Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5487

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
10/661061-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Doodslag op echtgenote, moeder van hun 3 jonge kinderen

Geen voorwaardelijk opzet maar vol opzet.

Geen volledige ontoerekenbaarheid zoals geadviseerd door PBC maar verminderde toerekenbaarheid

3 jaar gevangenisstraf en tbs met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/661061-20

Datum uitspraak: 15 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

wonende te [woonplaats verdachte] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haaglanden, PPC,

raadsman mr. I. Car, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het opnieuw aangevangen onderzoek op de terechtzitting van 1 juni 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H.J. du Croix heeft gevorderd:

  • -

    vrijspraak van de impliciet primair ten laste gelegde moord;

  • -

    bewezenverklaring van de impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag;

  • -

    ontslag van alle rechtsvervolging van de verdachte en oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling van de verdachte met bevel tot dwangverpleging.

4. Vrijspraak moord

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat de impliciet primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend is bewezen, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.

Voor een veroordeling ter zake van moord is vereist dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet voor een bewezenverklaring van het bestanddeel voorbedachten rade komen vast te staan dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit om het slachtoffer te doden en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Hij moet de gelegenheid hebben gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en moet zich daarvan ook feitelijk rekenschap hebben gegeven.

De verdachte heeft zijn echtgenote met messteken en mogelijk ook door verwurging om het leven gebracht. Dit vond plaats in de slaapkamer van hun woning. Het mes waarmee is gestoken had de verdachte voorafgaand aan het steken vanuit de keuken meegenomen. De deur van de slaapkamer had hij op slot gedaan, nadat hij de slaapkamer was binnengegaan.

Op zichzelf zijn dit aanwijzingen dat de verdachte iets van plan was met het mes. Deze aanwijzingen zijn echter onvoldoende om met voldoende mate van zekerheid voorbedachten rade bewezen te achten. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat de verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer met het mes wilde bedreigen om te verhinderen dat zij hem zou verlaten. Verder bestaat de reële mogelijkheid dat de verdachte, bij wie - zoals hierna onder 7 zal worden toegelicht - voorafgaand aan het doden van het slachtoffer sprake was van een actieve psychotische episode, vooral impulsief, in een opwelling heeft gehandeld. In ieder geval staat onvoldoende vast dat voorafgaand aan het steken er een reëel moment van bezinning is geweest.

5. Bewijs en bewezenverklaring doodslag

5.1.

Standpunten officier van justitie en verdediging

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer, zodat doodslag kan worden bewezen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van het bewijs van doodslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.2.

Beoordeling

Op grond van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte het slachtoffer meermalen met een mes in het lichaam heeft gestoken en gesneden. Tevens heeft hij haar keel dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden. Het slachtoffer had meerdere steek- en snijverwondingen in de hals, waaronder midden in de hals, dwars op de lichaamsas, twee huidklievingen van respectievelijk 13 en 15,5 centimeter. In die verwondingen was zicht op de mond- en keelholte, via een klieving boven het tongbeen. Er was een perforatie van de binnenste tak van de (linker) halsslagader en van meerdere kleine onderhuidse bloedvaten. Deze beschadigingen hebben geleid tot zeer ernstig bloedverlies, waarmee het overlijden van het slachtoffer kan worden verklaard. Gezien de stuwing in het hoofd- en halsgebied en enkele puntvormige bloeduitstortingen in de bindvliezen van de oogleden heeft het samendrukkend geweld op de hals (verwurging), wat de doorbloeding van de hersenen kan belemmeren, mogelijk ook een bijdrage geleverd aan het overlijden van het slachtoffer.

De gedragingen van de verdachte, waarbij hij - gelet op het beschreven letsel - meermalen en met kracht met het mes in de keel van het slachtoffer heeft gestoken en gesneden en hij tevens met kracht de keel van het slachtoffer heeft dichtgehouden, zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht geweest op het toebrengen van dodelijk letsel, dat het niet anders kan dan dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. De rechtbank zal daarom het standpunt van de officier van justitie dat sprake is van voorwaardelijk opzet niet volgen en acht vol opzet bewezen.

