Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5692

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
C/10/586111 / FA RK 19-9928
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Persoonlijke staat. Artikel 10:17 lid 1 BW betekent niet dat een vreemdeling bijvoorbeeld de Nederlandse nationaliteit krijgt. Het betekent dat als een wetsartikel verwijst naar de nationaliteit van een persoon ter beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is, dan bij een vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd de woon- of verblijfplaats bepalend is en niet de nationaliteit. De rechtbank verwijst ter illustratie naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:7023 en de noot daarbij van prof. mr. dr. I. Summer, in JPF 2020/30. Bij de beantwoording van de vraag of in deze zaak de moeder en de juridische vader een nationaliteit gemeenschappelijk hadden, is voor de moeder dus niet de nationaliteit bepalend, maar haar woon- of verblijfplaats. Nederlands recht is van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2021/114 met annotatie van Sumner, I.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/586111 / FA RK 19-9928

Beschikking van 9 juni 2021 betreffende ontkenning vaderschap

in de zaak van:

[naam moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. V. Vos te Rotterdam,

In deze zaak is belanghebbende:

[naam vader] ,

zonder bekende woon-of verblijfplaats in Nederland of daarbuiten,

hierna te noemen de juridische vader.

In deze zaak is als bijzondere curator opgetreden:

mr. D.H. van Tongerlo, advocaat te Rotterdam, hierna te noemen de bijzondere curator.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 20 november 2019;

  • -

    de beschikking van deze rechtbank van 24 juni 2020, waarbij mr. Van Tongerlo is benoemd tot bijzondere curator over de minderjarige;

  • -

    het verslag van bevindingen van de bijzondere curator;

  • -

    het F9-formulier met bijlagen van 11 mei 2021 van de zijde van de moeder.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 20 mei 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator.

De juridische vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2. De vaststaande feiten

2.1.

De moeder en de juridische vader zijn in januari 2012 op een onbekende datum te Tokombia, Eritrea, gehuwd.

2.2.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 14 april 2020 is tussen de moeder en de juridische vader de echtscheiding uitgesproken. Op 13 augustus 2020 is die beschikking ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3.

Tijdens het huwelijk van de moeder en de juridische vader is geboren:

- [naam kind] , op [geboortedatum kind] 2017 te [geboorteplaats kind] .

2.4.

De moeder, de juridische vader en de minderjarige hebben de Eritrese nationaliteit.

3. De beoordeling

3.1.

Ontkenning vaderschap

3.1.1.

De moeder verzoekt de ontkenning van het vaderschap van de juridische vader ten aanzien van het minderjarige gegrond te verklaren.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.1.2.

De Nederlandse rechter heeft op grond van artikel 3 aanhef en onder a Rv rechtsmacht, omdat de moeder haar woonplaats in Nederland heeft.

3.1.3.

Op grond van artikel 10:17 lid 1 BW – voor zover nu van belang – wordt de persoonlijke staat van een vreemdeling aan wie een verblijfsvergunning is verleend als bedoeld in artikel 28 of artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000 (asielvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd), beheerst door het recht van zijn woon- of verblijfplaats.

Dit artikel betekent niet dat de vreemdeling bijvoorbeeld de Nederlandse nationaliteit krijgt. Het betekent dat als een wetsartikel verwijst naar de nationaliteit van een persoon ter beantwoording van de vraag welk recht van toepassing is, dan bij een vreemdeling met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd de woon- of verblijfplaats bepalend is en niet de nationaliteit.

De rechtbank verwijst ter illustratie naar de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 november 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:7023 en de noot daarbij van prof. mr. dr. I. Summer, in JPF 2020/30.

3.1.4.

Uit artikel 10:92 lid 1 BW – voor zover nu van belang – volgt dat het antwoord op de vraag of een kind door geboorte in familierechtelijke betrekkingen komt te staan tot de vrouw uit wie het is geboren en de met haar gehuwde of gehuwd geweest zijnde persoon, wordt bepaald door:

  1. het recht van de staat van de gemeenschappelijke nationaliteit van de vrouw en die persoon of, indien dit ontbreekt,

  2. door het recht van de staat waar de vrouw en die persoon elk hun gewone verblijfplaats hebben, of indien ook dit ontbreekt,

  3. door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van het kind.

