Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5436

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
11-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
10/135003-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 6 en 8 WVW. Verdachte heeft een voetganger aangereden die als gevolg daarvan is overleden. Vastgesteld is dat verdachte 16x keer de wettelijk toegelaten hoeveelheid amfetamine dan wel een amfetamine-achtige stof in zijn bloed had. Met name die omstandigheid maakt dat de rechtbank komt tot een bewezenverklaring dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onopletend heeft gereden. Volgt een veroordeling tot een taakstraf van 240 uren en een rijontzegging voor de duur van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/135003-20

Datum uitspraak: 11 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsvrouw mr. J.A. van Gemeren, advocaat te Rotterdam.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. J.B. Wooldrik heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, alsmede (ten aanzien van feit 1) een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren, met aftrek van de tijd waarin het rijbewijs al ingevorderd en ingehouden is geweest, en (ten aanzien van feit 2) een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijswaardering feiten 1 en 2

Standpunt verdediging

De verdachte moet van het onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken, omdat er geen sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Ook dient vrijspraak te volgen voor het onder 2 ten laste gelegde rijden onder invloed van amfetamine. Niet bewezen kan worden dat de verdachte op het moment van het ongeval daarvan onder invloed was. Hij had twee dagen eerder wel amfetamine gebruikt, maar hij voelde daarvan niets meer toen hij ging rijden. Uit informatie op de website van de Jellinek-kliniek komt naar voren dat dit mogelijk is. Daarop is vermeld dat de afbraakstoffen in de urine, die bij de bloedtest worden gemeten, tot 1 tot 4 dagen aantoonbaar kunnen zijn, terwijl de effecten van deze drugs ongeveer 4 tot 8 uren duren. De concentratie van amfetamine in het bloed komt dus niet helemaal overeen met de effecten die de gebruiker ervaart. De uitslag van de bloedtest kan dus verenigbaar zijn met de verklaring van de verdachte. De door de verbalisanten bij de verdachte waargenomen lichamelijke verschijnselen kunnen ook door de schok zijn gekomen. Ook zijn er geen aanwijzingen dat het aan de schuld van de verdachte te wijten is dat hij de voetganger niet heeft opgemerkt.

Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 WVW is vereist dat vast komt te staan dat een verdachte zich zodanig heeft gedragen in het verkeer dat een aan zijn schuld te wijten ongeval plaatsvindt. Of sprake is van schuld hangt af van het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Ook een beperkte, tijdelijke onoplettendheid in het verkeer hoeft nog geen schuld op te leveren. Concreet betekent dit, dat hoe erg de gevolgen van een ongeluk ook zijn, daaruit niet automatisch volgt dat de bestuurder strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Van schuld in de zin van artikel 6 WVW is pas sprake in het geval van (tenminste) een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Om een zeer grote, dan wel aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid vast te stellen, dient de rechtbank te kijken naar alle vaststaande feiten en omstandigheden van het geval.

Vast staat dat er op 15 mei 2020 in Maassluis omstreeks 18:43 uur op het als rotonde uitgevoerde kruispunt van de P.C. Hooftlaan en de Laan 1940-1945 een aanrijding tussen een auto, bestuurd door de verdachte, en een voetganger, [naam slachtoffer] (hierna: [naam slachtoffer] ), heeft plaatsgevonden. De verdachte kwam vanaf de Laan 1940-1945 en nam op de rotonde de eerste afslag, de P.C. Hooftlaan op. [naam slachtoffer] stak op dat moment vanaf de overkant ter hoogte van het zebrapad (ernaast, mogelijk schuin richting de stoep) de rijbaan over. De verdachte heeft [naam slachtoffer] niet opgemerkt en hem aangereden. Hierdoor is hij via het linker voorspatbord van de auto tegen de voorruit en tegen de dakrand gebotst, waarna hij is weggeworpen in voorwaartse richting en op het wegdek is gevallen. Hij raakte als gevolg van deze botsing en de val (zeer) zwaar gewond. Hij is naar het ziekenhuis gebracht en is daar op 3 juni 2020 overleden aan de gevolgen van het ongeval.

