Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5333

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-06-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3874
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing Wajong-aanvraag. Eiser is geen studerende in de zin van artikel 1:4 onder e van de Wet Wajong.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/3874

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2021 in de zaak tussen

[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,

gemachtigde: mr. R.J. Michielsen,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,

gemachtigde: mr. L. Belamkadem.

Procesverloop

Bij besluit van 12 februari 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) afgewezen.

Bij besluit van 9 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2021. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

Eiser heeft in augustus 2015 een whiplashtrauma doorgemaakt als gevolg van een motorongeval en is hierdoor arbeidsongeschikt geraakt. Naar aanleiding hiervan heeft hij op 6 februari 2020 een aanvraag gedaan voor een Wajonguitkering. Bij deze aanvraag heeft eiser de volgende stukken meegestuurd: een inschrijfformulier voor een opleiding tot rijinstructeur vanaf 23 september 2014 bij Knetemann opleidingen, een resultatenlijst van 13 april 2015 en een bevestiging van 26 mei 2015 van het met goed gevolg afleggen van het examen “Categorie B fase 1a”.

1.2.

Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit genomen en aan dit besluit ten grondslag gelegd dat de arbeidsongeschiktheid na eisers achttiende verjaardag is ingetreden en dat eiser geen studerende is in de zin van de Wajong.

2. In de heroverweging in bezwaar heeft verweerder eiser opgeroepen voor een hoorzitting. Eiser heeft tijdens deze hoorzitting aangegeven dat hij voor zijn opleiding een praktijkgedeelte moest afmaken. Dit kon hij echter niet vanwege het ongeval. Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen en daaraan ten grondslag gelegd dat eisers opleiding niet overdag plaatsvindt, dat het aantal lesuren minder dan 213 klokuren is en dat de totale studiebelasting minder dan 1600 uren per jaar is.

3. In beroep voert eiser aan dat hij ten onrechte niet als studerende is aangemerkt in de zin van de Wajong. Eiser betoogt dat het aantal lesuren meer dan 213 klokuren omvat, nu de opleiding gemiddeld 20 weken 4,5 lesuren per week in beslag neemt, waarbij circa 20 uur per week zelfstudie dient te worden verricht waarna een stage dient te worden gevolgd van gemiddeld 40 tot 80 uur. Verweerder heeft ook ten onrechte niet beoordeeld of sprake is van een beroepsopleiding. Eiser voert verder aan dat de ingangsdatum van zijn Wajonguitkering 2008 moet zijn, vanwege persisterende klachten na een ongeval in dat jaar.

4. Bij de beoordeling van het beroep zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.

In artikel 1:4 onder e van de Wet Wajong is bepaald dat in deze wet en de daarop berustende bepalingen als studerende wordt aangemerkt: de persoon die in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt gedurende gemiddeld ten minste 213 klokuren per kwartaal, voor zolang hij de leeftijd van 30 jaar nog niet heeft bereikt.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur ook andere dan de in het eerste lid bedoelde personen als studerende kunnen worden aangemerkt. Dit is gebeurd in het Besluit uitbreiding kring studerenden Wajong. In artikel 1, eerste lid, onder b, sub 2 van dit besluit is bepaald dat voor de toepassing van de Wet Wajong onder studerende mede wordt verstaan de persoon die niet op grond van artikel 1:4, eerste lid, van die wet als studerende wordt aangemerkt en die in verband met onderwijs of een beroepsopleiding lessen of stages volgt van gemiddeld minder dan 213 klokuren per kwartaal met een studiebelasting van ten minste 1600 uren per jaar.

5.1.

De door eiser aangevoerde kerngetallen zijn afkomstig van informatie die is verkregen van de Landelijke beroepsvereniging kwaliteitsbevordering rijschoolbranche (LBKR). Uit de stukken is niet gebleken dat Knetemann opleidingen gelieerd is aan deze vereniging. Eiser heeft ook geen andere stukken aangeleverd waaruit blijkt dat de studiebelasting van deze opleiding meer dan 213 klokuren is. Eiser heeft evenmin onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk was om dergelijke stukken aan te leveren. Uit de wel door eiser overgelegde stukken is ook niet gebleken dat de totale studiebelasting minimaal 1600 uren per jaar is. Gelet hierop heeft verweerder eiser terecht niet als studerende in de zin van de Wajong aangemerkt.

5.2.

Bepalend voor de vraag of eiser kan worden aangemerkt als studerende in de zin van de Wajong is het aantal uren verbonden aan zijn rijopleiding en niet of er sprake is van een studie dan wel beroepsopleiding. Eisers beroepsgrond dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of zijn rijopleiding een beroepsopleiding is, behoeft daarom geen bespreking.

5.3.

Nu verweerder eisers aanvraag voor een Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen, behoeft de beroepsgrond dat deze met terugwerkende kracht tot 2008 moet worden toegekend evenmin bespreking.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. E.B.J. van Elden, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 14 juni 2021.

De griffier is buiten staat De rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.