Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5605

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
22-06-2021
Zaaknummer
9145048 \ VZ VERZ 21-6257
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig. Werkweigering door vanwege het slechte winterweer thuis te blijven werken ondanks verzoek naar kantoor te komen. Dit rechtvaardigt op staande voet niet. Minder vergaande maatregel mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0806
XpertHR.nl 2021-20005867
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9145048 \ VZ VERZ 21-6257

uitspraak: 16 juni 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. S.N. Arikan,

tegen

[verweerster]

,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

gemachtigde: mr. H.A. van Hapert en mr. L. Kesting.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [verzoekster] ” en “ [verweerster] ”.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het verzoekschrift, per fax ingekomen op 8 april 2021, met producties,

  • -

    het verweerschrift, met producties;

  • -

    de op 18 mei 2021 door [verzoekster] overgelegde producties;

  • -

    de op 18 mei 2021 door [verweerster] overgelegde productie;

  • -

    de pleitnota aan de zijde van [verweerster] .

1.2.

Op 19 mei 2021 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden in het gerechtsgebouw te Dordrecht. [verzoekster] is verschenen, bijgestaan door mr. Arikan. Namens [verweerster] zijn verschenen de algemene directeuren [persoon A] en [persoon B] , bijgestaan door mr. H.A. van Hapert en mr. L. Kesting. Als toehoorders waren aanwezig de zoon van [verzoekster] en [persoon C] , student-stagiaire van mr. Arikan.

1.3.

De kantonrechter heeft de datum van deze uitspraak bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

2.1.

[verweerster] is een bedrijf dat zich bezighoudt met de vervaardiging en verkoop van hydraulische apparatuur. Op het kantoor in Nederland werken zes mensen. Vanuit daar wordt alle administratie en facturatie geregeld.

2.2.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is per 1 november 2020 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij [verweerster] , in de functie van relationship manager. De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor de duur van zeven maanden, met de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst tussentijds op te zeggen met inachtneming van de wettelijke opzegtermijn. Het salaris van [verzoekster] bedroeg € 2.500,- per maand, exclusief vakantiegeld van 8%. In de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat de werkzaamheden gewoonlijk worden verricht op het adres: [adres] te Hoogvliet Rotterdam (het kantoor van [verweerster] ).

2.3.

In het weekend van 6 en 7 februari 2021 is er veel sneeuw gevallen in Nederland. Op zondag 7 februari 2021 gold de weercode rood in heel Nederland. Op maandag 8 en dinsdag 9 februari 2021 heeft Rijkswaterstaat weggebruikers opgeroepen om de hele dag rekening te houden met gevaarlijke rijomstandigheden als gevolg van sneeuw- en ijsresten op de weg.

2.4.

Op zondag 7 februari 2021 heeft [verzoekster] via WhatsApp met haar collega [persoon D] (hierna: [persoon D] ) het volgende besproken:

“ [verzoekster] : Hoi [persoon D] , ik werk morgen vanuit huis, als je het niet erg vindt.

[persoon D] : Hi [verzoekster] heb je je laptop vrijdag wel meegenomen?

[verzoekster] : (…) jazeker

[persoon D] : Oke prima. Hopen dat het vd week iets beter weer wordt

2.5.

Op dinsdag 9 februari 2021 om 07:52 uur heeft [verzoekster] aan [persoon D] bericht via WhatsApp: “Goedemorgen. Vandaag ook thuiswerken

2.6.

De heer [persoon A] (hierna: [persoon A] ), leidinggevende van [verzoekster] , heeft [verzoekster] op 9 februari 2021 rond 08:15 uur laten weten dat hij het niet eens is met het feit dat [verzoekster] thuiswerkt en heeft haar verzocht om naar kantoor te komen. [verzoekster] heeft vervolgens aangegeven dat zij niet komt, omdat zij de situatie te gevaarlijk vindt en thuis kan werken. Via Skype heeft, voor zover van belang, het volgende gesprek plaatsgevonden:

“ [persoon A] : Kom je niet naar de zaak?

[verzoekster] : Nee, ik werk vanaf thuis vandaag, gisteren ook al. Fietsend is te gevaarlijk. Ik heb [persoon D] ingelicht.

(…)

[persoon A] : (…) iedereen kan naar zijn werk, iedereen kan naar school, alleen jij niet.

[verzoekster] : Dus jij dwing me nu te komen?

[persoon A] : Ik dwing niemand, ik zeg alleen dat je werkplek hier is en dat ik gewoon verwacht dat je werkt

[verzoekster] : ik werk toch vanuit huis

(…)

[verzoekster] : dus ik werk vanuit huis, tenzij je me komt halen

[persoon A] : Niet dus.