Ook staat vast dat de verdachte eerder (naar eigen zeggen: de avond ervoor) drugs had gebruikt, namelijk amfetamine. Uit het bloedonderzoek volgt dat een bepaalde hoeveelheid van deze stof op het moment van het ongeval nog in zijn bloed moet hebben gezeten. Ongeveer anderhalf uur daarna is bij hem bloed afgenomen en daarin bleek bij onderzoek 830 microgram amfetamine of een amfetamine-achtige stof per liter in te zitten, terwijl de wettelijke grenswaarde in de Wegenverkeerswet is gesteld op 50 microgram per liter bloed.

De verdachte heeft verklaard dat hij deze drugs al lange tijd gebruikt als pijnbestrijder en dat dit geen invloed op zijn rijgedrag en inschattingsvermogen heeft.

De rechtbank komt tot een ander oordeel. De verdachte had op het moment van het ongeval een hele hoge concentratie amfetamine of een amfetamine-achtige stof in zijn bloed, namelijk zestien keer meer dan de wettelijk toegelaten grenswaarde. Het is een feit van algemene bekendheid dat het gebruik van deze stoffen de rijvaardigheid nadelig kan beïnvloeden, onder andere door zelfoverschatting, verminderde onoplettendheid en onjuiste risico-inschatting. Deze effecten hebben juist geleid tot aanvulling van artikel 8 WVW. Het is mogelijk dat deze effecten bij langdurig gebruik minder snel optreden, maar bij een hoge concentratie zoals bij de verdachte is gemeten, kan het niet anders dan dat dit reële invloed moet hebben gehad op zijn rijgedrag en inschattingsvermogen. De verdachte vertoonde na het ongeval bovendien de uiterlijke kenmerken van iemand die onder invloed is van amfetamine of een amfetamine-achtige stof. De politie beschrijft dat de verdachte wijd opengesperde en bloeddoorlopen ogen had, maar ook een vergrote pupil, spierspanning in zijn kaken, een volledig wit uitgeslagen tong en droge lippen. Hij gedroeg zich heel onrustig, agressief, was snel geïrriteerd, verward en angstig en sprak druk en onsamenhangend. Dergelijke kenmerken passen bij het gebruik van dit type drugs en uit niets volgt dat deze verschijnselen het gevolg zijn van of te verklaren zijn vanuit de schok van het ongeval.

Bij het voorgaande is meegewogen dat de verkeerssituatie en de weersomstandigheden ter plaatse zodanig waren dat de verdachte [naam slachtoffer] had moeten zien. De wegsituatie was duidelijk en overzichtelijk en de weersomstandigheden waren goed. Ook de stand van de zon was ten tijde van het ongeval op die plaats zodanig dat hij daarvan geen hinder heeft ondervonden. Verder had de verdachte [naam slachtoffer] al van tevoren moeten zien aankomen. De verdachte is gestopt voor de rotonde en reed dus vanuit stilstand en met een lage snelheid toen hij van de rotonde afsloeg naar de P.C. Hooftlaan. Hij had dus langere tijd zicht op de voetgangersoversteekplaats en directe omgeving daarvan en had [naam slachtoffer] dus kunnen zien. Ook had hij bij het afslaan nogmaals goed moeten kijken of er iemand overstak. Hij heeft dit kennelijk niet afdoende gedaan en het kan niet anders dan dat dit mede te wijten is geweest aan het rijden onder invloed van amfetamine of een amfetamine-achtige stof.

Deze combinatie van gedragingen is naar zijn aard en ernst zodanig dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte op een aanmerkelijk onvoorzichtige en onoplettende wijze heeft gereden. Bewezen is daarom dat het verkeersongeval, als gevolg waarvan [naam slachtoffer] is komen te overlijden, aan zijn schuld te wijten is in de betekenis van artikel 6 WVW. Het onder 1 primair ten laste gelegde is daarmee wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op het voorgaande is ook het onder 2 ten laste gelegde rijden onder invloed van drugs wettig en overtuigend bewezen.

4.2.

Bewezenverklaring feit 3 zonder nadere motivering

Het onder 3 ten laste gelegde voorhanden hebben van MDMA en amfetamine is door de verdachte bekend. Dit feit zal daarom zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.

Met betrekking tot de amfetamine is - zoals ook de officier van justitie en de raadsvrouw hebben opgemerkt - bewezen dat het een hoeveelheid van 1,3 gram betrof en niet 2,2 gram zoals ten laste is gelegd.

4.3.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, omdat de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:

1. primair.

hij op 15 mei 2020 te Maassluis als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de P.C. Hooftlaan,

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , die doende was de rijbaan van die P.C. Hooftlaan over te steken en die weg reeds voor een groot gedeelte (halverwege) ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats was overgestoken, niet heeft opgemerkt en

- vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met die [naam slachtoffer] , als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] ten val is gekomen,

waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van drugs, te weten amfetamine en/of (een) stof(fen) uit de groep amfetamine-achtigen;

2.

hij op 15 mei 2020 te Maassluis

een motorrijtuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen,

na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine en/of (een) stof(fen) uit de groep amfetamine-achtigen,

terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 830 microgram per liter bloed bedroeg,

zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde;

3.

hij op 15 mei 2020 te Maassluis

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,5 gram van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en ongeveer 1,3 gram van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde MDMA en amfetamine telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. en 2. de eendaadse samenloop van

1. primair.

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in een toestand als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van die wet;

en

2.

overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (830 mg/l);

en

3.

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straffen

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed van drugs en het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval door zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend in het verkeer te gedragen. De verdachte is onder invloed van drugs met de auto gaan rijden en heeft mede daardoor de afslag bij de rotonde genomen zonder goed te kijken of er iemand overstak. Als gevolg daarvan heeft hij een overstekende voetganger niet opgemerkt en aangereden. Het slachtoffer raakte daardoor zwaar gewond en is na tweeënhalve week aan de gevolgen van het ongeval overleden.

Het leed dat de verdachte daarmee voor de nabestaanden van het slachtoffer heeft veroorzaakt is groot en onherstelbaar, zoals ook naar voren is gekomen in de verklaring die de dochter van het slachtoffer ter terechtzitting heeft afgelegd. Bij de nabestaanden zijn het gemis en het verdriet groot. Dit wordt de verdachte aangerekend. De rechtbank weegt anderzijds mee dat dit verkeersongeval ook op de verdachte veel impact heeft, dat hij spijt heeft betuigd, zowel in een brief aan de nabestaanden als op de zitting, en dat hij zich bereid heeft getoond om na de zitting/de uitspraak met de nabestaanden in gesprek te gaan als zij daar ook behoefte aan hebben en daartoe bereid zijn.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van een beperkte hoeveelheid van de harddrugs amfetamine en MDMA. Harddrugs vormen een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Het gebruik van dergelijke middelen en het vaak daarmee gepaard gaande criminele gedrag veroorzaken onrust en schade in de samenleving.

