Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5514

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
21-05-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
8700678
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na spoorwissel. Geen beëindigingsovereenkomst, niet voldaan aan schriftelijkheidsvereiste ex artikel 7:670b lid 1 BW. Loon, arbeidsongeschiktheid, maatstaf voor berekening overwerk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0789
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 8700678 / CV EXPL 20-27974

uitspraak: 21 mei 2021

vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

eiser,

gemachtigde: mr. C. Buitelaar,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B&S Transport B.V.

gevestigd te Zwijndrecht,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.M.A. Lensen.

Partijen worden hierna aangeduid als “ [eiser] ” respectievelijk “B&S Transport”.

1. Het (verdere) verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    de tussen deze partijen gewezen beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van
    30 juni 2020 ex artikel 69 Rv en de processtukken die daaraan ten grondslag liggen;

  • -

    de “akte wijziging grondslag ex artikel 69 Rv”, met producties van [eiser] ;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties van B&S Transport;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

De kantonrechter heeft de uitspraak van dit vonnis nader bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, staat tussen partijen, voor zover van belang, het volgende vast.

2.1

[eiser] , geboren op [geboortedatum] , is op 20 december 2018 bij B&S Transport in dienst getreden in de functie van trailerchauffeur, aanvankelijk op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die nadien is omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Beroepsgoederenvervoer over de weg van toepassing (verder de CAO).

2.2

Het loon van [eiser] bedroeg laatstelijk € 2.670,89 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en emolumenten.

2.3

Bij brief van 24 januari 2020 zegt B&S Transport aan [eiser] het einde van de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan, naar aanleiding van een gesprek dat op die datum is gevoerd met [eiser] . Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:

“(…) Op 24-01-2020 hebben wij wederom een gesprek met u gehad. Wij hebben dit gesprek wederom met u moeten voeren, omdat er geen enkele verbetering is opgetreden in uw functioneren en in uw werkhouding.

Aangezien de vele kritieke aandachtspunten door u niet zijn opgevolgd, hebben wij tijdens uw bezoek aan kantoor, in gezamenlijk overleg besloten en tevens overeengekomen, dat het verstandiger zou zijn om uit elkaar te gaan.

Hierbij bevestigen wij dan ook dat wij uw arbeidscontract, met ingang van vandaag, hebben beëindigd. Wij houden rekening met een opzegtermijn van 1 maand. Dit betekent dan ook dat u uit dienst treed per 1 maart 2020. (…)”

2.4

Bij brief van 27 januari 2020 bericht [eiser] in reactie op de brief van 24 januari 2020, voor zover van belang, aan B&S Transport het volgende:

“(…) Ik kan mij niet herinneren dat ik akkoord ben gegaan met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst aangezien ik tijdens ons gesprek duidelijk heb vermeld dat ik tijd nodig had tot na het weekend om mijn opties en uw argumenten te overwegen.

Dat is nu gebeurd en ik ga daarom nu ook niet akkoord met een beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een duur van onbepaalde tijd.

Ik heb een duidelijke indruk dat u mij uit dienst wil hebben vanwege mijn ziektebeeld en aankomende operatie met een herstelperiode. (Die uiteraard al bekend waren bij u voordat het contract werd omgezet naar onbepaalde tijd( (…)

Mij is aangeraden door de chirurg en mijn mdl arts en mn verpleegkundige de ziektewet in te gaan om het herstelproces te bevorderen. Op een vrachtwagen in het internationale transport is dat uiteraard soms lastig. Ik zal vanavond en morgen beginnen met het leeghalen van de vrachtwagen zodat die beschikbaar komt (…)”.

2.5

Bij beschikking van de kantonrechter te Rotterdam van 30 juni 2020 tussen partijen onder zaaknummer 8397471 / VZ VERZ 20-4770 gewezen, is B&S Transport in het kader van de door [eiser] verzochte voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv veroordeeld om voor de duur van het geding aan [eiser] te betalen € 2.670,89 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten vanaf 1 maart 2020 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, met veroordeling van B&S Transport in de proceskosten.

