Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5628

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-04-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
9096371 VV EXPL 21-132
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding, nakoming betalingsverplichting, verstek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9096371 VV EXPL 21-132

uitspraak: 16 april 2021

vonnis in kort geding van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres,

gemachtigde: [naam gemachtigde] ,

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 3] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 4] .

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagden,

die niet in de procedure zijn verschenen.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde 1] c.s.’.

1. Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

• de dagvaarding in kort geding van 1 april 2021, met producties.

1.2

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 april 2021. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Aan de zijde van de eisende partij zijn verschenen mevrouw [persoon A] en mevrouw [naam gemachtigde] , gemachtigde, beiden werkzaam bij [eiseres] . [gedaagde 1] c.s. is zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.

1.3

De kantonrechter heeft de uitspraak van het vonnis bepaald op heden.

2. De vordering

2.1

[eiseres] vordert dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, bij wijze van voorlopige voorziening:

  1. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld tot nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de tussen partijen gesloten overeenkomst, in het bijzonder door betaling van een bedrag van € 21.883,50, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van verzuim, althans de datum van dagvaarding, tot aan de dag van algehele voldoening;

  2. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk wordt veroordeeld in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de achtste dag tot aan de dag van algehele voldoening.

2.2

[eiseres] legt nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst aan haar vordering ten grondslag.

In november 2019 hebben [eiseres] en (de inmiddels failliet verklaarde onderneming) [naam onderneming] enerzijds en [gedaagde 1] c.s. anderzijds een Overeenkomst Debiteurenbeheer en Factoring tevens akte van (retro-)cessie inzake eigendomsoverdracht Debiteurenportefeuille (hierna: de overeenkomst) met elkaar gesloten. Ter uitvoering van de overeenkomst heeft [eiseres] vorderingen van [gedaagde 1] c.s. overgenomen op basis van openbare cessie. Na de overdracht van deze vorderingen konden debiteuren nog uitsluitend bevrijdend aan [eiseres] betalen. In artikel 4.2 van de overeenkomst is onder meer bepaald dat [eiseres] de betalingen van de facturen van [gedaagde 1] c.s. ontvangt op een bankrekening die wordt aangehouden bij [naam stichting] .

Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden Debiteurenbeheer en Factoring (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing. Op grond van artikel 9.1 van de algemene voorwaarden geldt als een debiteur rechtstreeks aan [gedaagde 1] c.s. heeft betaald in plaats van op de klantrekening bij [naam stichting] , dat [gedaagde 1] het bedrag binnen drie dagen aan [eiseres] dient door te betalen.

[eiseres] heeft van twee debiteuren vernomen dat ten minste twee facturen rechtstreeks aan [gedaagde 1] c.s. zijn betaald in plaats van op de klantrekening bij [naam stichting] . De factuurbedragen van € 21.883,50 dienen op basis van de overeenkomst en de algemene voorwaarden door [gedaagde 1] c.s. aan [eiseres] te worden doorgestort.

Op grond van artikel 5.9 van de overeenkomst is [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk voor alle aanspraken van [eiseres] die voortvloeien uit de overeenkomst.

2.3

[eiseres] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering. Het factoringbedrijf van [eiseres] is tot een de facto einde gekomen en zij richt zich thans op de afwikkeling van haar portefeuille en de afwikkeling van klantrelaties. Zij kan de uitkomst van een bodemprocedure daarom niet afwachten.

3. De beoordeling

3.1

In geschil is of [gedaagde 1] c.s. nog bedragen aan [eiseres] verschuldigd is uit hoofde van de overeenkomst.

3.2

[gedaagde 1] c.s. is op 12 april 2021 niet op de mondelinge behandeling verschenen. Uit de dagvaarding is gebleken dat [gedaagde 1] c.s. correct voor de zitting is opgeroepen. Tegen [gedaagde 1] c.s. is daarom verstek verleend.

3.3

Voldoende is gebleken dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij de door haar gevorderde voorzieningen, zodat zij ontvankelijk is in haar vordering. De vordering tot betaling van de hoofdsom komt de kantonrechter niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen.

3.4

[eiseres] vordert tevens betaling van de wettelijke rente, zonder nader te specificeren op grond van welk wetsartikel zij deze kosten vordert. Aangezien [eiseres] niet gesteld heeft dat sprake is van een handelsovereenkomst, zal de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW worden toegewezen.

3.5

[gedaagde 1] c.s. wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, met dien verstande dat de gevorderde rente over de proceskosten zal worden toegewezen zoals hierna vermeld.

4. De beslissing

De kantonrechter:

treft de volgende voorlopige voorzieningen:

veroordeelt [gedaagde 1] c.s., hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 21.883,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf de datum van verzuim tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [gedaagde 1] c.s., hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 1.013,- aan griffierecht, € 105,25 aan dagvaardingskosten en € 498,- aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:119 BW ingaande 14 dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.J.R. van Tongeren en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

43416