Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5634

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
8894813 CV EXPL 20-42976
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huurachterstand, ontbinding en ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8894813 CV EXPL 20-42976

uitspraak: 4 juni 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. M.P. Harten te Rotterdam,

tegen

1. [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

3. [gedaagde 3],

4. [gedaagde 4],

allen wonende te [woonplaats gedaagden],

gedaagden,

van wie gedaagden sub 1, 2 en 4 in persoon zijn verschenen. Gedaagde sub 3 is niet verschenen.

Eiseres wordt hierna aangeduid als ‘[eiseres]’. Gedaagden sub 1, 2 en 4 worden hierna tezamen aangeduid als ‘[gedaagden]’. Gedaagden gezamenlijk worden als ‘gedaagden’ aangeduid.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaarding van 19 november 2020;

• de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van gedaagden sub 1, 2 en 4;

• de rolbeslissing van 5 maart 2021;

• de bij de dagvaarding behorende producties;

• de akte uitlaten na rolbeschikking van de zijde van [eiseres], met daarin opgenomen een wijziging van eis.

1.2.

[gedaagden] zijn in de gelegenheid gesteld te reageren op de akte van [eiseres]. Van deze gelegenheid hebben [gedaagden] echter geen gebruik gemaakt. De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis vervolgens nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1.

Gedaagden huren van [eiseres] de woning aan het [adres] (hierna: “het gehuurde”), tegen een huurprijs van laatstelijk € 1.492,58 per maand, welk bedrag uiterlijk de eerste dag van de maand bij vooruitbetaling dient te worden voldaan.

2.2.

In de betaling van de huur is een achterstand ontstaan.

3. Het geschil

3.1.

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

A. ontbinding van de huurovereenkomst;

B. gedaagden te veroordelen het gehuurde binnen 3 dagen na de betekening van dit vonnis met al het hunne en de hunnen te ontruimen en ter vrije beschikking aan [eiseres] te stellen met afgifte van sleutels, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag of gedeelte daarvan dat gedaagden hiermee in gebreke blijven;

C. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen aan [eiseres] te betalen met ingang van 1 december 2020 een bedrag van € 1.492,58 voor elke maand dat gedaagden het gehuurde in gebruik hebben tot aan de dag van ontruiming;

D. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiseres] te betalen € 8.112,90 aan huurachterstand berekend tot en met de maand november 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente van € 39,83 berekend tot aan 19 november 2020, en vervolgens vanaf de datum van dagvaarding berekend over de hoofdsom tot aan de dag der algehele voldoening;

E. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 974,84 aan buitengerechtelijke incassokosten op de voet van artikel 6:96 BW, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding;

F. gedaagden hoofdelijk, des dat de één betalende de anderen zullen zijn bevrijd, te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt.

3.2.

[eiseres] heeft nakoming van de huurovereenkomst aan haar vordering tot betaling van de achterstallige huurpenningen ten grondslag gelegd. Gedaagden hebben over de periode 1 juni 2020 tot en met november 2020 een huurachterstand van € 8.112,90 laten ontstaan. Dit rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Over het openstaande bedrag aan huurachterstand zijn gedaagden wettelijke rente vanaf de verzuimdata verschuldigd. Nu gedaagden ook na de zogenaamde 14-dagenbrieven die [eiseres] hen op 2 juli en 3 september 2020 heeft gestuurd de vordering niet volledig hebben betaald, zijn zij tevens een bedrag van € 974,84 aan buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd geworden.

3.3.

[gedaagden] hebben de vordering niet betwist. Zij hebben aangevoerd dat zij door de corona crisis geen werk meer hebben. Zij proberen de achterstand in te lopen. Gedaagde sub 4 heeft voorts aangevoerd dat hij niet meer woonachtig is in het gehuurde.

3.4.

Bij akte uitlaten na rolbeschikking heeft [eiseres] haar vordering gewijzigd. Zij heeft aangevoerd na de dagvaarding een bedrag van – in totaal – € 1.500,- ontvangen te hebben, welk bedrag in mindering strekt op haar vordering. Voorts heeft zij gesteld dat de huur over de maanden december 2020 en januari 2021 ten bedrage van – in totaal – € 2.985,16 onbetaald is gelaten. Per saldo maakt zij aanspraak op € 9.598,06 aan achterstallige huur tot en met januari 2021. Het aanbod van [gedaagden] om de achterstand met € 500,- per week in te lopen is voor [eiseres] niet acceptabel.

4. De beoordeling

4.1.

Tegen gedaagde sub 3 is verstek verleend. Nu gedaagden sub 1, 2 en 4 wel in de procedure zijn verschenen, wordt één vonnis gewezen dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.

4.2.

Zolang nog geen eindvonnis is gewezen, kan de eiser te allen tijde zijn eis verminderen (artikel 129 van Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: Rv). Op grond van artikel 130 Rv is de eiser bevoegd zijn eis of de gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte ter rolle, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op de grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van een goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten. Indien een partij niet in het geding is verschenen, is een verandering of vermeerdering van eis tegen die partij uitgesloten, tenzij de eiser de verandering of vermeerdering van eis tegen die partij tijdig bij exploot kenbaar heeft gemaakt.

4.3.

Gedaagde sub 3 is niet in het geding verschenen. Voor zover de eis is verminderd geldt dat dit op grond van artikel 129 Rv is toegestaan. Voor zover de wijziging van de vordering ziet op de huur over december 2020 en januari 2021 betreft dit feitelijk geen verandering/vermeerdering van eis, nu in de oorspronkelijke dagvaarding ook reeds de lopende huur vanaf december 2020 is gevorderd. De kantonrechter zal daarom ten aanzien van alle gedaagden beslissen op de gewijzigde eis.

