Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5535

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
10/306223-20 / vordering TUL VV: 10/218448-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling mishandeling. Bekennende verdachte. Opsomming bewijsmiddelen. Gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij. Tevens omzetting TUL naar taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/306223-20

Parketnummer vordering TUL VV: 10/218448-18

Datum uitspraak: 30 april 2021

Tegenspraak [279sv]

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] ( [geboorteland verdachte] ) op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] te [woonplaats verdachte] ,

gemachtigd raadsvrouw mr. E.A. Blok, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. K.P. Mandos heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

  • -

    bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, met aftrek van voorarrest, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, alsmede oplegging van de 38v-maatregel voor de duur van twee jaar, waarbij per overtreding 1 week hechtenis kan worden opgelegd met een maximum van 26 weken. De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar verklaard te worden;

  • -

    tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer: 10/218448-18.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Vrijspraak zonder nadere motivering

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

4.2.

Bewezenverklaring zonder nadere motivering

Het subsidiair ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen vrijspraak is gevraagd. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 1 december 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer] , zijnde, verdachtes,
dochter, heeft mishandeld door haar,
- tegen het hoofd, te slaan waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezenverklaarde feit levert op:

mishandeling, terwijl de schuldige het misdrijf begaat tegen zijn kind.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zijn dochter mishandeld door haar tegen haar hoofd te slaan. Hiermee heeft hij haar pijn en letsel toegebracht en inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en haar gevoel van geborgenheid. Kinderen behoren door hun ouders beschermd te worden en zich bij hen veilig te voelen. Fysiek geweld is dan ook niet de manier om eventuele problemen of meningsverschillen tussen ouders en kinderen op te lossen. Dat de verdachte daartoe toch is overgegaan, wordt hem aangerekend.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte herhaaldelijk, verspreid over een lange periode, is veroordeeld voor geweldsfeiten.

7.3.2.

Rapportages

Reclassering Nederland heeft een voortgangsverslag over de verdachte opgemaakt, dat niet is gedateerd, maar – zo maakt de rechtbank uit het rapport op – stamt uit eind 2020. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:

In 2016 is er een persoonlijkheidsonderzoek geweest bij het Dok waarna een behandeling is ingezet. Deze behandeling werd positief afgerond, maar heeft niet tot een gedragsverandering geleid gezien nieuwe veroordelingen en antecedenten. Verdachte is vervolgens opnieuw behandeld, bij Fivoor, maar deze behandeling is in november 2019 afgebroken, omdat verdachte veelvuldig niet of te laat op afspraken verscheen. In september 2020 is gepoogd opnieuw een behandeling te starten bij De Waag, maar omdat verdachte opnieuw veelvuldig niet verscheen is ook dit traject stopgezet.

Gezien de antecedenten en meldingen gedurende het toezicht dat reeds sinds 2015 van kracht is, lijken behandeling en toezicht niet afdoende om tot gedragsverandering bij betrokkene te komen.

Gezien dit alles, ziet de reclassering geen mogelijkheden tot effectieve behandeling dan wel reclasseringstoezicht.

GZ-psycholoog drs. [naam GZ-psycholoog] heeft een rapport over de verdachte opgemaakt gedateerd 11 maart 2021. Dit rapport houdt – zakelijk weergegeven – het volgende in:

De verdachte is een gemiddeld intelligente man. Er zijn geen aanwijzingen voor ernstige psychiatrische problematiek in engere zin en evenmin aanwijzingen in zijn gedrag die een aanwijzing zouden kunnen zijn voor aanwezigheid van persoonlijkheidsproblematiek.

Omdat de verdachte na het eerste contact niet meer op het PJ-onderzoek verscheen, konden geen observaties en onderzoeken worden verricht waarop een forensisch psychologische beschouwing kan worden gebaseerd. Er kan dus ook geen uitspraak over het verband tussen diagnose en het delict of advies over mogelijke strafrechtelijke kaders worden gedaan.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Anders dan door de officier van justitie is gevorderd en door de verdediging is bepleit, is de rechtbank van oordeel dat, gezien de ernst van het feit, de vader-dochter verhouding en het forse strafblad van de verdachte, niet anders kan worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank ook acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en zij vindt een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest passend.

De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten voor een contactverbod tussen vader en dochter zodat zij de ter zake gevorderde 38v-maatregel niet zal opleggen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Vordering benadeelde partij/ schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam slachtoffer] ter zake van de ten laste gelegde feiten. De benadeelde partij vordert een vergoeding bestaande uit:

  • -

    € 140,00 ter zake van schoenen (materiële schade);

  • -

    € 120,00 ter zake van gemiste gewerkte uren (materiële schade);

  • -

    € 380,00 aan immateriële schadevergoeding.