Op grond van lid 3 is voor de toepassing van lid 1 bepalend het tijdstip van de geboorte van het kind.

3.1.5.

Uit artikel 10:93 lid 1 BW volgt dat het antwoord op de vraag of familierechtelijke betrekkingen als bedoeld in artikel 92 van dit Boek in een gerechtelijke procedure tot gegrondverklaring van een ontkenning kunnen worden tenietgedaan, wordt bepaald door:

- het recht dat ingevolge dat artikel op het bestaan van die betrekkingen toepasselijk is.

3.1.6.

Ten tijde van de geboorte van de minderjarige, [geboortedatum kind] 2017, had de moeder een Nederlandse verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd. Bij de beantwoording van de vraag of de moeder en de juridische vader een nationaliteit gemeenschappelijk hadden, is voor de moeder dus niet de nationaliteit bepalend, maar haar woon- of verblijfplaats. Die was op [geboortedatum kind] 2017 in Nederland.

Vaststaat dat de juridische vader op dat moment niet de Nederlandse nationaliteit had, dat hij geen Nederlandse verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd had en dat hij zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland had. Er was dus geen sprake van een situatie zoals bedoeld hiervoor onder 3.1.4. aanhef en onder a. of b.

Op grond van de hiervoor onder 3.1.4. aanhef en onder c. vermelde situatie, is Nederlands recht van toepassing. Het minderjarige kind had zijn gewone verblijfplaats in Nederland tijdens de geboorte.

Inhoudelijk

3.1.7.

Op grond van artikel 1:200 lid 1 sub a en b in verbinding met artikel 1:200 lid 5 BW kan gegrondverklaring van de ontkenning van het door het huwelijk of geregistreerd partnerschap ontstaan vaderschap worden verzocht door de moeder, op de grond dat de man niet de biologische vader is van het kind. Het verzoek tot gegrondverklaring door de moeder moet worden ingediend binnen een jaar na de geboorte van het kind.

De moeder heeft het verzoek op 19 november 2019 ingediend. Dit is na het verloop van de wettelijke termijn. De moeder kan dan ook niet worden ontvangen in haar verzoek.

De bijzondere curator heeft in zijn bevindingen en met de aanvulling hierop tijdens de mondelinge behandeling, te kennen gegeven een toewijzing van het verzoek in het belang van de minderjarige te achten. De rechtbank ziet hierin voldoende grond om aan te nemen dat de bijzondere curator het verzoek van de moeder overneemt.

3.1.8.

Uit het IND-rapport van 23 oktober 2015 blijkt dat de moeder, zonder de juridische vader, naar Nederland is gekomen. Volgens de moeder was de juridische vader een jaar eerder naar Sudan gevlucht. Naar de rechtbank begrijpt is er sindsdien geen enkel contact meer geweest tussen hen en weet de moeder niet waar hij verblijft. De moeder wijst [naam] aan als verwekker van de minderjarige.

Overigens lijkt de relatie met hem problematisch, gezien de betrokkenheid van Stichting Arosa bij de moeder. Desondanks hoopt de moeder dat hij eerdere toezeggingen om de minderjarige te erkennen, zal nakomen.

3.1.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende komen vast te staan dat de juridische vader niet tevens de biologische vader is van de minderjarige. Gelet daarop zal de ontkenning van het vaderschap gegrond worden verklaard.

3.1.10.

Voor zover de bijzondere curator het verzoek van de moeder overneemt om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, zal dat verzoek worden afgewezen, omdat de gegrondverklaring van de ontkenning van het vaderschap eerst rechtsgevolg krijgt indien de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan.

3.2.

Proceskosten

3.2.1.

Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart gegrond de ontkenning van het vaderschap van:

  • -

    [naam vader] , geboren in [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

  • -

    ten aanzien van de minderjarige [naam kind] , geboren op [geboortedatum kind] 2017 te [geboorteplaats kind] ;

4.2.

gelast de griffier een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam op voet van het bepaalde in artikel 1:20e lid 1 BW;

4.3.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van griffier mr. M. Ligthart op 9 juni 2021.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden moeten het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak instellen. Andere belanghebbenden moeten het beroep instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.