4.4.

Ten aanzien van gedaagde sub 3 wordt als volgt overwogen. De vordering is op de wet gegrond en zal dan ook worden toegewezen, behoudens voor zover hierna niet anders blijkt.

4.5.

Als niet, althans onvoldoende gemotiveerd betwist staat tussen partijen vast dat [gedaagden] een huurachterstand van € 9.598,06 berekend tot en met de maand januari 2021 hebben laten ontstaan. De door [gedaagden] gestelde financiële omstandigheden, hoe moeilijk ook, ontslaan hen niet van hun betalingsverplichtingen jegens [eiseres]. Dat gedaagde sub 4 niet meer in de woning woont maakt dit niet anders. Als partij bij de huurovereenkomst is hij gehouden tot nakoming van daaruit voortvloeiende verplichtingen, zoals het (tijdig) betalen van de huurpenningen.

4.6.

Nu [gedaagden] de maandelijkse huurpenningen niet tijdig (volledig) hebben voldaan, zijn zij in verzuim geraakt en als gevolg daarvan de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW verschuldigd geworden. [eiseres] heeft onbetwist gesteld dat de wettelijke rente tot 19 november 2020 € 39,83 bedraagt. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen. De wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding zal worden toegewezen als in het dictum van dit vonnis bepaald.

4.7.

[eiseres] maakt tevens aanspraak op een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van € 974,84. Voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten is vereist dat aan gedaagden na het intreden van het verzuim een aanmaning is verstuurd waarin zij vruchteloos zijn aangemaand tot betaling binnen een termijn van 14 dagen, aanvangende de dag na de aanmaning (artikel 6:96 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). [eiseres] heeft twee aanmaningen (van 2 juli en 3 september 2020) overgelegd. Deze aanmaningen voldoen aan de in artikel 6:96 lid 6 BW genoemde vereisten en niet gesteld of gebleken is dat gedaagden deze niet hebben ontvangen. Het gevorderde bedrag is niet hoger dan het bedrag dat voortvloeit uit de tarieven zoals vermeld in het Besluit normering buitengerechtelijke kosten. Dit zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is niet toewijsbaar, nu niet is gesteld of gebleken dat de kosten voor dagvaarding dan wel voor de ingebrekestelling door eisende partij zijn betaald aan de gemachtigde.

4.8.

Als de huurder zijn verplichting om tijdig de huur betalen niet nakomt, mag de verhuurder de rechter vragen om de huurovereenkomst te ontbinden (artikel 6:265 BW). De rechter wijst deze vordering alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Daarbij wordt wel als uitgangspunt genomen dat een huurachterstand van meer dan drie maanden ontbinding rechtvaardigt, maar de rechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen (zie HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810).

4.9.

Bij dagvaarding bedroeg de huurachterstand ruim vijf maanden. Gedaagden hebben gedurende deze procedure weliswaar € 1.500,- afgelost, maar [gedaagden] hebben niet betwist dat de achterstand per saldo is opgelopen doordat de huur over december 2020 en januari 2021 niet is betaald. Deze omstandigheden rechtvaardigen de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde. Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal op veertien dagen worden gesteld.

4.10.

Gedaagden zullen tevens worden veroordeeld om het bedrag van € 1.492,58 aan [eiseres] te betalen, vanaf 1 februari 2021 tot de datum van ontbinding ten titel van huur en nadien tot aan de dag van ontruiming ten titel van gebruiksvergoeding.

4.11.

De door [eiseres] gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. De enkele stelling van [eiseres] dat “doorgaans” eens per 14 dagen een zogenaamde “ontruimingsronde” wordt georganiseerd, is onvoldoende concreet om in de gegeven omstandigheden het opleggen van een dwangsom te rechtvaardigen.

4.12.

[eiseres] is niet akkoord gegaan met het voorstel van [gedaagden] tot het treffen van een betalingsregeling van € 500,- per maand naast de lopende huurtermijnen. Ingevolge artikel 6:29 BW heeft de kantonrechter niet de bevoegdheid om [eiseres] een betalingsregeling op te leggen. Indien gewenst kunnen partijen hierover (nogmaals) met elkaar in overleg treden.

4.13.

Gedaagden zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

5. De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

ontbindt de huurovereenkomst tussen partijen ten aanzien van het gehuurde gelegen aan het [adres] en veroordeelt gedaagden om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle personen en zaken die zich vanwege gedaagden daar bevinden en het gehuurde onder overgave van de sleutels ter beschikking van [eiseres] te stellen;

5.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 9.637,89 (€ 9.598,06 aan huurachterstand berekend tot en met januari 2021 plus € 39,83 aan verschenen wettelijke rente ex artikel 6:119 BW), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het saldo dat aan huurachterstand berekend tot en met november 2020 vanaf de dag van dagvaarding, na iedere debet- en creditmutatie, heeft opengestaan tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, aan [eiseres] te betalen met ingang van 1 februari 2021 het bedrag van € 1.492,58 per maand, voor elke maand dat gedaagden de woning in gebruik hebben tot de ontbinding van de huurovereenkomst ten titel van huur en nadien tot aan de dag van ontruiming ten titel van gebruiksvergoeding;

5.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de anderen zullen zijn bevrijd, aan [eiseres] te betalen het bedrag van € 974,84 aan buitengerechtelijke kosten;

5.5.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 338,69 aan verschotten (€ 236,- aan griffierecht en € 102,69 aan dagvaardingskosten) en € 311,- aan salaris voor de gemachtigde; en indien gedaagden niet binnen 14 dagen na vandaag vrijwillig aan het vonnis hebben voldaan, te vermeerderen met € 124,- aan salaris, en de kosten van betekening onder de voorwaarde dat betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW over de nakosten ingaande 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416