Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5400

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
10/236479-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak voor poging zware mishandeling

Veroordeling voor (subs) mishandeling door te prikken met een schroevendraaier.

Oplegging van een taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/236479-19

Datum uitspraak: 19 mei 2021

Tegenspraak

Vonnis van meervoudige kamer in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] , op [geboortedatum vedrachte] , ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] .

Advocaat van de verdachte: mr. W.M. Shreki

Officier van justitie: mr. M.J. Blotwijk

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 19 mei 2021.

Inhoudsopgave van dit vonnis

De verdachte wordt beschuldigd dat hij een garagehouder heeft geduwd en gestoken of geprikt met een schroevendraaier. De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in hoofdstuk 1 van dit vonnis.

De rechtbank vindt een mishandeling door met een schroevendraaier te prikken bewezen. De bewezenverklaring, de bewijsmotivering en de bewijsmiddelen zijn in hoofdstuk 2 van dit vonnis uiteengezet.

Het bewezen verklaarde feit is volgens de wet een verboden gedraging. Wat die is, is omschreven in hoofdstuk 3 van dit vonnis. In dat hoofdstuk wordt ook de strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van de verdachte besproken.

Aan de verdachte wordt een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren met aftrek van voorarrest. Op de redenen die tot die straf hebben geleid wordt in hoofdstuk 4 van dit vonnis nader ingegaan.

Hoofdstuk 5 sluit dit vonnis af met een korte weergave van alle beslissingen en de ondertekening door de rechters.

1. De beschuldiging in de tenlastelegging

hij op of omstreeks 1 april 2019 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [naam slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

  • -

    die [naam slachtoffer] heeft vastgepakt en/of heeft geduwd en/of heeft geslagen en/of

  • -

    (vervolgens) met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans eenmaal (met kracht) in de rug, althans in het (boven)lichaam, van die [naam slachtoffer] heeft gestoken/geprikt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 1 april 2019 te Rotterdam, [naam slachtoffer] heeft mishandeld door

  • -

    die [naam slachtoffer] vast te pakken en/of te duwen en/of te slaan en/of

  • -

    (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, met een schroevendraaier, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de rug, althans in het (boven)lichaam, van die [naam slachtoffer] te steken en/of te prikken.

2. De beslissingen over het bewijs

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat de subsidiair ten laste gelegde mishandeling bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank vindt dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de subsidiair ten laste gelegde mishandeling heeft begaan op de volgende manier:

hij op 1 april 2019 te Rotterdam [naam slachtoffer] heeft mishandeld door met een schroevendraaier in de rug van die [naam slachtoffer] te prikken.

Bewijsmotivering

De bewezenverklaring steunt op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

1. De verklaring van de verdachte op de zitting

Ik ben op 1 april 2019 in Rotterdam met [naam slachtoffer] in een worsteling verzeild geraakt.

2. Verklaring van de aangever1

Op 1 april 2019 uur was ik in Rotterdam. Er kwam een klant die mij vastpakte. Ik zag dat hij in zijn rechterhand een schroevendraaier vasthield. Hij maakte stekende bewegingen met zijn schroevendraaier en ik voelde een enorme pijn op mijn rug. Ik voelde een heftige pijn op mijn rug.

3. Eigen waarneming van de rechtbank2

Op de bij de aangifte behorende foto van het shirt van de aangever is een kleine ronde beschadiging te zien.

4. Onderzoek van de politie3:

Op 1 april 2019 kwamen wij ter plaatse aan de [adres delict] te Rotterdam, waar iemand zou zijn gestoken met een schroevendraaier. Wij werden aangesproken door een man, die zich voorstelde als: [naam slachtoffer] . Wij hebben een onderzoek ingesteld naar camerabeelden en brachten wij een bezoek aan de [adres] te Rotterdam. Op ons verzoek toonde een medewerkster ons een video-opname. Op de getoonde camerabeelden zagen wij een drietal personen met elkaar vechten. Wij zagen dat er een schroevendraaier op de grond viel en dat die later weer werd opgeraapt door een persoon.

5. Medische informatie van de aangever4

betreffende: Dhr. [naam slachtoffer]

Op de rug werd een verticaal verlopende verwonding gezien.

3. De verboden gedragingen en de strafbaarheid

Kwalificatie

Het bewezen feit levert op:

Mishandeling

Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

De feiten en de verdachte zijn strafbaar.

4. De onderbouwing van de straf

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling. Uit onvrede over een verrichte autoreparatie heeft de verdachte de garagehouder geprikt met een schroevendraaier.

Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Door het gebruik van een schroevendraaier had het letsel van aangever veel ernstiger kunnen uitpakken dan uiteindelijk het geval was. Dat de mishandeling voor ieder waarneembaar was rekent de rechtbank verdachte aan. Dit soort feiten leiden tot gevoelens van onveiligheid in de buurt.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie van 18 maart 2021, waarin een aantal nog niet onherroepelijke veroordelingen staan.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft een taakstraf in de vorm van een werkstraf geëist voor de duur van 120 uren, met aftrek van de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 114 uren te verrichten taakstraf resteert.

Overwegingen

Gezien de ernst van het feit, mishandeling met gebruikmaking van een voorwerp en met letsel als gevolg is een taakstraf een aangewezen reactie. Bij de bepaling van de duur van de taakstraf is gekeken naar de oriëntatiepunten straftoemeting, die voor een mishandeling onder die omstandigheden een taakstraf van 120 uur vermelden. Die straf is ook door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank ziet in de ouderdom van de zaak en in het feit dat de verdachte na het plegen van het feit is veroordeeld tot straf aanleiding om in matigende zin van de eis van de officier van justitie af te wijken.

Passende straf

Alles afwegend acht de rechtbank taakstraf van 100 (honderd) uur een passende straf.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

5. Beslissingen in het kort en ondertekening

De rechtbank:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uur;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 94 (vierennegentig) uren te verrichten taakstraf resteert;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 47 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. R.H. Kroon en M.J.C. Spoormaker, rechters,

in tegenwoordigheid van J.P. van der Wijden, griffier,

en uitgesproken op de zitting van deze rechtbank op 19 mei 2021.

De oudste en jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 De paginanummer(s) die in deze voetnoot en in de volgende voetnoten worden genoemd verwijzen naar schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal nummer [nummer proces-verbaal] met bijlagen, tenzij anders is vermeld. In dit geval betreft dat pagina 7 en verder.

2 pagina 20

3 pagina 14 e.v.

4 pagina 70