Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5639

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
8995103
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling openstaande factuurbedragen, verweer dat opdrachtgever gedaagde niet betaalt kan niet worden tegengeworpen aan eiser en is niet onderbouwd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8995103 \ CV EXPL 21-4056

uitspraak: 18 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser],

eiser,

gemachtigde: mr. A. Karacelik te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] h.o.d.n. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde,

procederend in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiser]’ respectievelijk ‘[gedaagde]’.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 15 januari 2021, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde];

  • -

    het tussenvonnis van 22 februari 2021 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. Aan de zijde van [eiser] is verschenen mr. A. Karacelik als gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, zonder tegenbericht niet verschenen. Van hetgeen is besproken heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

[eiser] heeft in opdracht van [gedaagde] werkzaamheden verricht voor [naam]
(hierna: ‘[naam]’). [eiser] heeft [gedaagde] facturen gestuurd voor zijn werkzaamheden voor een bedrag van in totaal € 4.100,00.

2.2.

[gedaagde] heeft van het onder 2.1 genoemde totaalbedrag een bedrag van € 1.700,00 betaald aan [eiser].

3. Het geschil

3.1.

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen aan hem te betalen € 2.400,00 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over dit bedrag vanaf 5 november 2019, en € 360,00 aan buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering heeft [eiser], naast de vaststaande feiten, – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – ten grondslag gelegd dat [gedaagde] op basis van de tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht is gehouden om de facturen van [eiser] te betalen. Aangezien [gedaagde] dit ondanks aanmaning niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft gedaan, is hij tevens wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke kosten verschuldigd.

3.3.

[gedaagde] heeft als verweer aangevoerd dat [naam] niet tevreden is met de door [eiser] verrichte werkzaamheden en dat [naam] daarom niet aan [gedaagde] betaalde. [gedaagde] heeft [eiser] medegedeeld dat hij even moest wachten op betaling van het resterende bedrag totdat [naam] zou hebben betaald, maar toen heeft [eiser] [gedaagde] bedreigd. Daarnaast voert [gedaagde] aan niet akkoord te zijn met de proceskosten.

4. De beoordeling

Hoofdsom

4.1.

[gedaagde] heeft erkend dat hij een bedrag van € 2.400,00 aan door [eiser] verzonden facturen onbetaald heeft gelaten. De verschuldigdheid van dit bedrag is als zodanig niet betwist door [gedaagde].

4.2.

Het verweer van [gedaagde] is gebaseerd op het uitblijven van betaling door [naam]. Deze kwestie met [naam] is echter aan de orde in de relatie tussen [gedaagde] en [naam], en niet in die tussen [gedaagde] en [eiser]. Dit argument kan zodoende niet worden tegengeworpen aan [eiser]. Daarnaast heeft [eiser] onbetwist aangevoerd dat hij door [gedaagde] niet is aangesproken op eventueel ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden. [gedaagde] heeft zijn verweer ook niet (nader) onderbouwd. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om bijvoorbeeld aan te voeren waarom de werkzaamheden van [eiser] ondeugdelijk zijn uitgevoerd. Nu [gedaagde] heeft nagelaten zijn verweer te onderbouwen, kan zijn verweer niet leiden tot opschorting of (uiteindelijk) verval van zijn betalingsverplichting jegens [eiser]. De hoofdsom is dan ook toewijsbaar voor het bedrag van € 2.400,00.

Wettelijke handelsrente

4.3.

[eiser] maakt aanspraak op wettelijke handelsrente over de hoofdsom, te berekenen vanaf 5 november 2019. Op grond van artikel 6:119a BW is [gedaagde] deze rente verschuldigd vanaf de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling. Uit de door [eiser] overgelegde facturen blijkt dat de laatste factuur dateert van
5 oktober 2019, en dat de betalingstermijn 30 dagen is. [gedaagde] is dus vanaf 5 november 2019 wettelijke handelsrente verschuldigd over de factuurbedragen vanwege het uitblijven van volledige betaling. De gevorderde wettelijke rente is dan ook als onbetwist en op de wet gegrond toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten

4.4.

[eiser] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 360,00. Voor de beoordeling hiervan dient aansluiting te worden gezocht bij het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke kosten. [eiser] heeft [gedaagde] een aanmaning gestuurd en heeft de hoogte van de verschuldigde kosten berekend conform het genoemde besluit. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is zodoende toewijsbaar.

Proceskosten

4.5.

[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [eiser], bestaande uit € 353,98 aan verschotten (€ 240,00 aan griffierecht en € 113,98 aan explootkosten) en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde (twee punten à € 218,00).

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 2.400,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW over dit bedrag vanaf 5 november 2019 tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen kwijting te betalen € 360,00 aan buitengerechtelijke kosten;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 353,98 aan verschotten en € 436,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

48637