8.1.

Standpunt officier van justitie

De materiële schade betreffende de schoenen is onvoldoende onderbouwd. Uit de aangifte blijkt niet of, en zo ja hoe, de schoenen zijn vernield. Dit deel van de vordering is niet-ontvankelijk.

Het immateriële deel dient voor een redelijk bedrag toegewezen te worden, te weten € 120,00. Voor het overige is benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk.

8.2.

Standpunt verdediging

De ingediende vordering betreffende de materiële schade (schoenen en gemiste uren op werk) is onvoldoende onderbouwd en kan dus niet worden toegewezen.

De gevorderde immateriële schade kan worden toegewezen.

8.3.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht.

Materiële schade

Dat de schoenen van de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde zijn beschadigd of vernield is gesteld noch gebleken. Dit deel van de vordering wordt dan ook afgewezen.

Het gevorderde bedrag ter vergoeding van niet gewerkte uren is onvoldoende onderbouwd. In dit deel van de vordering wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard.

Immateriële schade

De rechtbank schat de immateriële schade, als gevolg van het slaan tegen het hoofd naar billijkheid op € 150,00. Voor het overige zal de vordering worden afgewezen.

De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020.

Nu de vordering van de benadeelde partij deels zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

8.4.

Conclusie

De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 150,00, vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9. Vordering tenuitvoerlegging [parketnummer: 10.218448-18]

9.1.

Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd

Bij vonnis van 22 februari 2019 van de politierechter in deze rechtbank is de verdachte ter zake van mishandeling (van zijn levensgezel) en vernieling veroordeeld tot, onder andere een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen met en een proeftijd van 2 jaar.
De proeftijd is ingegaan op 9 maart 2019.

9.2.

Standpunt officier van justitie

De verdachte heeft door het tenlastegelegde feit te plegen de algemene voorwaarde overtreden. Ook heeft de verdachte zich gedurende de proeftijd niet aan de bijzondere voorwaarden gehouden. De vordering dient daarom ten uitvoer gelegd te worden.

9.3.

Standpunt verdediging

Als de vordering ten uitvoer wordt gelegd, brengt dat niet alleen de verdachte, maar ook zijn familie in problemen. De verdachte betaalt namelijk voor zijn eigen woning, maar ook die van zijn moeder. Door een detentieperiode zal dat niet meer lukken.

9.4.

Beoordeling

Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Er worden evenwel termen aanwezig geacht die last niet te geven, doch in plaats daarvan een taakstraf voor de duur van 60 uren te gelasten, subsidiair 30 dagen vervangende hechtenis.

10 .Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 300, 304 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12. Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het primair laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) dagen;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [naam slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 december 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

wijst af het resterende deel van de vordering tot immateriële schadevergoeding;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot materiële schadevergoeding betreffende gederfd loon (€ 120,00);

wijst af de vordering tot materiële schadevergoeding betreffende de schoenen (€ 140,00);

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam slachtoffer] te betalen € 150,00 (hoofdsom, zegge: honderdvijftig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien betaling uitblijft gijzeling kan worden toegepast voor maximaal 3 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

legt - in plaats van de gevorderde last tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 22 februari 2019 van de politierechter in deze rechtbank de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf - aan de veroordeelde een taakstraf op voor de duur van 60 (zestig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan, met bevel dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M.G. van de Kragt, voorzitter,

en mrs. G.P. van de Beek en J.L. Luiten, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.L. den Dekker, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 1 december 2020 te Rotterdam,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
opzettelijk:
- die [naam slachtoffer] bij/aan de haren heeft gepakt en/of getrokken, en/of
- die [naam slachtoffer] (meermalen) tegen/in/op het hoofd, althans het lichaam, heeft
geslagen en/of gestoten,
- die [naam slachtoffer] (meermalen) tegen/op het hoofd, althans het lichaam, (met de knie)
heeft getrapt en/of gestoten,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 december 2020 te Rotterdam [naam slachtoffer] , zijnde, verdachtes,
dochter, heeft mishandeld door haar,
- bij/aan de haren te pakken en/of te trekken, en/of
- (meermalen) tegen/in/op het hoofd, althans het lichaam, te slaan en/of te stoten,
en/of
- (meermalen) tegen/op het hoofd, althans het lichaam, (met de knie) te trappen
en/of te stoten,
waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.