Ik verwacht dat je nu gewoon naar de zaak komt om te werken. Daar is je werkplek en nergens anders.

[verzoekster] : En als ik dat niet doe omdat ik de weg er naartoe niet veilig vind?

[persoon A] : Dan ben ik het daar niet mee eens

2.7.

[persoon A] heeft [verzoekster] op 9 februari 2021 rond 14.00 uur gebeld en haar op staande voet ontslagen. In de brief van 9 februari 2021 is, voor zover hier van belang, de volgende reden opgenomen:

“Conform artikel 5 van de getekende arbeidsovereenkomst worden de werkzaamheden gewoonlijk verricht op het adres: [adres] te [postcode] Hoogvliet, Rotterdam. Wij hebben u vanochtend om 8:15 uur geconfronteerd met de absolute wenselijkheid om naar de werkplek toe komen. Echter vanmiddag om 14:00 uur was u nog steeds niet aanwezig.

De route tussen uw woonadres en de werkplek is goed berijdbaar met de fiets of eventueel te voet. Op deze route is frequent fiets- en voetgangersverkeer te vinden. Daarnaast is er ook gebruik te maken van openbaar vervoer en/of taxivervoer. Er is geen enkele reden om niet veilig naar de werkplek te kunnen komen. Uw weigering om niet naar de werkplek te komen wordt dan ook gezien als werkweigering.”

3. Het verzoek

3.1.

[verzoekster] heeft verzocht, uitvoerbaar bij voorraad:

  1. an haar een billijke vergoeding toe te kennen ter hoogte € 25.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden tot de dag van algehele voldoening;

  2. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van € 2.500 bruto plus 8% vakantietoeslag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden tot de dag van algehele voldoening;

  3. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het opeisbaar worden tot de dag van algehele voldoening;

  4. [verweerster] te veroordelen om aan [verzoekster] een schriftelijke en deugdelijke netto/bruto specificaties te verstrekken, waarin de hiervoor genoemde bedragen zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag, met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag na 5 dagen na de datum van de beschikking dat [verweerster] niet voldoet aan de beschikking;

  5. [verweerster] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel buitengerechtelijke incassokosten;

  6. [verweerster] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

[verzoekster] heeft aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is, omdat er geen sprake is van een dringende reden en het niet onverwijld is gegeven.

3.3.

[verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen, omdat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven.

4. De beoordeling

4.1.

Een werkgever kan een arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen als er een dringende reden is en als die reden onverwijld is medegedeeld aan de werknemer1 (het ‘ontslag op staande voet’). [verzoekster] heeft berust in het ontslag op staande voet, maar heeft wel aanspraak gemaakt op diverse vergoedingen. Om te bepalen of [verzoekster] op die vergoedingen aanspraak kan maken, moet beoordeeld worden of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven door [verweerster] .

4.2.

Volgens [verzoekster] heeft [verweerster] het ontslag niet onverwijld gegeven, omdat zij al op maandag 8 februari 2021 had thuisgewerkt en het ontslag op staande voet pas op dinsdag 9 februari 2021 was gegeven. Partijen zijn het er echter over eens dat de leidinggevende van [verzoekster] , [persoon A] , pas op 9 februari 2021 op de hoogte was van het thuiswerken van [verzoekster] , omdat [verzoekster] dit op zondag 7 februari 2021 alleen aan haar directe collega [persoon D] had medegedeeld en [persoon A] op maandag 8 februari 2021 niet op kantoor was vanwege een zakenreis. Nu [persoon A] pas op 9 februari 2021 op de hoogte is geraakt van het feit dat [verzoekster] niet op kantoor werkte en [verweerster] [verzoekster] op dezelfde dag heeft ontslagen, is de kantonrechter van oordeel dat aan de eis van onverwijldheid is voldaan.

4.3.

Vervolgens zal beoordeeld moeten worden of de reden voor het ontslag ook een dringende reden is. Volgens de wet2 worden voor [verweerster] als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van [verzoekster] , die ten gevolge hebben dat van [verweerster] redelijkerwijze niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Vooropgesteld wordt dat een ontslag op staande voet een uiterste middel is en dat het slechts mag worden gegeven als van de werkgever op grond van een dringende reden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst met de betreffende werknemer nog langer te laten voortduren. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen.

4.4.

[verweerster] heeft [verzoekster] op staande voet ontslagen omdat zij op dinsdag 9 februari 2021 weigerde om naar het kantoor van [verweerster] te komen en thuis wilde werken. Dit is volgens [verweerster] werkweigering. De kantonrechter stelt voorop dat een werkgever in beginsel mag bepalen waar een werknemer zijn werk uitoefent. Dit is het instructierecht van een werkgever. Vaststaat dat [verweerster] in de arbeidsovereenkomst heeft bepaald dat [verzoekster] haar werkzaamheden gewoonlijk moet verrichten op het kantoor van [verweerster] en dat daarin of in een andere regeling niets is opgenomen over thuiswerken. [verzoekster] heeft tijdens de zitting verklaard dat het haar voldoende duidelijk was dat [persoon A] op 9 februari 2021 wilde dat zij naar kantoor zou komen. [verzoekster] heeft desondanks op dinsdag 9 februari 2021 geweigerd om naar kantoor te komen.

4.5.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] door niet naar kantoor te komen op dinsdag 9 februari 2021 niet heeft voldaan aan een redelijke opdracht van haar werkgever en dat er dus sprake is van werkweigering. Daartoe wordt als volgt overwogen. [verweerster] is een klein bedrijf. Het is niet onredelijk dat [verweerster] graag wilde dat haar werknemers hun werkzaamheden vanaf kantoor verrichtten, omdat dat de administratie daar ligt. Dat in de arbeidsovereenkomst slechts staat dat het kantoor ‘gewoonlijk’ haar werkplek is en [verzoekster] een laptop tot haar beschikking had, betekent niet dat [verzoekster] zelf mag bepalen dat ze thuis gaat werken. Het is aan haar leidinggevende om hiervoor toestemming te geven. Voldoende staat vast dat [persoon A] die toestemming niet gegeven heeft en dat [persoon D] als zij daartoe al toestemming heeft gegeven daartoe niet bevoegd was. Dat de weersomstandigheden slecht waren, betekent evenmin dat het onredelijk is dat [verweerster] [verzoekster] op kantoor verwachtte. De weersomstandigheden waren immers niet dusdanig slecht dat [verzoekster] niet naar kantoor kon komen. De weercode rood was op dinsdag 9 februari 2021 niet meer van toepassing. Hoewel de situatie op de weg nog wel gevaarlijk was, want Rijkswaterstaat waarschuwde voor gevaarlijke rijomstandigheden door sneeuwresten en opvriezing, was het niet onmogelijk om de weg op te gaan. De kantonrechter heeft begrip voor de omstandigheid dat [verzoekster] het niet zag zitten om naar kantoor te gaan fietsen, maar er waren wel alternatieven beschikbaar. Onbetwist is namelijk dat de bussen wel reden en dat het ook mogelijk was om een taxi/Uber te bestellen. [verzoekster] had derhalve met een ander vervoermiddel naar het kantoor te kunnen reizen. Onvoldoende is gebleken uit de door [verzoekster] overgelegde stukken dat zij gelet op haar leeftijd (60 jaar) en mindere mobiliteit (klachten aan haar enkelbanden) helemaal de deur niet uit kon om naar de bushalte te gaan of in een taxi kon stappen. De medische stukken van [verzoekster] over haar mobiliteit dateren al uit 2012, zodat hieruit onvoldoende blijkt dat haar immobiliteit haar belemmerde om de straat op te gaan. Daarnaast is deze stelling van [verzoekster] ook tegenstrijdig met haar eigen verklaring aan [persoon A] via Skype dat hij haar maar op moest halen. Ook in dat geval had zij immers vanaf haar voordeur naar de auto van [persoon A] moeten lopen, zodat niet valt in te zien dat zij niet tevens vanaf haar voordeur naar een taxi/Uber had kunnen lopen.

4.6.

Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of deze werkweigering het ontslag op staande voet rechtvaardigt en dus een dringende reden is. De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend. Een ontslag op staande voet is een uiterste middel. [verweerster] heeft onvoldoende onderbouwd dat het gevolg van het niet naar kantoor komen vanwege thuiswerken een ontslag op staande voet rechtvaardigt. [verweerster] heeft immers niet bestreden dat het mogelijk was voor [verzoekster] om thuis haar werk te doen en dat zij dat ook wel eens eerder heeft gedaan. Hoewel de wens van [verweerster] begrijpelijk is dat al haar werknemers op kantoor werken, was het dus niet onmogelijk om thuis te werken. Gelet hierop gaat het ver om aan het thuiswerken zonder toestemming direct de consequentie van ontslag op staande voet te verbinden. Dat is misschien anders als [verzoekster] meerdere keren was gewaarschuwd en desondanks niet naar kantoor kwam. Van meerdere keren waarschuwen is echter geen sprake geweest. [verzoekster] is alleen in de ochtend van 9 februari 2021 rond 8:15 uur door [persoon A] in een Skype-gesprek verzocht om naar kantoor te komen, maar [persoon A] heeft toen niet duidelijk gezegd wat de consequentie zou zijn als [verzoekster] dat niet zou doen. Op de vraag van [verzoekster] “en als ik dat niet doe omdat ik de weg er naartoe niet veilig vind?” antwoordt [persoon A] immers alleen maar met “Dan ben ik het daar niet mee eens”. Voorts is niet komen vast te staan dat [persoon A] [verzoekster] tijdens het telefoongesprek op 9 februari 2021 rond 14.00 uur wel heeft gewezen op de gevolgen van het niet naar kantoor komen door [verzoekster] , want volgens [verzoekster] is tijdens dit gesprek alleen door [persoon A] gezegd dat ze was ontslagen omdat ze niet naar kantoor was gekomen. [verzoekster] is dus niet duidelijk gewaarschuwd dat het niet naar kantoor komen op 9 februari 2021 tot gevolg zou hebben dat zij zou worden ontslagen. De kantonrechter is derhalve van oordeel dat [verweerster] onvoldoende heeft onderbouwd dat niet met een minder vergaande sanctie volstaan had kunnen worden zoals bijvoorbeeld een loonsanctie of het inhouden van vakantie-uren.

4.7.

Voor zover [verweerster] nog heeft gesteld dat [verzoekster] ook niet (althans niet de gehele werkdag) thuis heeft gewerkt op 8 en 9 februari 2021 gelet op haar inloggegevens op de server, is de kantonrechter van oordeel dat dit aan het voorgaande niet afdoet. Het ontslag op staande voet is immers gebaseerd op het niet naar kantoor komen van [verzoekster] en niet op het thuis niet daadwerkelijk gewerkt hebben.

4.8.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat [verweerster] in de gegeven omstandigheden wel heeft mogen besluiten om aan [verzoekster] een disciplinaire maatregel op te leggen vanwege de werkweigering, maar dat met een minder vergaande sanctie had moeten worden volstaan. Het ontslag op staande voet is dus niet rechtsgeldig gegeven.

4.9.

[verzoekster] heeft niet om herstel van de arbeidsovereenkomst verzocht, maar om een billijke vergoeding, transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding. Deze zullen hieronder beoordeeld worden.

4.10.

Als de arbeidsovereenkomst door een werkgever is opgezegd dan is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd3. [verweerster] heeft de arbeidsovereenkomst per brief van 9 februari 2021 opgezegd. Nu is geoordeeld dat het ontslag op staande voet geen stand houdt, maar [verzoekster] op grond van artikel 7:681 BW in de opzegging op initiatief van [verweerster] heeft berust, is [verweerster] gehouden tot betaling van de transitievergoeding. Bij het bepalen van de hoogte van de transitievergoeding dient te worden uitgegaan van de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren te eindigen4. Uitgaande van 1 november 2020 als datum van indiensttreding en 1 april 2021 als datum van uitdiensttreding (rekening houdend met een opzegtermijn van één maand conform de arbeidsovereenkomst) en het gemiddeld bruto maandsalaris van € 2.700,- bruto inclusief 8% vakantietoeslag, bedraagt de transitievergoeding € 377,47 bruto. [verweerster] zal dan ook worden veroordeeld om deze transitievergoeding aan [verzoekster] te betalen.

4.11.

[verzoekster] heeft tevens aanspraak gemaakt op de gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van € 2.500,- bruto plus 8% vakantiegeld. De kantonrechter is van oordeel dat deze gevorderde vergoeding eveneens toewijsbaar is, omdat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is en de opzegging van de arbeidsovereenkomst dus niet heeft plaatsgevonden met in achtneming van de in de arbeidsovereenkomst overeengekomen termijn van één maand. [verweerster] wordt derhalve veroordeeld om een bedrag van € 2.700,- bruto aan [verzoekster] te betalen (€ 2.500,- plus € 200,- (8%) vakantiegeld).

4.12.

Nu het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven heeft [verzoekster] voorts terecht aanspraak gemaakt op een billijke vergoeding. Door het ten onrechte gegeven ontslag op staande voet is de ernstige verwijtbaarheid immers een gegeven. [verzoekster] heeft een billijke vergoeding van € 25.000,- gevorderd. Volgens haar zou het dienstverband in juni 2021 worden verlengd omdat zij haar werk goed deed. Daarnaast heeft zij gewezen op haar leeftijd van 60 jaar, de coronapandemie en de gezondheidsklachten die zij heeft gekregen door het ontslag op staande voet.

