegd.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt, mede gelet op het zeer ruime tijdsverloop. De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals door de raadsman is verzocht, (een deel van) de taakstraf voorwaardelijk op te leggen.

Alles afwegend vindt de rechtbank een taakstraf voor nader te noemen duur passend en geboden.

8. Vorderingen benadeelde partijen/ schadevergoedingsmaatregelen

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 1] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 682,11 aan materiële schade en een vergoeding van € 1.600,- aan immateriële schade.

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer 2] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 262,- aan materiële schade en een vergoeding van € 1.755,- aan immateriële schade.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De vorderingen van beide benadeelde partijen zijn, voor zover het de materiële schade betreft, onvoldoende onderbouwd. Niet-ontvankelijkheid dient daarom te volgen voor dit deel van de vorderingen.

De vordering van benadeelde partij [naam slachtoffer 1] dient te worden toegewezen voor een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.

De vordering van benadeelde partij [naam slachtoffer 2] dient te worden toegewezen voor een bedrag van € 250,- aan immateriële schade.

De officier van justitie heeft ten aanzien van beide benadeelde partijen de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex 36f Wetboek van Strafrecht gevorderd.

8.2.

Standpunt verdediging

De vorderingen van beide benadeelde partijen zijn, voor zover het de materiële schade betreft, onvoldoende onderbouwd. Er dient daarom niet-ontvankelijkheid te volgen voor dit deel van de vorderingen.

Ten aanzien van het deel van de vorderingen van de benadeelde partijen dat ziet op de immateriële schade acht de verdediging een bedrag tussen € 250,- en € 350,- toewijsbaar.

8.3.

Beoordeling

De benadeelde partijen zullen in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het de materiële schade betreft. De materiële schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, daaronder begrepen als immateriële schade opgevoerde schoolkosten, is op dit moment onvoldoende (met stukken) onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Beide benadeelde partijen zullen ten aanzien van deze posten niet-ontvankelijk worden verklaard.

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal op dit moment op basis van de thans gebleken feiten en omstandigheden naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op € 500,- voor de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] en op € 250,- voor de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] . De benadeelde partijen zullen voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

De benadeelde partijen hebben gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank zal bepalen dat het te vergoeden schadebedrag wordt vermeerderd met wettelijke rente te rekenen vanaf 28 januari 2018.

Aan de verdachte zal tevens de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd, met de mogelijkheid tot toepassing van gijzeling.

Omdat de vorderingen van de benadeelde partijen deels zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededaders de benadeelde partijen betalen is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partijen van deze betalingsverplichting bevrijd.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 96 (zesennegentig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 48 (achtenveertig) dagen.

veroordeelt de verdachte hoofdelijk met diens mededaders, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting een schadevergoeding te betalen ter hoogte van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] en ter hoogte van € 250,- (zegge: tweehonderdenvijftig euro) aan de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] , vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;

verklaart de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de resterende delen van de vorderingen;

bepaalt dat deze delen van de vorderingen slechts kunnen worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen begroot op nihil aan salaris voor de advocaat en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 1] te betalen € 500,- (hoofdsom, zegge: vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 500,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer 2] te betalen € 250,- (hoofdsom, zegge: tweehonderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 250,- niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partijen, waaronder begrepen betaling door zijn mededader/mededaders, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partijen en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. de Lange, voorzitter,

en mrs. L.J.M. Janssen en mr. P.Chr. Tuinenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. van den Hoek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2021.

De oudste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, de

Brielselaan, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit het

- slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 1] en/of

- slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam van die [naam slachtoffer 2] ;

Subsidiair

hij op of omstreeks 28 januari 2018 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 2] heeft mishandeld door

- die [naam slachtoffer 1] in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen en/of

- die [naam slachtoffer 2] in het gezicht, althans tegen het hoofd, en/of tegen het lichaam te slaan en/of stompen en/of trappen en/of schoppen.