2.6

B&S Transport heeft op 17 maart 2020 € 1.000,- aan [eiser] betaald. Daarnaast heeft zij ter voldoening aan de onder 2.5 bedoelde veroordeling de navolgende bedragen voldaan:

- op 15 juli 2020 € 9.217,20 netto aan [eiser] ;

- op 05 september 2020 € 4.269,58 netto aan de door [eiser] ingeschakelde deurwaarder.

- op 08 september 2020 € 2.799,37 netto aan de door [eiser] ingeschakelde deurwaarder.

3. Het geschil

3.1

[eiser] heeft -na spoorwissel- gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
B&S Transport te veroordelen tot betaling aan hem van de navolgende bedragen:

  • -

    a) € 2.670,89 bruto aan loon over februari 2020, te verhogen met € 1.379,66 bruto en overige emolumenten, minus het reeds betaalde bedrag van € 1.000,00 netto;

  • -

    b) € 2.670,89 bruto aan loon, te verhogen met € 607,30 bruto aan overuren en toeslagen, te verhogen met 8% vakantietoeslag over het basisloon, en overige emolumenten vanaf 1 maart 2020 tot dat het dienstverband rechtsgeldig beëindigd zal zijn, althans de wettelijke loondoorbetalingsperiode bij ziekte verstreken is, minus het reeds betaalde bedrag van € 9.207,20 netto;

  • -

    c) € 2.564,05 bruto aan vakantiegeld over de periode 1 juni 2019 tot 1 juni 2020;

  • -

    d) de wettelijke verhoging over voornoemde bedragen;

  • -

    e) € 392,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;

  • -

    f) de proceskosten inclusief nakosten;

  • -

    g) alles onder overlegging van een correcte bruto/netto betalingsspecificatie (van alle betalingen) op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat niet aan dit vonnis is voldaan.

3.2

Aan zijn vordering heeft [eiser] – verkort en zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende ten grondslag gelegd:

3.2.1

[eiser] heeft recht op zijn gebruikelijke loon vanaf 1 maart 2020, omdat zijn dienstverband per die datum is blijven doorlopen en niet is beëindigd met wederzijds goedvinden, hij (vanaf 30 januari 2020) volledig arbeidsongeschikt is en beschikbaar voor ander passend werk. Deze loonaanspraken moeten ingevolge artikel 16 van de CAO worden verhoogd met 7 overuren per week en 130% toeslag daarover, zijnde € 607,30 bruto per maand en 8% vakantietoeslag en overige emolumenten totdat het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd, althans de wettelijke loondoorbetalingsperiode is verstreken.

3.2.2

Daarnaast maakt [eiser] aanspraak op achterstallig loon over februari 2020
ad € 2.670,69 bruto en € 1.379,66 bruto aan overwerk, te verhogen met de vakantietoeslag, omdat dit loon nog niet door B&S Transport aan hem is voldaan.

3.2.2

Op de vorderingen strekken in mindering de onder 2.6 genoemde betalingen. [eiser] maakt aanspraak op de wettelijke verhoging over alle vanaf 1 februari 2020 niet betaalde loonbedragen tot het moment van betaling en wettelijke rente. Verder maakt [eiser] aanspraak op vergoeding van € 392,- aan buitengerechtelijke incassokosten.

3.3

B&S Transport heeft de vordering betwist en daartoe – verkort en zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende aangevoerd.

3.3.1

De arbeidsovereenkomst tussen partijen is met ingang van 1 maart 2020 met wederzijds goedvinden beëindigd, waarbij aan het schriftelijkheidsvereiste is voldaan door en met de bevestiging door B&S Transport van de tussen partijen bereikte wilsovereenstemming met de aan [eiser] gezonden brief van 24 januari 2020 (hiervoor
onder 2.3). Het bewijs van de bereikte wilsovereenstemming is verder geleverd met de overgelegde verklaringen van de heren [persoon A] en [persoon B] .

3.3.2

Van een tijdig uitgebrachte ontbindingsverklaring in de zin van artikel 7:670b lid 2 BW is geen sprake. De brief van [eiser] van 27 januari 2020 (hiervoor onder 2.4) heeft niet die strekking en dit geldt ook voor de brief van zijn gemachtigde van 11 februari 2020 waarin deze een beëindiging met wederzijds goedvinden door [eiser] betwist.