4.13.

Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding slaat de kantonrechter acht op de door de Hoge Raad geformuleerde gezichtspunten uit de New Hairstyle-beschikking5. De kantonrechter houdt er rekening mee dat [verzoekster] nog maar zeer kort in dienst was bij [verweerster] (iets meer dan drie maanden) en dat er geen aanwijzingen waren dat haar dienstverband zonder meer verlengd zou worden. Tevens houdt de kantonrechter er rekening mee dat beide partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds konden opzeggen met een opzegtermijn van één maand. Voorts is onvoldoende gebleken dat de positie van [verzoekster] op de arbeidsmarkt slecht is, want het is haar immers ook gelukt om de baan bij [verweerster] te bemachtigen. De kantonrechter houdt er tevens rekening mee dat [verzoekster] zoals hiervoor is overwogen een transitievergoeding ontvangt en een gefixeerde schadevergoeding. Ook houdt de kantonrechter er rekening mee dat [verzoekster] ook zelf een verwijt valt te maken door te weigeren om naar kantoor te komen op 9 februari 2021. Gelet op al deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat een billijke vergoeding van nihil op zijn plaats is. Hoewel [verweerster] is overgegaan tot het geven van het ontslag op staande voet, treft ook [verzoekster] een verwijt. Door op 9 februari 2021 in de ochtend stug vol te houden dat zij thuis wilde blijven werken en niet met [persoon A] in overleg te treden hierover, heeft zij er immers voor gezorgd dat de verhouding verstoord is geraakt. Het is niet de verwachting dat deze verhouding hersteld zou kunnen worden als [verzoekster] in dienst was gebleven, zodat [verzoekster] met de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding voldoende is gecompenseerd. Voorts heeft [verzoekster] inmiddels een nieuwe baan en heeft zij haar financiële schade dus in ieder geval deels kunnen beperken. Een billijke vergoeding van nihil acht de kantonrechter gelet op alle omstandigheden op zijn plaats.

4.14.

Tegen de door [verzoekster] gevorderde wettelijke rente over de hiervoor toegewezen bedragen heeft [verweerster] geen verweer gevoerd, zodat dit als onbetwist en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.15.

[verzoekster] heeft voorts gevorderd om [verweerster] te veroordelen om een deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken waarin de toegewezen bedragen zijn verwerkt. [verweerster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat dit wordt toegewezen. De termijn die [verweerster] hiervoor heeft, zal gesteld worden op veertien dagen na deze beschikking. De kantonrechter ziet geen redenen om hieraan een dwangsom te verbinden, zodat die wordt afgewezen.

4.16.

[verzoekster] heeft tevens aanspraak gemaakt op de buitengerechtelijke incassokosten conform de BIK staffel. [verzoekster] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat namens haar buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht om buiten rechte tot een oplossing te komen. Dit is door [verweerster] ook niet bestreden. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen daarom worden toegewezen conform de staffel op basis van het bedrag van € 3.077,47 (het totaal bedrag van de transitievergoeding en gefixeerde schadevergoeding). Dit betekent dat [verzoekster] recht heeft op een bedrag van € 523,63 aan buitengerechtelijke incassokosten. [verweerster] zal worden veroordeeld om dit bedrag aan [verzoekster] te betalen.

4.17.

[verweerster] is de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, zodat zij wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen € 377,47 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen een gefixeerde schadevergoeding ten bedrage van € 2.700,- bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening;

kent aan [verzoekster] een billijke vergoeding toe en stelt deze vast op nihil;

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificatie te verstrekken met daarin de hiervoor toegewezen bedragen;

veroordeelt [verweerster] om aan [verzoekster] te betalen € 523,63 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [verweerster] in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de kant van [verzoekster] vastgesteld op € 85,00 aan griffierecht en € 747,00 aan salaris voor haar gemachtigde, voornoemde bedragen vermeerderd met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW ingaande veertien dagen na de datum van deze beschikking vonnis tot de dag van algehele voldoening;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. C. van Steenderen-Koornneef en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

31688

1 artikel 7:671 lid 1 sub c juncto artikel 7:677 lid 1 BW

2 artikel 7:678 lid 1 BW

3 artikel 7:673 lid 1 sub a BW

4 Hoge Raad 17 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1286

5 Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187