Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5679

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
28-05-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
8817874 CV EXPL 20-36424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Zorgverzekeringszaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8817874 CV EXPL 20-36424

uitspraak: 28 mei 2021

vonnis in verzet van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

AnderZorg N.V.,

gevestigd te Wageningen,

oorspronkelijk eiseres,

gedaagde in het verzet,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders,

tegen

[persoon A] ,

wonende te [woonplaats A] , gemeente [gemeente A]

oorspronkelijk gedaagde,

eiser in het verzet,

gemachtigde: mr. G. Grijs.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘AnderZorg’ en ‘ [persoon A] ’.

1. Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  1. de inleidende dagvaarding van 14 augustus 2007;

  2. het verstekvonnis van 21 september 2007;

  3. de conclusie van antwoord in oppositie, tevens houdende vermindering van eis, met producties;

  4. de conclusie van repliek in oppositie.

Het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1

Bij verstekvonnis van 21 september 2007 (zaaknummer 824886 CV EXPL 07-23952) is [persoon A] veroordeeld tot betaling aan AnderZorg van € 403,77, met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven.

3. Het geschil

3.1

AnderZorg vordert bij dagvaarding dat [persoon A] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot betaling aan AnderZorg van een bedrag van € 403,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over een bedrag van € 297,30 vanaf 24 juli 2007 tot aan de dag van algehele voldoening, met veroordeling van [persoon A] in de proceskosten.

3.2

AnderZorg legt nakoming van de verplichtingen uit de overeenkomst ten grondslag. [persoon A] is gehouden om premie en eventueel voorgeschoten maar niet voor vergoeding in aanmerking komende zorgkosten te betalen. [persoon A] heeft niet aan deze verplichting voldaan voor de periodes augustus, september en oktober 2006. De achterstand bedraagt inclusief rente en kosten € 403,77.

3.3

AnderZorg heeft bij antwoord in oppositie haar eis verminderd met € 442,28.

3.4

[persoon A] heeft zich tegen de vordering verweerd. Hierop wordt voor zover van belang in deze procedure in het navolgende ingegaan.

4. De beoordeling

4.1

[persoon A] betwist een zorgverzekering te hebben afgesloten bij AnderZorg. Hij heeft zijn standpunt echter niet toegelicht. Zo heeft [persoon A] niet geschreven waar hij dan wel verzekerd was, terwijl het hebben van een zorgverzekering verplicht is. Hij heeft ook niet uitgelegd hoe het kan dat hij kennelijk wel de premie voor de andere maanden heeft betaald of waarom hij bij AnderZorg is aangemeld. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat [persoon A] bij AnderZorg verzekerd was.

4.2

AnderZorg heeft niet aangetoond dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn verklaard op de overeenkomst. De kantonrechter zal de algemene voorwaarden daarom buiten toepassing laten. Dat heeft tot gevolg dat niet vast is komen te staan dat de premie bij vooruitbetaling moest worden voldaan. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf de dag van dagvaarding. Voor het overige zijn de vorderingen van AnderZorg niet op de algemene voorwaarden gebaseerd. De precontractuele informatieverplichtingen waar [persoon A] op wijst, gelden – zoals AnderZorg terecht aanvoert – pas vanaf 13 juni 2014, zodat hetgeen [persoon A] hierover aanvoert niet aan de orde is in deze procedure.

4.3

Anders dan [persoon A] stelt, volgt al uit de dagvaarding dat de vordering van AnderZorg ziet op de maandpremies voor de basis- en aanvullende verzekering voor de maanden september tot en met oktober 2006. Daar in het voorgaande is geoordeeld dat tussen partijen een overeenkomst bestaat en [persoon A] niet heeft gesteld en onderbouwd dat hij de verschuldigde premie heeft betaald, is [persoon A] de gevorderde premie nog verschuldigd. Dat [persoon A] inmiddels in bewijsnood is geraakt, kan niet aan Anderzorg worden tegengeworpen. De dagvaarding is destijds juist betekend; dat [persoon A] destijds geen verweer heeft gevoerd, komt voor zijn rekening. De vordering wordt dan ook toegewezen. Op het toegewezen bedrag worden de inhoudingen ten gevolge van de beslaglegging in mindering gebracht.

4.4

Wat betreft de gevorderde wettelijke rente voert [persoon A] aan dat de vordering op grond van artikel 3:324 lid 3 BW is verjaard. [persoon A] heeft dit verweer pas bij repliek in oppositie gevoerd, waardoor AnderZorg hierop niet meer heeft kunnen reageren. Dit is in strijd met de goede procesorde, zodat aan dit verweer voorbij wordt gegaan. De rente zal worden toegewezen zoals hierna vermeld.

4.5

De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal – mede gelet op de aanbevelingen van het Rapport BGK – integraal worden afgewezen. AnderZorg heeft immers nagelaten een omschrijving te geven van de verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan AnderZorg vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

4.6

[persoon A] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op de betalingen die hij inmiddels via het derdenbeslag al aan AnderZorg heeft gedaan, leidt dit ertoe dat hij nog moet betalen: € 297,30 (de oorspronkelijke hoofdsom + € 234,31 (proceskosten veroordeling verstekprocedure) + € 37,- (salaris voor de gemachtigde in deze verzetprocedure) -/- € 442,28 aan betalingen = € 126,33.

5. De beslissing

De kantonrechter:

verklaart het verzet ten dele gegrond, vernietigt het verstekvonnis van 21 september 2007, en opnieuw rechtdoende;

veroordeelt [persoon A] aan AnderZorg te betalen de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 297,30 vanaf 24 juli 2007 tot en met 30 september 2020;

veroordeelt [persoon A] aan AnderZorg te betalen een bedrag van € 126,33, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 1 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.H. Poiesz en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

41645