Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5363

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
01-07-2021
Zaaknummer
C/10/616927 / JE RK 21-990
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verzoek tot herstel van het ouderlijk gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

zaakgegevens: C/10/616927 / JE RK 21-990

datum uitspraak: 31 mei 2021

beschikking betreffende herstel van het ouderlijk gezag

in de zaak van

[naam moeder] ,

hierna te noemen de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2005 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (voogdes),

hierna te noemen de GI, gevestigd te Rotterdam,

de Raad voor de Kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht,

hierna te noemen de Raad, gevestigd te Rotterdam,

Het procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van mr. M.P.G. Rietbergen, de advocaat van de moeder, van 2 april 2021, ingekomen bij de griffie op 6 april 2021.

Op 31 mei 2021 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- [voornaam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting apart is gehoord,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. Rietbergen, voornoemd,

- een vertegenwoordigster van de Raad, mw. [naam vertegenwoordigster 1] ,

- een vertegenwoordigster van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De feiten

Bij beschikking van 24 november 2015 zijn de moeder en de vader ontheven van het gezag over [voornaam minderjarige] . Hierbij werd de GI benoemd tot voogdes over [voornaam minderjarige] .

[voornaam minderjarige] verblijft op de zorgboerderij De Langstee.

Het verzoek en het standpunt van de moeder

De moeder verzoekt de rechtbank om haar te herstellen in het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] , met ontslag van de GI uit de voogdij, dan wel alvorens hierover te beslissen een proeftijd te bepalen van ten hoogste zes maanden gedurende welke periode [voornaam minderjarige] bij zijn in het ouderlijk gezag te herstellen moeder zal verblijven.

Daartoe is door en namens de moeder - verkort en zakelijk weergegeven - het volgende naar voren gebracht. De redenen die destijds ten grondslag hebben gelegen aan de beslissing tot ontheffing van de moeder van haar gezag zijn komen te vervallen. De situatie van de moeder is alweer lange tijd danig veranderd. De moeder heeft goed contact met [voornaam minderjarige] , de voogdes en zorgboerderij De Langstee. Zij zijn gezamenlijk tot de overtuiging gekomen dat het ouderlijk gezag van de moeder in het belang van [voornaam minderjarige] moet worden hersteld. De moeder en de GI hebben in overleg goede afspraken gemaakt om eventueel toekomstige zorgen voor te zijn.

De standpunten

De GI ondersteunt het verzoek van de moeder. [voornaam minderjarige] en de moeder hebben een lange weg afgelegd. De moeder heeft haar leven op orde gekregen. [voornaam minderjarige] is gediagnosticeerd met ADHD. Daarnaast is sprake van forse hechtingsproblematiek. Bovendien hebben de moeder en [voornaam minderjarige] allebei een pittig karakter. De komende periode zal daarom een uitdaging worden. Desondanks heeft de GI er voldoende vertrouwen in dat de moeder dit aan kan. Er is goed contact met Yulius, de school en de stageplek van [voornaam minderjarige] . Daarnaast is er een jeugdcoach bereid gevonden om naar [voornaam minderjarige] om te kijken. [voornaam minderjarige] verblijft op dit moment nog in een groep met andere jongeren. Dit kan leiden tot veel onrust. Een thuisplaatsing bij de moeder zal hem de nodige rust bieden. [voornaam minderjarige] wil niet langer bij De Langstee blijven. Hij wil graag bij de moeder wonen. De Langstee heeft zorgen over de persoonlijke verzorging van [voornaam minderjarige] , maar deze zorgen worden in de thuissituatie bij de moeder niet herkend. De GI ziet geen reden om een proeftijd te bepalen, omdat [voornaam minderjarige] op dit moment reeds alle weekenden, vakanties en overige vrije dagen bij de moeder verblijft. Het is van belang dat [voornaam minderjarige] zijn school afmaakt. Daarom zal hij, ook als de moeder wordt hersteld in het ouderlijk gezag, nog tot 17 juli 2021 bij De Langstee verblijven.

De Raad sluit zich aan bij het standpunt van de GI. Op basis van de overlegde stukken is de Raad van mening dat het ouderlijk gezag van de moeder moet worden hersteld. Er is wellicht een ondertoezichtstelling nodig, omdat de hulpverlening voor [voornaam minderjarige] nog niet echt van de grond is gekomen. Echter, gelet op het vertrouwen van de GI in de situatie, heeft de Raad er wel enig vertrouwen in dat het moeder en [voornaam minderjarige] gaat lukken.

De beoordeling

Ingevolge artikel 1:277, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechtbank de ouder wiens gezag is beëindigd, op zijn verzoek in het gezag herstellen indien:

a. herstel in het gezag in het belang van de minderjarige is, en

b. de ouder duurzaam de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige, bedoeld in artikel 247, tweede lid, in staat is te dragen.

Ingevolge artikel 1:247, tweede lid BW wordt onder verzorging en opvoeding mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind, alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid.

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat aan beide criteria wordt voldaan. Gelet op het vertrouwen van de GI – tevens de voogdes van [voornaam minderjarige] – ten aanzien van een terugplaatsing van de [voornaam minderjarige] bij de moeder, is de rechtbank ervan overtuigd dat het gezag van moeder kan worden hersteld. De rechtbank is bovendien van oordeel dat het ook in het belang van [voornaam minderjarige] is als hij weer aan de moeder wordt toevertrouwd.

De zorgen zijn goed in kaart gebracht. Het is van belang dat de moeder bestand is tegen de mogelijke botsingen tussen haar en [voornaam minderjarige] . Er is sprake van een ondersteunend netwerk dat – indien nodig – kan functioneren als vangnet voor de moeder en [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter is met de GI van oordeel dat een proeftijd, zoals bedoeld in artikel 1:278, tweede lid, BW, niet nodig is. [voornaam minderjarige] verblijft immers al gedurende de weekenden en vakanties bij de moeder en dit verloopt positief.

Gezien het voorgaande zal het verzoek van de moeder om te worden hersteld in het gezag over [voornaam minderjarige] worden toegewezen.

Op grond van de artikelen 1:372 en 1:373, eerste lid, BW wordt de GI waarvan de voogdij wordt beëindigd, veroordeeld tot het afleggen van rekening en verantwoording aan haar opvolger in het bewind, ervan uitgaande dat de GI het bewind voerde over het vermogen van de minderjarige [voornaam minderjarige] .

Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de voogdij van de GI over [voornaam minderjarige] ingevolge artikel 1:281, eerste lid, onder b, BW juncto artikel 1:281, tweede lid, BW van rechtswege eindigt daags nadat deze beschikking is verstrekt of verzonden.

De beslissing

De kinderrechter:

herstelt de moeder in het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] ;

veroordeelt de GI aan de moeder rekening en verantwoording van het gevoerde bewind over het vermogen van [voornaam minderjarige] te doen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2021 door mr. P. Vlaardingerbroek, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 10 juni 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Den Haag.