5.3.

Bewijsmiddelen en bewezenverklaring

In bijlage II is de inhoud van de wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van het hiervoor weergegeven oordeel van de rechtbank over het opzet van de verdachte, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij op 29 augustus 2020 te Rotterdam opzettelijk een persoon, genaamd [naam slachtoffer] , van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en , met kracht de hals/keel van die [naam slachtoffer] dichtgeknepen en dichtgeknepen gehouden en met een mes meermalen gestoken en gesneden in het gelaat en de hals en de armen en de flanken en de nek en de keel/hals van die [naam slachtoffer] heeft doorgesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

6. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

7. Strafbaarheid verdachte

De verdachte is ter observatie opgenomen geweest in het Pieter Baan Centrum (PBC) te Almere. De arts in opleiding tot psychiater [naam 1] , onder supervisie van psychiater [naam 2] , en GZ-psycholoog [naam 3] , allen verbonden aan het PBC, hebben gezamenlijk op 16 april 2021 een rapport uitgebracht. Op de terechtzitting zijn [naam 1] en [naam 3] als deskundigen gehoord en hebben zij hun bevindingen nader toegelicht.

Op basis van het uitgevoerde onderzoek concluderen de rapporteurs dat bij de verdachte sprake is van een ernstige psychiatrische stoornis, vermoedelijk in het kader van schizofrenie, die een bepalende rol heeft gespeeld bij het plegen van het ten laste gelegde feit. In geval van een bewezenverklaring wordt geadviseerd om hem dit feit niet toe te rekenen en de verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De rechtbank acht de diagnostische conclusies in het PBC-rapport overtuigend onderbouwd en neemt deze tot uitgangspunt bij haar verdere beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte. Ook de forensische analyse van de onderzoekers met betrekking tot het verband tussen de stoornis en het bewezen feit kan de rechtbank grotendeels volgen. Anders dan de officier van justitie en de raadsman ziet de rechtbank echter aanleiding om af te wijken van het op basis van deze analyse gegeven advies aangaande de mate van toerekenbaarheid van het delict aan de verdachte. De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.

Is bij de verdachte sprake van een psychische stoornis?

De onderzoekers beschrijven de verdachte tijdens zijn verblijf in het PBC als een floride psychotische man, met een uitgebreide paranoïde waandenkwereld rondom de vermeende ontrouw van zijn echtgenote. Deze waanwereld breidt zich gedurende het onderzoek verder uit, waarbij in gesprek met de onderzoekers bij de verdachte ook sprake blijkt van formele denkstoornissen en hij in toenemende mate verward en gedesoriënteerd raakt. Behalve door psychotische belevingen wordt de onderzoekshouding van de verdachte gekleurd door somberheid. Deze stemmingsklachten kunnen passen bij een depressieve stoornis, maar zijn mogelijk (ook) meer situatief bepaald in reactie op het tenlastegelegde. De bij de verdachte geobserveerde emotionele vervlakking, zelfverwaarlozing en het terugtrekken uit sociale situaties kunnen daarnaast worden gezien als zogeheten negatieve symptomen in het kader van zijn psychotische problematiek. Volgens de onderzoekers moet deze problematiek waarschijnlijk worden opgevat als onderdeel van een sinds enkele jaren bestaande, in ernst toenemende schizofrene ontwikkeling.

Bestond deze stoornis ook ten tijde van het bewezen feit?

Op de terechtzitting hebben de deskundigen toegelicht dat over het beloop van de gesignaleerde schizofrene ontwikkeling en over het invaliderende effect hiervan op het functioneren van de verdachte in de afgelopen jaren, geen stellige uitspraken kunnen worden gedaan. Dit vindt ten dele grond in het feit dat de verdachte de afgelopen twintig jaar voor zijn werk gedurende langere periodes in het buitenland verbleef en de bij het onderzoek gesproken referenten daardoor beperkt zicht hadden op zijn doen en laten. De verdachte heeft daarnaast geen toestemming willen geven voor het inzien van zijn medisch dossier. Hoewel in de periode vanaf 2014 door verschillende leden van zijn (schoon)familie wordt gesignaleerd dat de verdachte zich sociaal meer terugtrok - wat als een typerende ‘knik’ in de levensloop zou kunnen passen binnen een in ernst toenemend psychotisch proces - worden daarnaast andere factoren genoemd, waaronder financiële conflicten en leningen aan de verdachte vanwege gokschulden, die de familieverhoudingen zouden hebben verstoord. De verdachte wordt bovendien door diezelfde referenten als liefdevol en zorgzaam omschreven in relatie tot zijn echtgenote en kinderen, en ook op zijn werk lijkt de verdachte zelfs kort voor het bewezen geweldsdelict nog goed te hebben gefunctioneerd.

Vanaf begin 2020, ongeveer een jaar nadat zijn echtgenote en kinderen vanuit Roemenië naar Nederland waren verhuisd in het kader van een gezinshereniging, worden meer eenduidige psychotische symptomen waargenomen. De verdachte trok zich sociaal (nog) verder terug. Hij meldde zich meermalen bij de politie, omdat hij zou worden achtervolgd door onbekenden in verband met de afbetaling van schulden, en maakte daarbij een verwarde, paranoïde indruk. Ook liet hij tot tweemaal toe zijn auto controleren op de aanwezigheid van gps-trackers die zouden zijn geplaatst om hem te kunnen volgen. Volgens een schoonzus reageerde de verdachte jaloers op een Facebook-contact van zijn echtgenote met een jeugdliefde, zonder dat zij enige bijbedoeling had met dit contact. Vanaf juli 2020 raakte de verdachte werkloos, omdat hij weigerde een hem aangeboden nieuw arbeidscontract te ondertekenen, aangezien hij de inhoud daarvan niet vertrouwde.

Hoewel op basis van het PBC-onderzoek sprake lijkt te zijn van een in ernst toenemend psychiatrisch toestandsbeeld in de periode na - en mogelijk mede veroorzaakt door - het bewezen geweldsdelict, volgt de rechtbank de conclusie van de onderzoekers dat ook ten tijde van dit feit bij de verdachte reeds sprake was van een psychische stoornis.

Was de stoornis van invloed bij het plegen van het bewezen feit?

De verdachte heeft bij de politie verklaard dat zijn echtgenote kort voor het bewezen feit na een ruzie had aangekondigd hem met de kinderen te zullen verlaten. De aanleiding tot deze ruzie zou zijn gelegen in foto’s die de verdachte aantrof op haar telefoon en zou verband houden met de reeds genoemde jeugdliefde. De verdachte vond dat hij niet kon toestaan dat zijn echtgenote hem zou verlaten, zonder te vertellen waar ze naartoe zou gaan en zonder dat de scheiding eerst “netjes” geregeld was. Hij zou in de keuken een mes hebben gepakt om het vertrek van zijn echtgenote te verhinderen. Na het afsluiten van de slaapkamerdeur kwam het volgens de verdachte tot een gevecht, waarbij over en weer werd geschopt en gekrabd, en hij zijn echtgenote in deze worsteling meermalen met het mes heeft gestoken en haar uiteindelijk dodelijk heeft verwond. De verdachte heeft hierna geprobeerd ook zichzelf van het leven te beroven door het mes in zijn hals te steken.

Tijdens het PBC-onderzoek heeft de verdachte opnieuw gesproken over de aanloop tot het bewezen feit. Zijn betoog was voor de onderzoekers vaak lastig te volgen, omdat sprake was van desorganisatie van zijn denken. Zoals de deskundige [naam 3] op de terechtzitting heeft toegelicht was ook het zich uitbreidende waansysteem van de verdachte en de daarin passende tendens om gebeurtenissen uit het verleden achteraf psychotisch te interpreteren, een complicerende factor bij de delictanalyse. Hoewel duidelijke aanwijzingen bestaan dat de geschetste psychotische ontregeling al langere tijd zijn weerslag had op de relatie met het slachtoffer, en ook in de aanleiding tot de ruzie paranoïde elementen een rol lijken te spelen, kon de geweldsescalatie binnen de slaapkamer niet concreet met de verdachte worden besproken. Gevoelens van wanhoop, boosheid en paniek lijken binnen de psychose een faciliterende rol te hebben gespeeld bij de gepleegde geweldshandelingen, zonder dat dit volgens de onderzoekers afdoet aan het gegeven advies ten aanzien van de strafbaarheid van de verdachte.

Kan het bewezen feit aan de verdachte worden toegerekend?

De rechtbank ziet aanleiding in de bevindingen uit het PBC-rapport en in de toelichting daarop op de terechtzitting om af te wijken van het gegeven advies met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte. Vastgesteld wordt allereerst dat de verdachte, ook in de periode van de beschreven schizofrene ontwikkeling, niet eerder gewelddadig gedrag heeft vertoond, maar zich binnen zijn paranoïde psychose juist vooral terugtrekt en zich steeds verder isoleert van zijn omgeving. Hoewel dit een psychotisch motief bij het bewezen feit niet uitsluit, acht de rechtbank van belang dat het bredere beloop van de stoornis volgens de PBC-onderzoekers geen aanwijzingen biedt voor problemen in de regulatie van agressieve impulsen.

Op de terechtzitting heeft de verdachte in het geheel niets willen of kunnen zeggen over de feiten die hem worden verweten. Ook voor de rechtbank is daarmee niet duidelijk wat zich in de slaapkamer tussen de verdachte en het slachtoffer precies heeft afgespeeld en wat hem er uiteindelijk toe bracht om zijn echtgenote om het leven te brengen. De rechtbank ziet daarbij in de door de PBC-onderzoekers vastgestelde, zich ook na het bewezen feit verder uitbreidende waanwereld van de verdachte, reden tot terughoudendheid bij de weging van zijn als psychotisch geduide uitlatingen rondom het bewezen feit tijdens het PBC-onderzoek. Wat betreft de relatie met zijn echtgenote zijn bijvoorbeeld geen aanwijzingen gevonden dat door de verdachte geuite beschuldigingen van seksueel wangedrag door het slachtoffer gedurende een reeks van jaren, ook in de periode vóór het bewezen feit feitelijk een rol hebben gespeeld. GZ-psycholoog [naam 4] , die de verdachte enkele dagen na het bewezen feit sprak in het kader van een consult strafrechtspleging, vond op dat moment geen aanwijzingen voor ernstige verwardheid of desorganisatie, zoals tijdens het PBC-onderzoek het geval was. Daarmee wordt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende duidelijk in hoeverre andere factoren, zoals financiële problemen door gokschulden en door het verlies van zijn baan, of reëel invoelbare emoties bij de verdachte na de aankondiging door het slachtoffer van haar vertrek, ook meer onafhankelijk van de psychose in de uiteindelijke geweldsescalatie van invloed kunnen zijn geweest.

Conclusie

Hoewel de rechtbank er op basis van het PBC-rapport vanuit gaat dat de bij de verdachte vastgestelde psychische stoornis (in het bijzonder de paranoïdie en het hiermee samenhangend sociaal isolement) een belangrijke rol heeft gespeeld in de aanloop tot het bewezen delict, wordt een rechtstreeks causaal verband op basis van de beschikbare informatie onvoldoende aannemelijk geacht. De verdachte is dus strafbaar. Het door de officier van justitie en de raadsman ingenomen standpunt dat de verdachte wegens ontoerekeningsvatbaarheid dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wordt daarom niet gevolgd.

8. Motivering straf en maatregel

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zijn echtgenote in hun woning door messteken en verwurging om het leven gebracht. Hij heeft haar daarmee het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. Hun drie jonge kinderen zullen verder moeten opgroeien buiten het ouderlijk gezin en zonder de steun en liefde van hun moeder. De slachtofferverklaring van de kinderen, die door hun voogd is voorgelezen op de terechtzitting, getuigt van het leed dat zij hierdoor ondervinden en toont tegelijkertijd hoezeer zij ook hun vader missen in deze voor hen nauwelijks voorstelbare omstandigheden. Zij en andere personen met wie het slachtoffer een band had, zullen de diepe sporen van dit onverwachte en te vroege verlies met zich brengt moeten meedragen. Dergelijke feiten leiden begrijpelijkerwijs ook tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij.

Uit een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 mei 2021 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke of andere geweldsmisdrijven.

Op basis van de onder 7 beschreven bevindingen uit de rapportage van het PBC concludeert de rechtbank dat de bij de verdachte vastgestelde psychische stoornis zodanige invloed heeft gehad bij het plegen van het delict, dat dit feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend.

Ten aanzien van het recidiverisico wordt in het PBC-rapport overwogen dat bij de verdachte sprake is van een langer bestaand, in ernst toenemend psychotisch proces, waarbij ten tijde van het onderzoek sprake was van een uitbreiding van de wanen met betrekkingsideeën. De verdachte vertrouwt niemand, waarbij volgens de onderzoekers een matig-hoge kans bestaat dat hij mensen in zijn omgeving betrekt in zijn waansysteem en hij voor hen uiteindelijk een gevaar kan vormen. Op basis van de toedracht van het tenlastegelegde wordt aannemelijk geacht dat in een situatie waarin de verdachte zich in het nauw gedreven voelt en angstig wordt, hij ook in de toekomst kan reageren met ernstige vormen van agressie. Mede op basis van gestructureerde risicotaxatie instrumenten concluderen de onderzoekers dat het risico op geweldsrecidive, bij het uitblijven van een passende behandeling, op middellange termijn als matig tot hoog en op lange termijn als hoog dient te worden ingeschat, met een matig tot hoge kans op ernstig letsel.

Vanwege de ernst van de vastgestelde, voor zover bekend nog onbehandelde psychiatrische stoornis en ter vermindering van het recidiverisico achten de onderzoekers een intensieve (klinische) behandeling in een gedwongen juridisch kader noodzakelijk. Geadviseerd wordt om de verdachte ter beschikking te stellen met bevel tot verpleging van overheidswege. Een minder ingrijpend behandelkader achten de onderzoekers niet uitvoerbaar bij gebrek aan ziekte-inzicht van de verdachte en vanwege zijn weigering om medicatie te gebruiken.

Op basis van het PBC-rapport en de beoordeling daarin van het gevaar voor herhaling van geweldsdelicten door de verdachte vanuit de bij hem vastgestelde ziekelijke stoornis, onderschrijft de rechtbank de conclusie dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege noodzakelijk is ter beperking van het recidivegevaar.

Er wordt voldaan aan de wettelijke, in de artikelen 37a en 37b van het Wetboek van Strafrecht opgenomen, formele eisen die gelden voor de oplegging van een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. Het bewezen feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen eisen de terbeschikkingstelling van de verdachte en het bevel tot verpleging van overheidswege.

Omdat het bewezenverklaarde feit, ter zake waarvan deze maatregel zal worden opgelegd, een misdrijf is als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, aanhef en onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen kan de totale duur van de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege een periode van vier jaar te boven gaan.

Gezien de aard en de ernst van het bewezen feit acht de rechtbank daarnaast de oplegging van een gevangenisstraf onontkoombaar. De bij de verdachte vastgestelde psychische stoornis, waardoor het bewezen feit hem slechts in sterk verminderde mate kan worden toegerekend, zal bij de bepaling van de duur van de op te leggen gevangenisstraf in strafverminderende zin zwaar worden meegewogen.

Alles afwegend worden de hierna te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

9. Benadeelde partijen / schadevergoedingsmaatregelen

Vorderingen

Door hun wettelijk vertegenwoordiger mr. D.S. Lösing, advocaat te Rotterdam, hebben zich als benadeelde partijen in het geding gevoegd:

- [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2012;

- [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2014,

- [naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2017

zijnde de minderjarige kinderen van de verdachte,

gemachtigde mr. N. Stolk, advocaat te Rotterdam.

De benadeelde partijen vorderen ieder een vergoeding van € 20.000,- ter zake van affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De gemachtigde van de benadeelde partijen heeft op de terechtzitting verzocht om aan de schadevergoedingsmaatregel geen mogelijkheid tot gijzeling te verbinden, aangezien de toepassing daarvan een omgangsregeling tussen de verdachte en de benadeelde partijen in de toekomst zou kunnen belemmeren.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen dienen te worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Zij heeft zich aangesloten bij het verzoek van de raadsvrouw van de benadeelden om af te zien van het opleggen van de mogelijkheid tot gijzeling.

Standpunt verdachte

De raadsman van de verdachte heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft zich ten aanzien van de gijzeling eveneens op het standpunt gesteld dat de oplegging daarvan ongewenst is.

Beoordeling

Vast is komen te staan dat de benadeelde partijen door het bewezenverklaarde strafbare feit affectieschade is toegebracht. De benadeelde partijen hebben dit genoegzaam onderbouwd en het bestaan van die schade is door of namens de verdachte niet weersproken.

De schade zal op grond van het Besluit vergoeding affectieschade voor ieder van de benadeelde partijen worden vastgesteld op € 20.000,-, zodat de vorderingen geheel zullen worden toegewezen.

De gevorderde wettelijke rente is eveneens, als niet weersproken en op de wet gegrond, toewijsbaar. De rechtbank zal die wettelijke rente toewijzen vanaf 29 augustus 2020, zijnde de datum van het schadeveroorzakende delict.

Nu de vorderingen van de benadeelde partijen zullen worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden voor de benadeelde partijen gezamenlijk begroot op een bedrag van in totaal € 746,- en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Naast de veroordeling van de verdachte tot betaling van bovengenoemde schadebedragen, zal tevens de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht worden opgelegd. Overeenkomstig het verzoek namens de benadeelde partijen en gelet op het standpunt dat de officier van justitie en de raadsman van de verdachte hierover hebben ingenomen, zal worden bepaald dat bij het niet-betalen van de schadebedragen geen gijzeling van de verdachte kan worden toegepast.

10 . Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

12 . Beslissing

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het impliciet primair ten laste gelegde feit (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan mr. D.S. Losing voornoemd in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de benadeelde partij [naam kind 3] te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam kind 3] te betalen € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan mr. D.S. Losing voornoemd in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de benadeelde partij [naam kind 1], te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam kind 1] te betalen € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;

veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan mr. D.S. Losing voornoemd in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de benadeelde partij [naam kind 2] te betalen een bedrag van € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 29 augustus 2020 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partijen gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partijen in totaal begroot op € 746,- aan salaris voor de raadsvrouw mr. N. Stolk en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [naam kind 2] te betalen € 20.000,- (zegge: twintigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 augustus 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

bepaalt dat bij niet-betaling door de verdachte van de opgelegde schadebedragen geen gijzeling kan worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.K. Asscheman-Versluis, voorzitter,

en mrs. J.M.L. van Mulbregt en L.J.M. Janssen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. van der Hoeff, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 augustus 2020 te Rotterdam opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (met kracht) de hals/keel van die [naam slachtoffer] dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden en/of met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen gestoken en/of gesneden in het gelaat en/of hals en/of de arm(en) en/of de flanken en/of de nek en/of de keel/hals van die [naam slachtoffer] heeft doorgesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht