Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5321

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/10/549500 / FA RK 18-3305
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking betreffende het ouderlijk gezag/de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen/de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/ de onderhoudsbijdrage. Partijen hebben op verschillende punten overeenstemming bereikt. Wat resteert is het geschil omtrent het gezag. De man verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vrouw verweert zich daartegen. Tijdens de mondelinge behandeling is in dit verband gesproken over een patroon waarbinnen de vrouw niet constructief overlegt met de man over beslissingen die partijen samen moeten nemen. Het advies van de raad geeft er blijk van dat de raad bij voorkeur een uitkomst heeft waarin het gezag niet onverkort in stand blijft, maar ook niet definitief wordt beëindigd. Mede gelet daarop overweegt de rechtbank als volgt. Als de rechtbank alleen het gezag van de vrouw beëindigt over één kind – zoals de vrouw meer subsidiair verzoekt –, dan kan daar een positief effect van uit gaan voor beide kinderen. Het kan namelijk een signaal zijn voor de vrouw dat zij, als zij niet ook het gezag over het tweede kind wil verliezen, voormeld patroon moet doorbreken en dat zij zich constructief moet opstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/549500 / FA RK 18-3305

Beschikking van 3 juni 2021 betreffende het ouderlijk gezag/de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen/de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken/ de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. M.J. Verdult te Rotterdam,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. V. Vos te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 26 april 2018;

  • -

    het verweerschrift met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2018;

  • -

    het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 4 mei 2021;

  • -

    het verweerschrift op het gewijzigde verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op
    11 mei 2021;

  • -

    de brief met bijlagen van de zijde van de man van 7 mei 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 1] .

  • -

    de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond (hierna: de GI), ter zitting vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger 2] en [naam vertegenwoordiger 3] .

1.3.

De minderjarige [naam minderjarige 1] is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hier gebruik van gemaakt.

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2009 te [geboorteplaats] .

2.2.

De affectieve relatie tussen partijen is in 2011 beëindigd. Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

3. De beoordeling

3.1.

Partijen zijn het erover eens dat het hoofdverblijf van [naam minderjarige 1] bij de man is en dat het hoofdverblijf van [naam minderjarige 2] bij de vrouw is. Partijen zijn het ook eens over de zorgregeling en over de kinderbijdragen. De rechtbank zal de afspraken van partijen hierna vastleggen onder de beslissing en daarmee samenhangende (deels andersluidende) verzoeken afwijzen met de woorden ‘wijst af het meer of anders verzochte’.

3.1.1.

Bij hun overeenstemming over de zorgregeling hebben partijen afgesproken dat zij in afwijking van de zorgregeling die zij zijn overeengekomen en hierna wordt vastgelegd, zullen onderzoeken of zij en de kinderen het prettiger vinden om op zondagen omstreeks 17:30 uur de wissel te laten plaatsvinden.

3.1.2.

Bij hun overeenstemming over de kinderbijdragen zijn partijen overeengekomen dat de bijdrage wordt gesteld voor de minderjarige

  • -

    [naam minderjarige 1] , met ingang van 1 juni 2021 op € 0,00 (nihil)

  • -

    [naam minderjarige 2] , met ingang van 1 juni 2021 op een bedrag van € 222,- per maand.

De ouders dragen ieder de kosten in de eigen huishouding. De verblijfsoverstijgende kosten van [naam minderjarige 1] komen voor rekening van de vader. De verblijfsoverstijgende kosten van [naam minderjarige 2] komen voor rekening van de moeder.

Partijen zijn voorts overeengekomen dat het ontstaan van nieuwe kosten voor [naam minderjarige 2] uitdrukkelijk als een rechtens relevante wijziging van omstandigheden wordt aangemerkt. Daarmee wordt bedoeld toekomstige, thans nog niet aan de orde zijnde substantiële kosten

[naam minderjarige 2] (bijvoorbeeld kosten voor orthodontie), die niet in de tabelbedragen zijn inbegrepen. Partijen zullen alsdan in overleg treden over de wijze waarop in deze kosten door beide partijen wordt voorzien.

Bij het becijferen van voornoemde bijdrage zijn partijen uitgegaan van een behoefte van de kinderen van € 490,- per kind per maand, een totale draagkracht aan de zijde van de moeder van € 390,- per maand, een totale draagkracht aan de zijde van de vader van

€ 1.600,- per maand en een zorgkorting van € 172,- per maand.

3.2.

Wat resteert is het geschil van partijen over het gezag. De man verzoekt het gezamenlijk gezag te beëindigen. De vrouw verweert zich daartegen.

3.2.1.

Het gezamenlijk gezag kan op grond van artikel 1:253n BW worden beëindigd bij gewijzigde omstandigheden sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag en als is voldaan aan het in artikel 1:251a BW vermelde criterium dat er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren dreigt te raken tussen de ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, dan wel dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Doet dit zich voor dan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt.

Wijziging

3.2.2.

Voor zover de vrouw betwist dat de omstandigheden gewijzigd zijn, onderbouwt de man voldoende dat de uitoefening van het gezamenlijk gezag tot zoveel onrust leidt dat sprake is van een wijziging. De rechtbank beoordeelt hierna of is voldaan aan het in 3.2.1. vermelde risico of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

Patroon

3.2.3.

Duidelijk is dat zowel de man als de vrouw zeer betrokken zijn op de kinderen. Onder andere de klachten en kritische observaties van de vrouw geven de indruk dat zij inzet op de hoogst mogelijke kwaliteit in veel van wat op het pad komt van de kinderen (school, hulpverlening, hobby’s). Hoewel dat bijvoorbeeld een belangrijke rol heeft gespeeld in het bijstellen van de diagnose PDD-NOS voor [naam minderjarige 2] , is het gevolg van deze opstelling van de vrouw vaak negatief voor de kinderen. Het zorgt er namelijk onder andere voor dat hun ouders niet constructief overleggen over beslissingen die belangrijk zijn voor hen. Tijdens de mondelinge behandeling is in dit verband gesproken over een patroon waarbinnen de vrouw niet constructief overlegt met de man over beslissingen die partijen samen moeten nemen. De man onderbouwt zijn stelling op dit punt afdoende met onder andere de 40 bijlagen die hij voegt bij zijn bericht aan de rechtbank van 7 mei 2021.

Ook de GI stelt dat sprake is van een patroon. De GI heeft onder andere op 3 september 2019 de vrouw schriftelijk erop aangesproken dat zij zonder overleg een lidmaatschap van [naam minderjarige 2] had opgezegd, haar op 15 oktober 2019 nadrukkelijk gevraagd haar denigrerende toon tijdens het communiceren te veranderen en zich op 10 december 2020 genoodzaakt gezien een verzoek in te dienen bij de rechtbank tot toekenning van gedeeltelijke uitoefening van het gezag.

De vrouw lijkt dit patroon in ieder geval deels te erkennen door haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling dat het beter is als zij zich anders opstelt. Zij stelt dan ook een les te hebben geleerd – zonder dat het haar tijdens de mondelinge behandeling lukt om te duiden wat die les is –. De gestelde verandering in de opstelling komt echter voor de rechtbank niet vast te staan. Illustratief in dit verband is het beeld dat ontstaat over het handelen van de vrouw rondom de mogelijkheid die [naam minderjarige 1] is geboden voor het geven van zijn mening aan de rechtbank. Op het adres van de man – zijnde het adres waar [naam minderjarige 1] is geregistreerd – ontving [naam minderjarige 1] een uitnodiging om zijn mening te geven per brief of in een persoonlijk gesprek met de rechter. De man heeft [naam minderjarige 1] , hem daartoe in staat geacht gelet op de opleiding die hij volgt (gymnasium), de vrijheid gegeven om zelfstandig te besluiten of hij zijn mening wilde vertellen aan de rechter en zo ja, hoe. De vrouw respecteert die keuze niet en bewerkstelligt zonder dat zij de man heeft gevraagd hoe hij heeft gehandeld ( [naam minderjarige 1] zelfstandig te laten kiezen), om welke reden de man zo heeft gehandeld ( [naam minderjarige 1] niet beïnvloeden) en hoe [naam minderjarige 1] daar op heeft gereageerd, dat [naam minderjarige 1] alsnog naar de rechter moet voor een gesprek op de dag van een andere zitting (onder toezichtstelling) en een dag voor de mondelinge behandeling van deze zaak.

Advies raad

3.2.4.

Uit het advies van de raad om het gezag van de vrouw tijdelijk te schorsen, volgt voor de rechtbank dat het voortzetten van de huidige uitoefening van het gezag ook volgens de raad niet aanvaardbaar is. Als grondslag voor een tijdelijke schorsing is tijdens de mondelinge behandeling door de vrouw artikel 1:268 BW genoemd.

Uit de memorie van toelichting bij de dit artikel (Kamerstukken II 2008/09, 32 015, 3) volgt dat dit artikel is bedoeld voor gevallen van ernstige problemen in de opvoeding en verzorging waarin een schorsing in de uitoefening van het gezag dringend en onverwijld noodzakelijk. Voorwaarde is dat – kort gezegd – een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een gezagsbeëindigende maatregel is vervuld. Het doel is een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige wegnemen, derhalve ingrijpen in crisisachtige situaties. Verondersteld dat in deze zaak wordt voldaan aan de voorwaarde dat de grond voor een gezagsbeëindigende maatregel is vervuld, dan ligt het voor de hand dat het gezag daadwerkelijk wordt beëindigd. Er is geen acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige(n) die ervoor zorgen dat het beëindigen van het gezag niet kan worden afgewacht en dat vooruitlopend daarop, een maatregel als schorsing moet worden genomen.

Tussenweg

3.2.5.

In beginsel lijkt voormeld patroon dat de vrouw niet weet te doorbreken, voldoende voor het oordeel dat voor [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] sprake is van voormeld risico om klem en verloren te raken.

Voormeld advies van de raad geeft er echter blijk van dat de raad bij voorkeur een uitkomst heeft waarin het gezag niet onverkort in stand blijft, maar ook niet definitief wordt beëindigd. Mede gelet daarop overweegt de rechtbank als volgt.

Tot aan de mondelinge behandeling staat de beklemde positie van [naam minderjarige 2] op de voorgrond. Dit komt met name door de beslissingen die ouders hebben gemaakt en moeten maken over zijn school. Ook voor de raad lijken de problemen die zijn ontstaan door de beslissingen over de school van [naam minderjarige 2] erg zwaar te wegen. De raad benadrukt de ernst van het feit dat [naam minderjarige 2] door met name de niet constructieve houding van de vrouw – dat is wat anders dan of de vrouw inhoudelijk gelijk heeft – drie maanden geen (vervanging voor) school heeft gehad.

Een belangrijke zorg over [naam minderjarige 1] betrof een gameverslaving. Tijdens de mondelinge behandeling blijken partijen het erover eens dat die zorg is afgenomen, mede door een traject dat [naam minderjarige 1] daarvoor binnenkort start bij Youz. De beklemde positie van [naam minderjarige 1] staat momenteel minder op de voorgrond. [naam minderjarige 1] zelf heeft in zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven dat het gezamenlijk gezag over hem in stand kan blijven.

Als de rechtbank alleen het gezag van de vrouw beëindigt over [naam minderjarige 2] – zoals de vrouw meer subsidiair verzoekt –, dan kan daar een positief effect van uit gaan voor beide kinderen. Het kan namelijk een signaal zijn voor de vrouw dat zij, als zij niet ook het gezag over [naam minderjarige 1] wil verliezen, voormeld patroon moet doorbreken en dat zij zich constructief moet opstellen. Zij kan daar hulp voor vragen, mogelijk van een coach en/of van haar advocaat. Als de vrouw hierin slaagt en de ouders kunnen daardoor constructief overleggen, dan kunnen beide kinderen daarvan profiteren. Die kans op positieve gevolgen voor de kinderen, de voormelde daaraan ten grondslag liggende feiten en de overwegingen van de raad geven de rechtbank voldoende grond alleen het gezamenlijk gezag te wijzigen ten aanzien van [naam minderjarige 2] .

Dat verzoek van de man zal de rechtbank toewijzen en het verzoek tot wijzigen van het gezag ten aanzien van [naam minderjarige 1] zal de rechtbank afwijzen.

3.2.6.

Uit het voorgaande volgt dat er geen grond is voor het toewijzen van het eenhoofdig gezag over [naam minderjarige 2] aan de vrouw, zoals de vrouw verzoekt voor het geval het gezamenlijk gezag wordt beëindigd. Dat verzoekt zal de rechtbank afwijzen.

3.3.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

neemt op de afspraken tussen partijen inhoudende dat:

  1. het hoofdverblijf van [naam minderjarige 1] bij de man is;

  2. het hoofdverblijf van [naam minderjarige 2] bij de vrouw is;

  3. [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] iedere maandag op het tijdstip waarop school normaliter begint, wisselen van de ouder bij wie zij verblijven en dat partijen daarvoor iedere zondag 17:30 uur de vereiste spullen overdragen aan elkaar;

  4. [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] tijdens vakantie – en feestdagen verblijven bij hun ouders zoals vermeld in de aan deze beschikking gehechte bijlage,
    met uitzondering van de zomervakanties, waarvoor onverkort geldt dat [naam minderjarige 1] en [naam minderjarige 2] drie weken bij de ene en drie weken bij de andere ouder verblijven;

  5. de man aan de vrouw met ingang van 1 juni 2021 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betaalt

  • -

    voor [naam minderjarige 1] : € 0,00

  • -

    voor [naam minderjarige 2] : € 222,- per maand, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

onder gelijktijdige wijziging van alle eerdere afspraken die zijn gemaakt en beschikkingen van een eerdere datum, voor zover die betrekking hebben op voormelde punten;

4.2.

beëindigt het gezamenlijk gezag over [naam minderjarige 2] en bepaalt dat het gezag over [naam minderjarige 2] voortaan aan de man toekomt;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M.P.H. van den Boomen op 3 juni 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.