3.3.3

Subsidiair betwist B&S Transport de (omvang van de) ingestelde vorderingen.

B&S heeft volledig voldaan aan alle loonaanspraken tot en met september 2020.

De gestelde overuren worden betwist. Vakantietoeslag is eerst per 31 mei 2021 verschuldigd. Voor de gevorderde wettelijke verhoging ziet B&S Transport geen aanleiding, subsidiair beroept zij zich op matiging daarvan gezien de billijkheid.

De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten wordt betwist. [eiser] is daarvoor verzekerd bij FNV en heeft derhalve geen vermogensschade. Betwist wordt dat die werkzaamheden zijn gemaakt.

3.4

De overige stellingen van partijen zullen, voor zover relevant, in het kader van beoordeling worden besproken.

4. De beoordeling

4.1

[eiser] baseert zijn loonaanspraken op de stelling dat ook na 1 maart 2020 de tussen partijen voor die datum bestaande arbeidsovereenkomst is blijven doorlopen.

Het partijdebat betreft thans nog de vraag of die arbeidsovereenkomst op 24 januari 2020 per 1 maart 2020 is beëindigd met wederzijds goedvinden, zoals B&S Transport stelt, maar [eiser] betwist.

4.2

Ingevolge artikel 7:670b lid 1 BW is een overeenkomst waarmee een arbeidsovereenkomst wordt beëindigd slechts geldig indien deze schriftelijk is aangegaan. Anders dan B&S Transport heeft betoogd kwalificeert de brief van 24 januari 2020 (hiervoor onder 2.3) niet als een beëindigingsovereenkomst als bedoeld in genoemd artikel. In deze brief bevestigt B&S Transport slechts eenzijdig wat volgens haar tussen partijen op 24 januari 2020 is afgesproken. De brief bevat niet tevens een wilsuiting van [eiser] , waarmee [eiser] tot uitdrukking brengt dat het ook zijn wens is om tot een einde van de arbeidsovereenkomst te komen. Aan het schriftelijkheidsvereiste van artikel 7:670b lid 1 BW is dan ook niet voldaan. Van beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden is om die reden al geen sprake.

4.3

Tussen partijen is verder niet in discussie dat de arbeidsovereenkomst door B&S Transport niet met toestemming van het UWV dan wel vanwege een dringende reden onverwijld is opgezegd. Niet gesteld of gebleken is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen inmiddels (anderszins) is geëindigd. Het is de kantonrechter ambtshalve bekend dat het door B&S Transport aanhangig gemaakte voorwaardelijke ontbindingsverzoek op (kort gezegd) de e, g, h, i grond (zaaknummer 8569709 / VZ VERZ 20-11259) op 3 augustus 2020, voorafgaand aan de mondelinge behandeling die op 4 augustus 2020 zou plaatsvinden, is ingetrokken.

4.4

Het voorgaande brengt de kantonrechter dan ook tot het oordeel dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen na 1 maart 2020 nog onverminderd voortduurt.
B&S Transport is derhalve gehouden tot betaling van hetgeen zij op grond van de arbeidsovereenkomst (en de CAO) aan [eiser] verschuldigd is.

4.5

De kantonrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van de (omvang van de) loonaanspraken.

4.6

B&S Transport stelt aan alle loonaanspraken zoals [eiser] die tot en met september 2020 jegens haar stelt, volledig voldaan te hebben (cva punt 29 en cvd punt 33).

Tegen deze achtergrond en bij gebreke van een concreet gesteld rechtsgevolg, passeert de kantonrechter de stellingen van B&S Transport dat [eiser] in de maand februari 2020 niet volledig arbeidsongeschikt was en pas op 6 maart 2020 zijn bereidheid tot het uitvoeren van de bedongen arbeid heeft uitgesproken.

4.7

Als door B&S Transport verder onvoldoende onderbouwd weersproken staat in rechte vast dat [eiser] vanaf 30 januari 2020 volledig arbeidsongeschikt is. Blijkens de terugkoppeling van het spreekuur bij de bedrijfsarts van 12 oktober 2020 (productie 6 bij conclusie van repliek) oordeelde de bedrijfsarts dat dit op die datum nog steeds het geval was. Ook dit is door B&S Transport niet betwist en staat derhalve tussen partijen vast.

overuren

4.8

Ingevolge artikel 16 sub A lid 4 CAO heeft [eiser] tijdens zijn arbeidsongeschiktheid aanspraak op betaling van maximaal 7 overuren per week à 130% op basis van het bedrag dat hij gemiddeld gedurende de periode van 52 weken voorafgaand aan de eerste dag van zijn arbeidsongeschiktheid heeft ontvangen.

[eiser] stelt (onder verwijzing naar de loonstroken van periode 10/2019 tot en met 1/2020 als productie 1 overgelegd bij inleidend verzoekschrift) dat hij in die periode gemiddeld meer dan 7 overuren per week maakte en berekent het bedrag aan overuren op € 607,30 bruto per maand. B&S Transport volstaat met een kale betwisting van de door [eiser] gestelde overuren en daarmee zijn bruto vordering per maand. Daarmee laat zij ook onbesproken waarom in de -door haar zelf verstrekte- loonstroken van maart tot en met juni 2020 (productie 2 bij akte wijziging grondslag) posten “overwerkloon” en “overwerktoeslag” en bedragen staan vermeld en zij kennelijk zelf ook uitgaat van de verschuldigdheid daarvan. In het kader van haar verweer had zij op z’n minst enige toelichting dienen te geven. Door dit na te laten heeft zij haar verweer onvoldoende onderbouwd en wordt aan bewijslevering niet toegekomen. In rechte wordt derhalve uitgegaan van een loonaanspraak van [eiser] voor overuren tijdens arbeidsongeschiktheid op basis van 7 overuren à 130%.

[eiser] geeft onder punt 21 van zijn akte wijziging grondslag een algemene berekening voor zijn aanspraak op die overuren, zonder in te gaan op de specifieke bedragen aan “overwerkloon” en “overwerktoeslag” zoals die staan vermeld in de door hem overgelegde loonstroken. Nu hij niet heeft gesteld dat de betreffende bedragen niet kloppen, wordt van de juistheid van de bedragen aan “overwerkloon” en “overwerktoeslag” voor de maanden maart tot en met juni 2020 in de loonstroken uitgegaan. Voor de maanden nadien geldt de aanspraak op basis van 7 overuren à 130%.

loonvordering februari 2020

4.9

[eiser] stelt dat hij volgens de loonstrook van februari 2020 recht heeft op een bedrag van € 3.228,71 netto, waarvan € 2.670,89 bruto betrekking heeft op het (basis)loon en
een totaalbedrag van € 1.379,66 bruto op de op de loonstrook vermelde bedragen voor overwerk en overwerktoeslag. Deze beide bruto bedragen vordert hij onder a van zijn petitum, aldus [eiser] .

4.9.1

B&S Transport miskent bij conclusie van antwoord (punt 31), en wederom bij conclusie van dupliek (punt 37) -ondanks de uitleg van [eiser] onder punt 26 bij conclusie van repliek- dat het bedrag van € 1.379,66 bruto de totaalsom betreft van € 1.053,01 bruto aan overwerkloon en € 326,65 bruto aan overwerktoeslag vermeld op de loonstrook van februari 2020 en niet de wettelijke verhoging.

4.9.2

B&S Transport heeft de juistheid van de netto loonaanspraak van € 3.228,71 op grond van de loonstrook van februari 2020 niet betwist, waarmee dit in deze procedure vast staat. [eiser] heeft aangevoerd dat B&S Transport slechts deels aan haar loonbetalings-verplichtingen voor februari 2020 heeft voldaan met de betaling op 17 maart 2020 van
€ 1.000,- netto (hiervoor onder 2.6). [eiser] verwijst daarbij naar een bankoverzicht van ontvangen betalingen van B&S Transport bij productie 7 conclusie van repliek, die echter bij die productie ontbreekt, (zie ook punt 32 conclusie van dupliek). Wat hier ook van zij, het is aan B&S Transport die zich beroept op volledige betaling, om aan de hand van een betalingsbewijs mèt specificatie aan te tonen dat zij over de maand februari 2020 ook het resterende (bruto equivalent van) € 2.228,71 netto aan [eiser] heeft betaald. Dat die betaling heeft plaatsgevonden volgt niet uit haar stellingen en evenmin uit het bij conclusie van antwoord als productie 8 overgelegde betalingsbewijs met betrekking tot een bedrag van
€ 2.799,37 en transactiedatum 8 september 2020 aan deurwaarderskantoor De Klek Vis Niekus. Voor zover deze betaling wel strekt in mindering op het verschuldigde over februari 2020 dient daarmee vanzelfsprekend rekening te worden gehouden.

loonvordering vanaf maart 2020

4.10.

B&S Transport stelt in punt 29 van haar conclusie van antwoord dat zij alle door [eiser] tot en met september 2020 gestelde loonaanspraken heeft voldaan. Bij conclusie van repliek (punt 36) erkent [eiser] vervolgens de betaling door B&S Transport van het gebruikelijke loon vanaf 1 maart 2020 tot en met 31 oktober 2020. Onder punt 35 van die conclusie stelt [eiser] er belang bij te hebben dat in rechte de verschuldigdheid van dat loon wordt bevestigd en B&S Transport wordt veroordeeld tot betaling van het volledige loon, onder aftrek van hetgeen reeds is betaald, omdat doorbetaling van loon eerder bij wege van voorlopige voorziening is toegewezen en B&S Transport weliswaar heeft betaald, maar de verschuldigdheid heeft betwist. Nu de hiervoor onder 2.5 bedoelde voorlopige voorziening is gegeven op de voet van het bepaalde in artikel 223 Rv, verliest deze haar werking zodra in de hoofdzaak einduitspraak is gedaan. Dit betekent dat [eiser] belang heeft bij toewijzing van zijn loonvordering, onder aftrek van hetgeen reeds door B&S Transport is betaald.

vakantiegeld periode 1 juni 2019 tot 1 juni 2020 ad € 2.564,05 bruto

4.11

[eiser] heeft eerst bij conclusie van repliek (punt 34) erkend dat het vakantiegeld over deze periode door B&S Transport op 15 juli 2020 is betaald. Hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het karakter van een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv geldt ook ten aanzien van de onderhavige vordering. Het gevorderde bedrag van € 2.564,05 bruto is derhalve toewijsbaar, onder aftrek van hetgeen reeds door B&S Transport aan [eiser] is betaald.

wettelijke verhoging

4.12

[eiser] stelt dat de maximale wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW over het verschuldigde, niet tijdig aan hem betaalde loon over februari 2020 tot en met juli 2020 op zijn plaats is. Omdat B&S Transport vanaf september 2020 het gehele verschuldigde loon inclusief overuren en toeslagen wel is gaan betalen, refereert [eiser] zich voor de hoogte van de wettelijke verhoging aan het oordeel van de kantonrechter. [eiser] erkent dat zijn vakantiegeld over de periode 1 juni 2019 tot 1 juni 2020 pas opeisbaar was vanaf 1 juni 2020, maar stelt -onbetwist- dat het betreffende bedrag eerst op 15 juli 2020, derhalve niet tijdig, door B&S Transport aan hem is betaald en maakt daarom ook aanspraak op de wettelijke verhoging. B&S Transport acht matiging op z’n plaats gezien de billijkheid.

4.13

De kantonrechter overweegt als volgt. Artikel 7:625 BW is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer tijdig over het loon kan beschikken. Eveneens op grond van dit artikel kan de rechter de verhoging beperken tot een zodanig bedrag “als hem met het oog op de omstandigheden billijk zal voorkomen.”
B&S Transport heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden aangevoerd die een matiging van de wettelijke verhoging rechtvaardigen. Dat haar verweer in rechte, zowel bij voorlopige voorziening, als in de bodemprocedure, niet houdbaar is gebleken en blijkt, is een omstandigheid die voor haar rekening en risico komt en [eiser] in dat opzicht niet aangaat. De wettelijke verhoging zal daarom worden toegewezen over het niet tijdig betaalde loon over de maanden februari 2020 tot en met augustus 2020 alsmede over het niet tijdig betaalde vakantiegeld hiervoor onder 4.11 bedoeld tot een maximum van 50%. Nu [eiser] heeft gesteld dat B&S Transport vanaf september 2020 het verschuldigde loon betaalt en niet gesteld of gebleken is dat dit niet tijdig gebeurt, bestaat geen grond voor toewijzing van de wettelijke verhoging vanaf die maand. Datzelfde geldt voor de onder
sub b van het petitum begrepen toekomstige loonaanspraken, aangezien de wettelijke verhoging slechts toewijsbaar is over achterstallig loon.

bruto/netto betalingsspecificaties

4.14

Tegen de gevorderde overlegging van een correcte bruto/netto specificatie van alle betalingen, is door B&S Transport geen afzonderlijk verweer gevoerd. Deze vordering is dan ook toewijsbaar. De hieraan te verbinden dwangsom zal de kantonrechter matigen tot
€ 50,- per dag, met een maximum van € 2.500,00.

buitengerechtelijke kosten

4.15

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn betwist. B&S Transport stelt zich onder meer op het standpunt dat er geen relevante buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, die een afzonderlijke vergoeding rechtvaardigen.

[eiser] heeft onvoldoende concreet gesteld dat dit anders is. Het door [eiser] gevorderde bedrag van € 392,- aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is dan ook niet toewijsbaar.

wettelijke rente

4.16

Bij gebreke van een vordering in het petitum tot toewijzing van wettelijke rente over gevorderde bedragen komt de kantonrechter niet toe aan bespreking van de stelling die daarop ziet.

proceskosten

4.17

B&S Transport is de partij die voor het grootste deel in het ongelijk wordt gesteld. Zij wordt daarom veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op € 236,- aan verschotten en € 622,00 (2 punten à € 311,00) aan salaris voor zijn gemachtigde.

4.18

De apart gevorderde nakosten worden toegewezen als hierna vermeld, nu de proceskostenveroordeling hiervoor reeds een executoriale titel geeft en de kantonrechter van oordeel is dat de nakosten zich reeds vooraf laten begroten.

tot slot

4.19

Hetgeen verder nog door partijen is aangevoerd behoeft geen bespreking en beslissing, omdat dit niet leidt tot een ander oordeel.

5. De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt B&S Transport om tegen kwijting aan [eiser] te betalen:

  1. an loon over februari 2020 een bedrag van € 4.050,55 bruto (€ 2.670,89 bruto plus
    € 1.379,66 bruto) en overige emolumenten, minus het reeds betaalde bedrag van
    € 1.000,- netto;

  2. € 2.670,89 bruto per maand, te vermeerderen met de bruto bedragen aan overwerkloon en overwerktoeslag per maand, zoals hiervoor onder 4.8 bedoeld, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag over het basisloon en overige emolumenten, vanaf 1 maart 2020 tot dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is beëindigd, dan wel de wettelijke loondoorbetalingsperiode bij ziekte zal zijn verstreken, minus de reeds betaalde bedragen;

  3. € 2.564,05 bruto aan vakantiegeld over de periode 1 juni 2019 tot 1 juni 2020, minus het reeds terzake betaalde bedrag;

  4. e wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW ad 50% berekend over het achterstallig loon over de maanden februari 2020 tot en met augustus 2020 alsmede over het niet tijdig betaalde vakantiegeld betreffende de periode 1 juni 2019 tot 1 juni 2020, tot aan de dag van algehele voldoening;

veroordeelt B&S Transport tot het verstrekken van een schriftelijke en deugdelijke bruto/netto specificatie waarin de bedragen en betalingen van het onder a. tot en met d. genoemde en bedoelde zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 50,00 per dag voor elke dag na betekening van het vonnis dat B&S Transport niet voldoet aan het vonnis, zulks met een maximum van in totaal € 2.500,00;

veroordeelt B&S Transport in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op € 236,00 aan verschotten en € 622,00 aan salaris voor zijn gemachtigde,

en indien B&S Transport niet binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis aan het vonnis heeft voldaan, begroot op € 124,00 aan nasalaris. Indien daarna betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, dient het bedrag aan nasalaris nog te worden verhoogd met de kosten van betekening;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

362