De rechtbank heeft in een uittreksel uit de justitiële documentatie van 30 april 2021 gezien dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Verder heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden, namelijk dat hij als zzp-er kan gaan werken in de bouw en hij daarvoor zijn rijbewijs nodig zal hebben.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de ernst van de feiten zijn een taakstraf en een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen (hierna: rijbevoegdheid) op zijn plaats. Een gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, wordt niet passend geacht. Bij de keuze van deze strafmodaliteit en de duur van de straf is gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd, en is verder gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting voor artikel 6 WVW, zoals geformuleerd door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Hierin is voor overtreding van artikel 6 WVW, waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld en overlijden van het slachtoffer, een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar als uitgangspunt opgenomen. Als strafverzwarende omstandigheid wordt echter in deze zaak meegewogen dat sprake is geweest van rijden onder invloed van drugs. Meegewogen wordt ook dat bij de verdachte sprake is van langdurig amfetaminegebruik en hij, gehoord zijn verklaring op de zitting, niet lijkt in te zien welke nadelige gevolgen dit kan hebben op zijn rijgedrag en inschattingsvermogen in het verkeer. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank ondanks de geschetste persoonlijke omstandigheden van verdachte (werk) een ontzegging van de rijbevoegdheid voor langere duur passend. Daarvan zal een deel voorwaardelijk worden opgelegd. Enerzijds om de ernst van de feiten aan te geven en anderzijds om het verkeersgedrag van de verdachte in positieve zin te beïnvloeden en er voor zorg te dragen dat hij zich voortaan goed zal houden aan de verkeersregels, met name aan het verbod op het rijden onder invloed.

Alles afwegend acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Het rijbewijs van de verdachte is al gedurende 6 maanden ingevorderd en ingehouden geweest. Deze tijd zal op de duur van de ontzegging van de rijbevoegdheid in mindering worden gebracht. Het onvoorwaardelijk deel van de ontzegging van de rijbevoegdheid komt daarmee uit op 12 maanden. De rechtbank beseft dat dit mogelijk gevolgen zal hebben voor het vinden van werk door de verdachte, maar een lagere straf doet geen recht aan de ernst van de feiten.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank het, omdat sprake is van eendaadse samenloop van de feiten 1 en 2, niet passend om voor het onder 2 ten laste gelegde feit nog een (extra) ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

ontzegt de verdachte ten aanzien van feit 1 primair de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

bepaalt dat van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich vóór het einde van de genoemde proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig zal maken.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.A.F. Damen, voorzitter,

en mrs. V.F. Milders en M.J.M. van Beckhoven, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1

hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Maassluis als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de P.C. Hooftlaan,

welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , die doende was de rijbaan van die P.C. Hooftlaan over te steken en die weg reeds voor een groot gedeelte (halverwege) via of ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats was overgestoken, niet heeft opgemerkt en/of

- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die [naam slachtoffer] , als gevolg waarvan die [naam slachtoffer] ten val is gekomen,

waardoor die [naam slachtoffer] werd gedood;

zulks terwijl hij, verdachte, dat motorrijtuig heeft bestuurd onder invloed van drugs, te weten amfetamine en/of groep amfetamine-achtigen;

(art. 6 Wegenverkeerswet 1994)

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Maassluis als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de P.C. Hooftlaan, zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

- een voetganger, genaamd [naam slachtoffer] , die doende was de rijbaan van die P.C. Hooftlaan over te steken en die weg reeds voor een groot gedeelte (halverwege) via of ter hoogte van de voetgangersoversteekplaats was overgestoken, niet heeft opgemerkt en/of

- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die [naam slachtoffer] ;

(art. 5 Wegenverkeerswet 1994)

2

hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Maassluis

een motorrijtuig, te weten een personenauto, heeft bestuurd of als bestuurder heeft doen besturen,

na gebruik van meer in artikel 2, bij het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, aangewezen stoffen als groep, als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994, te weten amfetamine/groep amfetamine-achtigen,

terwijl ingevolge een onderzoek in de zin van artikel 8 van de WVW94, het totale gehalte in zijn bloed van de bij die stoffen vermelde meetbare stoffen 830 microgram per liter bloed bedroeg,

zijnde hoger dan het totale gehalte van de in artikel 3 van het genoemd Besluit, bij

die stoffen of groep van stoffen vermelde grenswaarde;

(art. 8 lid 5 Wegenverkeerswet 1994)

3

hij op of omstreeks 15 mei 2020 te Maassluis

opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 0,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA (3,4-methyleendioxymethamfetamine) en/of ongeveer 2,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine,

zijnde MDMA en/of amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

(art. 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet)