Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5689

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
C/10/618016 / KG ZA 21-348
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG. Geschil in conventie en reconventie tussen ex-echtelieden over de verkoop en verdeling van de echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/618016 / KG ZA 21-348

Vonnis in kort geding van 18 juni 2021

in de zaak van

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. H. Durdu te Rotterdam,

tegen

[persoon B] ,

wonende te [woonplaats B] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. S. Kranendonk te Dordrecht.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 20 mei 2021;

  • -

    de 9 producties van de vrouw;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie;

  • -

    de 10 producties van de man;

  • -

    de mondelinge behandeling op 4 juni 2021;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Op 18 maart 2009 zijn partijen een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij akte van 5 april 2013, opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Rotterdam, is het geregistreerd partnerschap omgezet in een huwelijk.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar van de woning gelegen aan de [adres] te Barendrecht (hierna: de woning).

2.3.

Bij beschikking van 22 oktober 2018 heeft deze rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en daarbij bepaald dat het tussen partijen overeengekomen convenant en ouderschapsplan deel uitmaken van de beschikking. De beschikking is op 14 november 2018 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.4.

In het convenant is, voor zover relevant, het volgende vermeld:

“(…)

Artikel 3. DE ECHTELIJKE WONING EN DAARMEE VERBAND HOUDENDE RECHTEN EN LASTEN

(…)

3.2

De in art. 3.1 genoemde onroerende zaak wordt voor de daaraan volgens het taxatierapport van 23 augustus 2018 van Van der Elst Makelaardij toegekende waarde van € 535.000,00 toegedeeld aan de man, onder de opschortende voorwaarde zoals vermeld in art. 3.4.

3.3

Op de in art. 3.1 genoemde onroerende zaak rusten schulden uit hoofde van hypothecaire geldleningen, afgesloten bij Rabobank, kantoorhoudende te Rotterdam.

Het betreft de volgende hypothecaire leningen:

(…)

De totale restanthoofdsom van de genoemde hypothecaire geldleningen bedraagt per

1 september 2018 € 511.046,04. Vanaf 1 september 2018 neemt de man op zich om bij uitsluiting van de vrouw alle uit deze hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen als eigen schuld te voldoen.

3.4

Toedeling van de in artikel 3.1 genoemde woning aan de man geschiedt onder de opschortende voorwaarde dat de in artikel 3.3 genoemde hypotheeknemer de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de in artikel 3.3 genoemde hypotheekschulden.

3.5

Partijen komen overeen dat de man tot 31 maart 2019 de gelegenheid krijgt de hypothecaire leningen over te nemen waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze hypothecaire leningen.

Indien de bank op 31 maart 2019 nog niet bereid is de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan, dan zullen partijen uiterlijk 14 april 2019 de in artikel 3.1 genoemde woning ter verkoop aanbieden middels het verstrekken van een opdracht tot bemiddeling bij de verkoop van de woning aan een makelaar.

De makelaarskosten en eventuele overige verkoopkosten komen voor rekening van partijen ieder voor de helft. Met de opbrengst van de woning zullen de hypothecaire leningen worden afgelost. Van de alsdan resterende opbrengst komt aan de man toe: het bedrag aan aflossingen op de hypothecaire leningen over de periode vanaf 2 september 2018 tot en met de datum van levering van de woning aan derden. De overige opbrengst wordt bij helfte tussen partijen verdeeld.

3.6

Partijen geven hierbij opdracht aan notaris mr. H.C. Schuurman te Barendrecht of diens plaatsvervanger om, zo mogelijk binnen één maand na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een notariële akte te verlijden waarbij de in art. 3.1 genoemde onroerende zaak goederenrechtelijk aan de man wordt geleverd. De kosten van deze akte en de verdere kosten verbonden aan de inschrijving komen voor rekening van de man.

3.7

Ten gevolge van de toedeling van de onverdeelde helft van de hiervoor in art. 3.1 genoemde onroerende zaak, wordt de man overbedeeld voor een bedrag van € 11.976,98. Ter verwerving van die onverdeelde helft van de woning, dient de man derhalve aan de vrouw uit te betalen de somma van € 11.976,98. Het bedrag van € 11.976,98 zal worden voldaan op de wijze zoals uiteengezet in de artikelen 4.3.14 en 4.3.15.

3.8

Met betrekking tot de volgende lasten van de echtelijke woning: hypotheekrente, aflossingen op de hypothecaire leningen, aanslag WOZ, opstalverzekering, onderhoudslasten van de woning, komen partijen overeen dat deze met ingang van 1 september 2018 voor rekening van de man komen.

Artikel 4. VERDELING OVERIGE VERMOGENSBESTANDDELEN VAN DE HUWELIJKS GEMEENSCHAP

Peildatum

4.1

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen. Zij nemen als peildatum voor de samenstelling en de waardering van de gemeenschap 1 september 2018.

De waardestijgingen en/of –dalingen komen vanaf de in dit artikel genoemde peildatum volledig ten goede aan / ten laste van degene aan wie de vermogensbestanddelen worden toegedeeld ingevolge het in dit convenant bepaalde.

(…)

Totale overbedelingsvordering

4.3.14

Uit hoofde van bovenstaande verdeling is de man aan de vrouw een bedrag wegens

overbedeling verschuldigd van € 45.267,98, bestaande uit:

€ 11.976,98 o.g.v. artikel 3.7;

€ 26.289,50 o.g.v. artikel 4.3.7;

€ 2.500,00 o.g.v. artikel 4.3.9;

€ 5.000,00 o.g.v. artikel 4.3.1 0;

minus € 498,50 o.g.v. artikel 4.3.13.

4.3.15

Met betrekking tot het in artikel 4.3.14 genoemde bedrag van € 45.267,98 zijn partijen

overeengekomen dat man dit bedrag aan de vrouw schuldig blijft en dat deze schuld wordt omgezet in een geldlening.

De man betaalt met ingang van 1 november 2018 aan de vrouw een bedrag van € 500,00 per maand ter aflossing op het openstaande bedrag.

Daarnaast zal de man uiterlijk 1 december 2018 een bedrag van € 10.000.00 ineens aan de vrouw voldoen ter aflossing op het opstaande bedrag.

De hoofdsom is opeisbaar op 30 september 2024. Voorts is de hoofdsom terstond in zijn geheel, zonder enige voorafgaande ingebrekestelling of waarschuwing opeisbaar:

(…)

d. bij verkoop van de woning aan de [adres] te ( [postcode] ) Barendrecht door de man aan derden.

(…)

Artikel 7. KWIJTING EN VRIJWARING

(…)

7.2

Partijen verklaren dat zij de in dit convenant vermelde waarde van de te verdelen, vermogensbestanddelen naar beste weten hebben vastgesteld / doen vaststellen. Waardestijgingen en –dalingen komen ten goede aan, respectievelijk ten laste van degene die aan wie een vermogensbestanddeel is toegedeeld.

(…)”

2.5.

Bij e-mail van 1 maart 2021 heeft de vrouw het volgende medegedeeld aan de man:

“In het echtscheidingsconvenant hebben wij destijds opgenomen dat de hypotheek voor de woning aan de [adres] in Barendrecht, uiterlijk op 31 maart 2019 op jouw naam gezet zou worden. Mocht dit niet gelukt zijn, dan zou uiterlijk 14 april 2019 het huis in de verkoop gaan.

Je hebt mij na 31 maart 2019 bericht dat je ermee bezig was bij de bank en dat je wat meer tijd nodig had om de woning op jouw naam over te zetten. Inmiddels zijn wij 2 jaar verder en staat de hypotheek en dus de woning nog steeds op mijn naam, heb ik van de Rabobank begrepen.

Via deze weg stel ik je in de gelegenheid om binnen 14 dagen de hypotheek op jouw naam te zetten, omdat dit al veel te lang op zich laat wachten. Mocht dit niet gelukt zijn, dan ben ik genoodzaakt om juridische stappen te ondernemen of een makelaar in te schakelen. Graag verwijs ik je naar artikel 3.5 in het echtscheidingsconvenant.”

2.6.

Bij e-mail van 3 maart 2021 heeft de man aan de vrouw medegedeeld dat hij druk bezig is om de hypotheek voor elkaar te krijgen, dat dat niet gaat lukken binnen twee weken en dat hij haar op de hoogte zal houden.

2.7.

Bij e-mail van 24 maart 2021 heeft de man aan de vrouw medegedeeld dat de hypotheek inmiddels is geregeld en dat hij haar in de loop van volgende week verder zal informeren.

2.8.

Bij e-mail van 14 april 2021 heeft de door de man ingeschakelde notaris (Van der Straaten Notarissen) een kopie van de overeenkomst tot verdeling en een geldig legitimatiebewijs van partijen opgevraagd ten behoeve van “het opmaken van de akte van verdeling en de hypotheekakte”.

2.9.

Bij e-mail van 15 april 2021 heeft de vrouw aan de notaris medegedeeld dat hij zijn werkzaamheden niet hoeft voort te zetten, aangezien zij niet akkoord gaat met de overname van de woning door de man via deze weg.

3. Het geschil in conventie

3.1.

De vrouw vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de man te veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning gelegen aan de [adres] te Barendrecht aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:

a. binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met een makelaar onder de voor een NVM-makelaar gebruikelijke voorwaarden;

b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto's en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;

c. dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst op eerste verzoek van de vrouw, indien en voor zover:

- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij

- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal 2 maanden na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en

- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;

d. dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;

e. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan de man toekomende aandeel in de overwaarde;

II. te bepalen dat, indien de man niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e­mail, binnen twee dagen voldoet aan enige verplichting tot het verlenen van medewerking als bedoeld in I. onder b. een dwangsom verschuldigd is van € 250,00 per overtreding en van € 250,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 10.000,00;

III. te bepalen dat, indien de man niet tijdig voldoet aan hetgeen is bepaald in I. onder a., c. en d., het vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van het deel van de schriftelijke bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst of de notariële akte van levering, waaruit moet blijken van de wilsverklaring van de man dat hij opdracht geeft tot bemiddeling, de woning (mede) verkoopt c.q. (mede) levert aan de koper;

IV. de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

3.2.

De man voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. Het geschil in reconventie

4.1.

De man vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. de vrouw te veroordelen binnen één week na de betekening van het te wijzen vonnis haar medewerking te verlenen aan notariële levering/toedeling van de woning aan de man door levering van haar onverdeelde aandeel aan de man, onder de voorwaarde dat de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld, waarbij de man gehouden is tot betaling van de kosten die gemoeid zijn met deze levering/toedeling en met het ontslag;

  2. te bepalen dat dit vonnis, zo nodig in de plaats treedt van de rechtshandelingen die de vrouw dient te verrichten in verband met de notariële levering/toedeling van de woning aan de man;

  3. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.2.

De vrouw voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5. De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Partijen twisten in de kern over de vraag of bij de berekening van het aandeel van de vrouw in de verdeling van de woning rekening moet worden gehouden met de waarde van de woning op de overeengekomen peildatum van 1 september 2018 dan wel op de datum van verkoop (tegen de huidige marktwaarde).

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de man niet heeft voldaan aan de opschortende voorwaarde van artikel 3.3 van het convenant, zodat de woning nu dient te worden verkocht conform artikel 3.5. Nu het aan de man te wijten is dat de woning nog steeds onverdeeld is en de woning in de tussentijd in waarde aanzienlijk is gestegen, dient de man mee te werken aan de verkoop van de woning (ofwel aan hemzelf ofwel aan een derde), waarbij de vrouw recht heeft op de helft van de actuele overwaarde.

Daartegenover meent de man dat partijen altijd de bedoeling hebben gehad dat de man in de woning zou blijven en die zou overnemen van de vrouw, uitgaande van de waarde op de afgesproken peildatum. De man mocht erop vertrouwen dat die afspraak ook na de datum van 31 maart 2019 nog gold. De vrouw heeft tot haar e-mail van 1 maart 2021 nimmer aan de man om nakoming van het convenant gevraagd. De in die mail gegeven termijn is onredelijk. Inmiddels heeft de man de financiering kunnen regelen en kunnen partijen het een en ander bij de notaris afhandelen. De man meent dat voor de waardering van de gemeenschap de peildatum van 1 september 2018 geldt en, indien dat niet zo is, dat hij in de periode na de echtscheiding diverse kostenposten van de vrouw voor zijn rekening heeft genomen, die dienen te worden verrekend.

5.2.

In de onderhavige procedure gaat het echter niet om de verdeling van de overwaarde op de woning. Dat is niet gevorderd en kan overigens ook niet binnen de beperkte kaders van een kort geding worden vastgesteld. De vorderingen, zowel in conventie als in reconventie, zien op de vraag of en, zo ja, de wijze waarop de woning moet worden verkocht en hoe de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid wordt ontslagen. Het spoedeisend belang van partijen, zowel in conventie als in reconventie, vloeit voort uit de aard van de vorderingen.

5.3.

Vaststaat dat partijen zijn overeengekomen dat de woning aan de man wordt toebedeeld onder de opschortende voorwaarde dat de hypotheeknemer, de Rabobank, de vrouw ontslaat uit haar hoofdelijke verplichtingen met betrekking tot de hypotheekschulden. In het convenant is aan de man een termijn tot 31 maart 2019 gegeven om de hypothecaire lening volledig over te nemen. De man heeft die datum niet gehaald, maar na het verstrijken van die termijn heeft de vrouw ook geen actie ondernomen om de woning uiterlijk 14 april 2019 in de verkoop te zetten, zoals vermeld in artikel 3.5 van het convenant. De vrouw stelt in dat kader dat zij de man extra tijd heeft gegeven om de financiering alsnog rond te krijgen. Kennelijk heeft zij hem enkele malen aangesproken en gevraagd naar de stand van zaken, maar daar is het bij gebleven. Verder geldt dat de man uitvoering heeft gegeven (en dat nu nog steeds doet) aan de afbetaling van het bedrag aan overbedeling dat aan de vrouw toekomt conform artikel 4.3.14 en 4.3.15 van het convenant. Onder die omstandigheden mocht de man, zoals hij terecht stelt, er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hem een langere tijd werd gegund om de woning van de vrouw over te nemen. Eerst op 1 maart 2021 heeft de vrouw de man formeel aangesproken en hem daarbij een termijn van 14 dagen gegeven om de hypotheek op zijn naam te zetten, bij gebreke waarvan zij juridische stappen zou ondernemen of een makelaar zou inschakelen. Twee dagen later heeft de man de vrouw laten weten dat hij bezig is met het rondkrijgen van de hypotheek, op 24 maart 2021 (dus circa 3 weken later) deelt de man mee dat de hypotheek is geregeld en medio april 2021 heeft de notaris stukken opgevraagd bij partijen voor het verlijden van de benodigde aktes. Aldus heeft de man na 1 maart 2021 voldoende voortvarend gehandeld. Aan de door de vrouw gegeven termijn van 14 dagen wordt voorbij gegaan, nu dat in de gegeven omstandigheden geen redelijke termijn is.

Daarnaast wordt in aanmerking genomen dat beide partijen ter zitting te kennen hebben gegeven er de voorkeur aan te geven dat de man in de woning kan blijven wonen met de kinderen. Het belang van de vrouw is gelegen in het ontslag uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypotheekschuld en de verdeling van de actuele overwaarde op de woning. Los daarvan, zo begrijpt de voorzieningenrechter, maakt het de vrouw niet uit of de woning aan een derde wordt verkocht dan wel of de man de woning van haar overneemt.

5.4.

Tegen die achtergrond en gelet op de stelling van de man dat de financiering in principe rond is, ziet de voorzieningenrechter voldoende grond om de man een laatste termijn van vier weken te verlenen om de hypothecaire leningen over te nemen, waarbij de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor die leningen.

Dat brengt met zich dat de vrouw in reconventie wordt veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de levering van haar onverdeelde aandeel in de woning aan de man, onder de voorwaarde dat de hypothecaire leningen (zoals bedoeld in artikel 3.3 van het convenant) uiterlijk op 16 juli 2021 worden overgenomen door de man en de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor. De kosten van de levering en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid komen voor rekening van de man. Indien de vrouw niet voldoet aan deze veroordeling, zal dit vonnis in de plaats treden van de wilsverklaring van de vrouw met betrekking tot de notariële levering van de woning aan de man.

5.5.

Voor het geval dat op 17 juli 2021 de hypothecaire leningen niet volledig zijn overgenomen door de man en de vrouw dan niet is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor, wordt de man in conventie veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en de levering van de woning aan (een) derde(n) op de wijze zoals in het dictum geformuleerd. De door de vrouw onder II. gevorderde dwangsom, verbonden aan de van de man te vergen medewerking aan een gunstig verkoopproces, wordt toegewezen maar beperkt. Indien de man in gebreke blijft medewerking te verlenen aan de totstandkoming van de bemiddelingsovereenkomst, de koopovereenkomst en/of de leveringsakte, treedt dit vonnis – zoals gevorderd onder III. – in de plaats van de wilsverklaring van de man daartoe.

5.6.

De voorzieningenrechter benadrukt nogmaals dat in dit kort geding geen oordeel is gegeven over de wijze waarop de (verdere) verdeling van de gemeenschap dient plaats te vinden. De vraag of de vrouw in de onderhavige omstandigheden recht heeft op de helft van de actuele overwaarde op de woning en in dat verband welke peildatum dient te worden gehanteerd voor de waardering van de woning in het kader van de verdeling alsook de vraag in hoeverre de door de man gestelde verrekeningsposten invloed hebben op de verdeling, dienen in een bodemprocedure te worden beoordeeld. Verwacht wordt dat bij die beoordeling niet alleen de uitleg van het convenant conform het Haviltex-criterium van belang zal zijn, maar ook de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW die partijen als deelgenoten van een gemeenschap jegens elkaar hebben te betrachten.

5.7.

Nu partijen voorheen in een affectieve relatie tot elkaar stonden, zullen de proceskosten – zowel in conventie als in reconventie – tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

6.1.

veroordeelt de man, onder de voorwaarde dat op 17 juli 2021 de hypothecaire leningen (zoals bedoeld in artikel 3.3 van het convenant) niet volledig zijn overgenomen door de man en de vrouw dan niet is ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor, om zijn medewerking te verlenen aan de verkoop en levering van de woning gelegen aan de [adres] te Barendrecht aan (een) derde(n), waartoe hij in ieder geval:

a. binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis samen met de vrouw een schriftelijke bemiddelingsovereenkomst tot verkoop dient aan te gaan met een makelaar onder de voor een NVM-makelaar gebruikelijke voorwaarden;

b. de verkoopadviezen van de makelaar op eerste verzoek van de vrouw op zal volgen, waaronder de adviezen ten aanzien van de te hanteren marktconforme vraag- en laatprijs, en alle medewerking zal verlenen aan die werkzaamheden die nodig zijn voor een gunstig verkoopproces, waaronder het gelegenheid bieden voor het maken van foto's en bezichtigingen door de makelaar met potentiële kopers, waarbij de woning in een zoveel mogelijk presentabele staat dient te verkeren;

c. dient mee te werken aan de ondertekening van een schriftelijke koopovereenkomst op eerste verzoek van de vrouw, indien en voor zover:

- de verkoop plaatsvindt tegen minimaal de door de makelaar bepaalde laatprijs, dan wel een door partijen overeengekomen andere laatprijs, en waarbij

- een opleverdatum van de woning wordt afgesproken van minimaal 2 maanden na de ondertekening van de verkoopovereenkomst, of korter dan wel langer indien partijen dat schriftelijk overeenkomen, en

- de koopovereenkomst – voor een woning als deze – gebruikelijke condities bevat;

d. dient mee te werken aan de levering van de woning op de dag bepaald in de koopovereenkomst of een in afwijking daarvan nader met de koper overeen te komen dag;

e. 50% bijdraagt in alle kosten verband houdend met de verkoop en levering, waaronder met name is begrepen de bemiddelingsvergoeding van de makelaar, welke bijdrage zal kunnen worden verrekend met het aan de man toekomende aandeel in de overwaarde;

6.2.

veroordeelt de man om aan de vrouw een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet, na schriftelijke sommatie of sommatie per e­mail, binnen twee dagen voldoet aan de in 6.1. onder b. uitgesproken veroordeling, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;

6.3.

bepaalt dat, indien de man niet voldoet aan de in 6.1. onder a., c. of d. uitgesproken veroordeling, dit vonnis op de voet van artikel 3:300 lid 2 BW in de plaats treedt van de wilsverklaring van de man voor de totstandkoming van de bemiddelingsovereenkomst, de schriftelijke koopovereenkomst en/of de notariële akte van levering;

6.4.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

6.7.

veroordeelt de vrouw om haar medewerking te verlenen aan de levering van haar onverdeelde aandeel in de woning aan de man, onder de voorwaarde dat de hypothecaire leningen (zoals bedoeld in artikel 3.3 van het convenant) uiterlijk op 16 juli 2021 worden overgenomen door de man en de vrouw wordt ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid daarvoor;

6.8.

verstaat dat de kosten van de levering en het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor rekening komen van de man;

6.9.

bepaalt dat, indien de vrouw niet voldoet aan de in 6.7. uitgesproken veroordeling en de daarin opgenomen voorwaarde is vervuld, dit vonnis in de plaats treedt van de wilsverklaring van de vrouw voor de totstandkoming van de notariële levering van haar onverdeelde aandeel in de woning aan de man;

6.10.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.11.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

6.12.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th. Veling en in het openbaar uitgesproken door mr. P. de Bruin op 18 juni 2021.

2091 / 1980