Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5518

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
C/10/606689 / FA RK 20-8321
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Vaststelling in de beschikking van een eerder overeengekomen zorgregeling en

kinderalimentatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/606689 / FA RK 20-8321

Beschikking van 7 april 2021 betreffende het ouderlijk gezag/de regeling inzake de verdeling van de verzorging- en opvoedingstaken/de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam vrouw] ,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. J.C. Heijmann te Papendrecht,

t e g e n

[naam man] ,

wonende te [woonplaats man] ,

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.J.M. van der Borst te Etten-Leur.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 27 oktober 2020;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 14 december 2020;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de vrouw van 17 maart 2021;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 19 maart 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 29 maart 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw met haar advocaat;

  • -

    de man met zijn advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming regio Rotterdam Dordrecht, vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

1.3.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben beide advocaten een draagkrachtberekening overgelegd.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en samengewoond.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2011 te [geboorteplaats minderjarige 1] .

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2013 te [geboorteplaats minderjarige 2] ,

hierna te noemen de minderjarigen.

2.3.

Partijen zijn na het uiteengaan begin 2017 uiteindelijk overeengekomen dat de minderjarigen om het weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond bij de man zullen verblijven, evenals iedere dinsdag uit school tot en met woensdagochtend voor school. Partijen zijn verder overeengekomen dat de man met ingang van 1 maart 2018 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen zal voldoen € 162,50 per maand per kind.

2.4.

De vrouw heeft van rechtswege het eenhoofdig gezag over de minderjarigen.

2.5.

Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.

3. De beoordeling

3.1.

Gezag

3.1.1.

De man verzoekt te bepalen dat het gezag over de minderjarigen mede aan hem toekomt.

3.1.2.

De vrouw verweert zich niet tegen dit verzoek.

3.1.3.

Het verzoek wordt als niet weersproken en niet onrechtmatig toegewezen.

3.2.

Zorgregeling

3.2.1.

De vrouw verzoekt vaststelling van een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) dan wel wijziging van de overeengekomen zorgregeling in die zin, dat de minderjarigen om de week het weekend van vrijdagmiddag uit school tot en met maandagochtend voor school bij de man verblijven, evenals iedere dinsdag uit school tot en met woensdagochtend voor school. De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat de man de gemaakte afspraken niet nakomt.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

De man stelt dat hij om financiële redenen de ene zorgregeling (een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur, alsmede een dinsdag per 14 dagen) wel kan nakomen en een andere zorgregeling (een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school, alsmede elke dinsdag) niet. Het verschil tussen beide regelingen is een dinsdag per twee weken. In algemene zin heeft de man gesteld en onderbouwd dat hij financiële moeilijkheden heeft – wat de vrouw overigens gemotiveerd betwist –. De stelling dat precies de in zijn ogen extra dinsdag per weken (voormeld verschil) financieel niet haalbaar is, heeft de man niet uitgewerkt en niet onderbouwd.

3.2.4.

De rechtbank zal daarom, en conform het advies van de raad om een zorgregeling te bepalen die zo uitgebreid mogelijk is, als zorgregeling bepalen wat partijen als laatste zijn overeengekomen:

de man zal de minderjarigen bij zich hebben een weekend per 14 dagen van vrijdag uit school tot zondag 17:00 uur en elke dinsdag uit school tot woensdagochtend naar school.

De rechtbank acht deze regeling niet te belastend voor de man en passend bij zijn verantwoordelijkheid voor de minderjarigen.

De vrouw haalt de minderjarigen eenmaal per zes weken op zondag om 17:00 uur op bij de man. Voor het overige haalt en brengt de man de minderjarigen, mede gelet op het feit dat de man ervoor heeft gekozen om in Etten-Leur te gaan wonen, terwijl zijn drie kinderen (de man heeft nog een dochter geboren uit een eerdere relatie) in Dordrecht/Papendrecht wonen. De stelling dat de man alleen in Etten-Leur en niet in de regio Dordrecht/Papendrecht een (koop)woning kan krijgen, heeft de man ook niet onderbouwd en betrekt de rechtbank daarom niet bij haar oordeel.

3.3.

Onderhoudsbijdrage

3.3.1.

De vrouw verzoekt primair vaststelling met ingang van 1 januari 2020 van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderbijdrage) van de minderjarigen van € 162,50 per maand per kind. Als het verzoek met ingang van een latere datum wordt toegewezen verzoekt de vrouw subsidiair vast te stellen dat de man gehouden is een bedrag van € 1.400,- te voldoen aan de vrouw ter zake de achterstallige kinderbijdrage over de periode 1 januari 2020 tot en met 1 oktober 2020.

3.3.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.3.3.

De vrouw stelt primair dat partijen zijn overeengekomen dat de man een kinderbijdrage betaalt van € 162,50 per maand per kind. De man weerspreekt dit niet. Dit is dus de kinderbijdrage waaraan partijen gehouden zijn, ook al op 1 januari 2020. Voor zover de man deze afspraak niet langer wil nakomen, omdat zijn omstandigheden zijn gewijzigd, moet hij een verzoek doen tot het wijzigen van de overeengekomen kinderbijdrage. Dat verzoek heeft de man niet gedaan. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek van de vrouw toegewezen.

3.4.

Proceskosten

3.4.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt het ouderlijk gezag over de minderjarigen in die zin, dat de man en de vrouw dit gezag over de minderjarigen vanaf de datum van deze beschikking gezamenlijk uitoefenen;

4.2.

stelt vast dat de minderjarigen in het kader van de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bij de man zullen zijn als in rechtsoverweging 3.2.4. is weergegeven;

4.3.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 januari 2020 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen € 162,50 per maand per kind;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Brasser op 7 april 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.