Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5539

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
10/730044-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak diefstal telefoon en pinpas. Veroordeling mishandeling en vernieling. Niet-ontvankelijkheid vorderingen benadeelde partijen. Bij strafoplegging rekening gehouden met de ter terechtzitting gelijktijdig behandelde zaak. Het had in de rede gelegen om beide zaken te voegen, echter door beletselen van technische aard die samenhangen met de verschillende wijzen van dossierbeheer (GPS en COMPAS) konden beide zaken niet gevoegd worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730044-20

Datum uitspraak: 26 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

verblijvende te [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Dordrecht,
raadsman mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met aftrek van voorarrest.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Feit 1: vrijspraak

4.1.1.

Standpunt officier van justitie

Gezien de aangifte, de beelden waarop te zien is dat de verdachte een telefoon vast heeft, het feit dat de telefoon aantoonbaar niet meer bij aangever is op het moment dat hij op het politiebureau zit, de richting waarin de telefoon reist - namelijk in de richting van het adres van de verdachte - en de verklaring van de verdachte dat hij inderdaad bij aangever was die nacht, kan het feit wettig en overtuigend bewezen worden. Van de diefstal van de ID-kaart dient de verdachte vrijgesproken te worden vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.1.2.

Beoordeling

Verdachte heeft erkend dat hij (een deel van) de nacht van 22 februari 2020 met aangever heeft doorgebracht. Hij ontkent dat hij de telefoon en/of de ID-kaart van de aangever heeft weggenomen. Die telefoon en ID-kaart zijn ook niet bij hem aangetroffen.

De aangifte van diefstal van de ID-kaart vindt geen steun in enig ander bewijs in het dossier en verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

Met betrekking tot de telefoon geldt het volgende. Dat de telefoon niet meer bij aangever in bezit was terwijl hij op het politiebureau zat en in de richting van het adres van verdachte reist, wijst niet zonder meer naar de verdachte als steler. Overig bewijs ontbreekt. Voor diefstal van de telefoon vindt de aangifte dan ook evenmin voldoende steun in het dossier. Ook hiervan zal de verdachte worden vrij gesproken.

4.2.

Feit 2: partiële vrijspraak

4.2.1.

Standpunt officier van justitie

Op basis van de aangifte, de deels bekennende verklaring van de verdachte en het proces-verbaal van bevindingen waarin het letsel van aangeefster wordt geconstateerd door de verbalisanten, kan het feit wettig en overtuigen bewezen worden.

4.2.2.

Standpunt verdediging

Dat de verdachte aangeefster met kracht bij de armen heeft vastgepakt, kan bewezen worden. De verdachte heeft dat deel van de tenlastelegging bekend. Voor het overige dient de verdachte vrijgesproken te worden wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

4.2.3.

Beoordeling

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte aangeefster met kracht bij haar armen heeft gepakt.

Ook kan wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte aangeefster met kracht bij haar keel heeft gepakt en met kracht in haar keel en armen heeft geknepen. De verklaring van aangeefster wordt op deze punten ondersteund door de verklaring van de verbalisanten die ter plaatse hebben geconstateerd dat op de armen en keel van aangeefster blauwe plekken zaten.

Voor de overige geweldshandelingen wordt de verdachte partieel vrijgesproken wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

4.3.

Feit 3: bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het onder 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend en door de raadsman is geen vrijspraak bepleit. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

4.4.

Conclusie

Voor de diefstal ten laste gelegd onder 1 wordt de verdachte vrijgesproken. Het onder 2 en 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

2.
hij op 16 februari 2020 te Eindhoven
[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [naam slachtoffer 1]
- met kracht bij de keel en armen vast te pakken en vast te houden en
- met kracht in haar keel en armen te knijpen;

3.
hij op 16 februari 2020 te Eindhoven
opzettelijk en wederrechtelijk
een deurtoebehorende aan [naam slachtoffer 1] , heeft vernield.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

feit 2: mishandeling;

feit 3: vernieling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn vriendin mishandeld door haar stevig vast te pakken bij haar armen en haar keel en in haar armen en keel te knijpen. Hiermee heeft hij haar pijn gedaan en blauwe plekken op de armen en keel bezorgd. Door zo te handelen heeft hij ook inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en haar gevoel van geborgenheid.

Ook heeft de verdachte in de woning waar hij verbleef met zijn vriendin een gat in de deur geslagen en daarmee geen respect getoond voor andermans eigendom.

Het voorgaande rekent de rechtbank de verdachte aan.

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 26 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 14 april 2021. De rechtbank heeft ook acht geslagen op dit rapport.

Met de officier van justitie vindt de rechtbank dat een gevangenisstraf passend is. Die zal evenwel van kortere duur zijn dan door de officier van justitie geëist omdat de verdachte van feit 1 wordt vrijgesproken en de rechtbank ook heeft gekeken naar de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank ook nog het volgende betrokken. Deze zaak is ter terechtzitting gelijktijdig behandeld met de zaak tegen verdachte onder parketnummer 10/017390-21. Het had in de rede had gelegen beide zaken te voegen, welke voeging echter stuitte op beletselen van technische aard die samenhangen met de verschillende wijzen van dossierbeheer (GPS en Compas). De officier van justitie heeft in beide strafzaken afzonderlijk een gevangenisstraf gevorderd. De rechtbank zal dan ook in beide zaken afzonderlijk straffen opleggen, maar de zaken zijn wel als één geheel beschouwd en de straffen zijn dan ook als zodanig vastgesteld. De verdachte is door het niet kunnen voegen van de zaken daarmee niet in zijn belangen geschaad.

8. Vorderingen benadeelde partijen

[naam slachtoffer 2]

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [naam slachtoffer 2] , ter zake van het onder 1 ten laste gelegde. Nu verdachte van feit 1 wordt vrijgesproken zal deze benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

[naam slachtoffer 1]

Ook heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd [naam slachtoffer 1] ter zake van het onder 3 ten laste gelegde. In het verzoek tot schadevergoeding wordt geen bedrag genoemd.

Standpunt officier van justitie

In het dossier zit een reactie op de brief die naar aangeefster [naam slachtoffer 1] is gestuurd naar aanleiding van de ten laste gelegde feiten. Uit de reactie van mevrouw [naam slachtoffer 1] blijkt niet dat zij een verzoek tot schadevergoeding wilde indienen. Aangezien mevrouw [naam slachtoffer 1] ook niet een concreet bedrag heeft ingevuld, gaat de officier van justitie er vanuit dat mevrouw [naam slachtoffer 1] geen vordering wilde indienen.

Standpunt verdediging

De vordering van benadeelde partij [naam slachtoffer 1] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het verzoek tot schadevergoeding bevat geen concrete vordering en is niet voldoende onderbouwd.

Beoordeling

De benadeelde partij [naam slachtoffer 1] zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard wegens het ontbreken van een concrete vordering.

Conclusie

In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoedingen geen inhoudelijke beslissing genomen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 57, 300 en 350 Wetboek van Strafrecht.

10. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 .Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken,

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 2] niet-ontvankelijk in de vordering;

verklaart de benadeelde partij [naam slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en J.L. Luiten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. den Dekker , griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 22 februari 2020 te Rotterdam,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoon
en/of een ID-kaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende
aan [naam slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

2.
hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Eindhoven
[naam slachtoffer 1] heeft mishandeld door deze [naam slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal,
- te slaan en/of
- te schoppen en/of
- met kracht op te pakken en/of op een zich op de grond bevindend matras te
gooien en/of
- met kracht te duwen en/of
- met kracht bij de keel/hals en/of arm(en), in elk geval het lichaam, vast te
pakken en/of vast te houden en/of
- met kracht in haar keel/hals en/of arm(en), in elk geval haar lichaam te
knijpen en/of
- in een zogenaamde wurggreep vast te pakken en/of vast te houden;

3.
hij op of omstreeks 16 februari 2020 te Eindhoven
opzettelijk en wederrechtelijk
een deur, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te
weten [naam slachtoffer 1] en/of [naam slachtoffer 3] toebehoorde,
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.