Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5162

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
14-06-2021
Zaaknummer
9124753 VZ VERZ 21-5292
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Doordat werknemer niet tijdig een VOG heeft overgelegd aan werkgever, is de arbeidsovereenkomst, middels het door de werkgever gedane beroep op de ontbindende voorwaarde, rechtsgeldig geëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0794
XpertHR.nl 2021-20005746
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9124753 \ VZ VERZ 21-5292

uitspraak: 9 juni 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van:

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,

verzoekster,

gemachtigde: mr. W.H.J.W. de Brouwer te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VODAFONEZIGGO EMPLOYMENT B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verweerster,

gemachtigde: mr. M.A. Noordhoek te Utrecht.

Partijen zullen hierna “ [verzoekster] ” en “VodafoneZiggo” worden genoemd.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties 1 t/m 10, ingediend ter griffie op 29 maart 2021;

  • -

    het verweerschrift met producties 1 t/m 12.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021. [verzoekster] is in persoon verschenen, bijgestaan door de heer mr. R. de Boer als gemachtigde. Namens VodafoneZiggo is verschenen de heer [persoon A] (leidinggevende), bijgestaan door mevrouw mr. M.A. Noordhoek als gemachtigde. Partijen hebben ieder het eigen standpunt (nader) toegelicht, waarbij de gemachtigde van [verzoekster] zich mede heeft bediend van een pleitnota die is toegevoegd aan het procesdossier. Van het verhandelde ter zitting is aantekening gehouden door de griffier.

1.3.

De uitspraak van deze beschikking is door de kantonrechter op heden bepaald.

2. De feiten

In deze procedure wordt uitgegaan van de volgende feiten:

2.1

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] , is op 16 november 2020 bij VodafoneZiggo in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 7 maanden.

2.2

[verzoekster] vervulde de functie van [naam functie] tegen een salaris van € 1.517,60 bruto per maand te vermeerderen met 8% vakantietoeslag.

2.3

In de aanstellingsbrief van 12 november 2020 aan [verzoekster] bericht VodafoneZiggo onder meer het navolgende:

Screening

(…) Bovenstaande betekent concreet dat iedereen die binnen VodafoneZiggo leningen verstrekt aan klanten, moet worden gescreend. Dit geldt dus ook voor jou. De screening omvat de volgende punten:

 Verlaring omtrent Goed Gedrag (VOG). (…)

Ontvangen wij de documenten niet binnen de gestelde termijn, dan zijn wij genoodzaakt de ontbindende voorwaarde in jouw arbeidsovereenkomst op te volgen. Zorg er dus voor dat je de benodigde acties tijdig in gang zet.”

2.4

In de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] is – voor zover hierna van belang – bepaald:

Artikel 2 – ontbindende voorwaarden

Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde dat werknemer uiterlijk 2 maanden na indiensttreding de screening zoals vereist voor de functie compleet en met positief resultaat heeft afgerond. Bij gebreke daarvan eindigt de arbeidsovereenkomst van rechtswege per 16 januari 2021 met onmiddellijke ingang, zonder dat opzegging vereist is of dat werknemer aanspraak heeft op enige vergoeding.”

2.5

Bij brief d.d. 18 januari 2021 bericht VodafoneZiggo aan [verzoekster] onder meer:

“Hierbij verzoeken wij je kennis te nemen van het volgende. Het onderstaande betreft een bevestiging van hetgeen op 15 januari 2021 reeds telefonisch met jou is besproken.

Via screeningbureau Validata hebben wij vernomen dat je ondanks meerdere herinnerings-verzoeken nog niet de voor jouw screening benodigde informatie (VOG) had aangeleverd. De screening is vereist voor de uitoefening van jouw functie en dit is als zodanig bevestigd in de door jou ondertekende arbeidsovereenkomst. In die arbeidsovereenkomst is in artikel 2 een ontbindende voorwaarde opgenomen, waarin staat vermeld dat je binnen 2 maanden na startdatum (16 november 2020) de benodigde screening doorlopen moet hebben en dat bij uitblijven daarvan jouw arbeidsovereenkomst van rechtswege, per 16 januari 2021 eindigt.

Wij willen je een laatste kans bieden om alsnog de Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) aan te leveren bij screeningbureau Validata en er zorg voor te dragen dat de screening binnen 2 weken wordt afgerond, daarvoor heb je tot uiterlijk 30 januari 2021 de tijd. Mocht de screening voor die datum niet zijn afgerond dan treedt de ontbindende voorwaarde in werking en eindigt jouw arbeidsovereenkomst alsnog van rechtswege, zonder dat nadere opzegging vereist is, per 30 januari 2021.”

2.6

VodafoneZiggo bericht aan [verzoekster] per brief d.d. 1 februari 2021:

“In jouw arbeidsovereenkomst is een ontbindende voorwaarde opgenomen die bepaalt dat jouw arbeidsovereenkomst eindigt per 30 januari 2021 indien je voor deze datum geen geldige Verklaring Omtrent Gedrag hebt aangeleverd. Je hebt niet tijdig de gevraagde VOG overhandigd. Daarom bevestigen wij hierbij de beëindiging van jouw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang per 30 januari 2021.”

3. Het verzoek

3.1

[verzoekster] verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I. vernietiging van de opzegging van de arbeidsovereenkomst d.d. 30 januari 2021;

II. VodafoneZiggo te verplichten [verzoekster] binnen 24 uur na betekening van de te wijzen beschikking toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden, tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, onder verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag of dagdeel, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag of dagdeel dat VodafoneZiggo in gebreke blijft;

III. VodafoneZiggo te veroordelen tot betaling van het salaris van [verzoekster]

ad € 1.517,60 bruto te vermeerderen met emolumenten, vanaf 30 januari 2021 tot het moment dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW;

Subsidiair

IV. VodafoneZiggo te veroordelen tot betaling van de billijke vergoeding aan [verzoekster] ad € 6.829,20 of een ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

V. VodafoneZiggo te veroordelen tot betaling van de wettelijke transitievergoeding

ad € 120,81 bruto, of een ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

VI. aan [verzoekster] een vergoeding wegens onregelmatige opzegging toe te kennen

ad € 6.829,20, of een ander door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

Primair en subsidiair

VII. VodafoneZiggo te veroordelen tot betaling aan [verzoekster] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

VIII. VodafoneZiggo te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3.2

[verzoekster] heeft aan haar verzoek – samengevat weergegeven en voor zover hierna van belang – het volgende ten grondslag gelegd.

3.3

Aangezien het verstrekken van een VOG volgens VodafoneZiggo onderdeel van de screening zoals bedoeld in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst vormde, heeft [verzoekster] kort na indiensttreding een aanvraag voor een VOG bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid (hierna: het ministerie) ingediend. Opgemerkt wordt daarbij, dat nu [verzoekster] in november en begin december 2020 geveld was door corona, zij aanvankelijk vergeten was een aanvraag voor een VOG in te dienen. Nu [verzoekster] destijds voorts nog niet over een voor het aanvragen van de VOG benodigde DigiD beschikte, en de ontvangst van de code daarvan telkens uitbleef, heeft zij eerst tot drie keer toe een aanvraag voor een DigiD moeten doen.

3.4

Nadat de ontvangst van een VOG uitbleef, heeft [verzoekster] meermaals telefonisch contact opgenomen met het ministerie. Laatstgenoemde deelde haar mede dat wegens drukte (onder meer als gevolg van het coronavirus) de verwerking en behandeling van de aanvragen langer zou duren dan gebruikelijk. Daarbij kon niet aan haar worden toegezegd dat haar aanvraag tijdig zou worden behandeld. [verzoekster] heeft het voorgaande teruggekoppeld aan VodafoneZiggo. [verzoekster] heeft op 15 januari 2021 telefonisch contact opgenomen met VodafoneZiggo en gesproken met mevrouw [persoon B] (hierna: [persoon B] ). [persoon B] deelde aan [verzoekster] mede dat zij uitstel kreeg voor het overleggen van haar VOG en dat dit geen probleem was. Ook werd door [persoon B] aangegeven dat in het geval [verzoekster] wederom haar VOG niet tijdig zou ontvangen, zij “weer even contact op moest nemen”, zodat ze hiervan op de hoogte werden gehouden. In voornoemd telefoongesprek is aan [verzoekster] niets medegedeeld over een verlenging van de in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst opgenomen ontbindende voorwaarde. Er is enkel aangegeven dat [verzoekster] de VOG ook later, na 16 januari 2021, kon aanleveren.

3.5

[verzoekster] heeft nadien haar werkzaamheden voortgezet alsmede van VodafoneZiggo de brief d.d. 18 januari 2021 ontvangen. De inhoud van voornoemde brief stemt niet overeen met de inhoud van het telefoongesprek dat op 15 januari 2021 heeft plaatsgevonden. Dit, in de eerste plaats nu [verzoekster] ondergetekende van de brief d.d. 18 januari 2021 in het geheel niet heeft gesproken en de brief daarnaast een eenzijdige verlenging van de termijn voor het intreden van de ontbindende voorwaarde bevat. Over de nader gestelde termijn is echter niet met [verzoekster] gesproken, laat staan dat zij daarmee heeft ingestemd. [verzoekster] heeft haar werkzaamheden nadien op de gebruikelijke wijze voortgezet, totdat zij op 1 februari 2021 een brief ontving, inhoudende dat haar arbeidsovereenkomst, vanwege het niet tijdig overhandigen van de VOG, met onmiddellijke ingang per 30 januari 2021 was beëindigd. Diezelfde dag heeft [verzoekster] van het ministerie haar VOG ontvangen.

3.6

[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is beëindigd. Van een instemming met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst door [verzoekster] is geen sprake geweest en een rechtsgeldige opzegging van de arbeidsovereenkomst door VodafoneZiggo heeft evenmin plaatsgevonden.

3.6.1

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad d.d. 6 maart 1992 (ECLI:NL:HR:1992:ZC0535) kan het inroepen van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts rechtsgeldig zijn indien aan een drietal vereisten is voldaan, te weten dat de ontbindende voorwaarde niet strijdig is met het ontslagstelsel, het intreden van de ontbindende voorwaarde niet afhankelijk is van het subjectieve oordeel van de werkgever of de werknemer en de arbeidsovereenkomst niet inhoudsloos wordt door het intreden van de ontbindende voorwaarde. Aan voornoemde vereisten is in het onderhavige geval niet voldaan.

3.6.2

Daartoe stelt [verzoekster] in de eerste plaats dat niet eenduidig was, wat met het positief afronden van de screening, zoals genoemd in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst was bedoeld. [verzoekster] is voorts enkel akkoord gegaan met een ontbindende voorwaarde met een termijn tot 16 januari 2021. VodafoneZiggo heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om de arbeidsovereenkomst per deze datum van het intreden van de ontbindende voorwaarde onmiddellijk te beëindigen en heeft [verzoekster] na voornoemde datum haar werkzaamheden op de gebruikelijke wijze laten voortzetten. [verzoekster] is er derhalve vanuit gegaan, en mocht er ook vanuit gaan, dat VodafoneZiggo het beëindigen van de arbeidsovereenkomst wegens het intreden van de ontbindende voorwaarde achterwege zou laten.

3.6.3

[verzoekster] is daarnaast niet akkoord gegaan met een verlenging van de termijn van de ontbindende voorwaarde. Voorgaande is niet met [verzoekster] besproken en zij heeft de brief d.d. 18 januari 2021 met daarin de nieuwe termijn niet ondertekend, zodat niet kan worden aangenomen dat zij akkoord was met de - voor haar nadelige - afspraak dat haar arbeidsovereenkomst alsnog zou kunnen eindigen na het verstrijken van de nadere termijn. Op de ontbindende voorwaarde kan dan ook geen rechtsgeldig beroep worden gedaan. Met het eenzijdig verlengen van de termijn heeft VodafoneZiggo het intreden van de ontbindende voorwaarde afhankelijk gemaakt van haar subjectieve oordeel. Voor [verzoekster] is immers onzeker geworden of VodafoneZiggo nogmaals een nadere termijn zou verstrekken indien zij er niet in zou slagen om voor het einde van de nieuwe termijn de VOG te overhandigen.

3.6.4

Nu [verzoekster] haar werkzaamheden ook na 16 januari 2021 zonder problemen heeft voortgezet, kan voorts niet worden gesteld dat de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] inhoudsloos is geworden door het intreden van de ontbindende voorwaarde.

3.7

Hoewel [verzoekster] aanvankelijk primair om de vernietiging van de onregelmatige opzegging heeft verzocht en zij subsidiair heeft berust in de opzegging, onder toekenning van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, heeft zij ter mondelinge behandeling, desgevraagd, verklaard enkel haar subsidiaire verzoek te handhaven.

4. Het verweer

4.1

Vodafone verzoekt - verkort weergegeven - om:

primair

I. het primaire en subsidiaire verzoek van [verzoekster] af te wijzen;

subsidiair

II. bij toewijzing van het primaire verzoek, de gevorderde dwangsommen en wettelijke verhoging af te wijzen, dan wel te matigen tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen hoogte;

III. bij toewijzing van het subsidiaire verzoek:

 de gevraagde vergoedingen af te wijzen;

 afwijzing van de verzochte billijke vergoeding, althans tot matiging daarvan tot een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen hoogte;

 afwijzen van de transitievergoeding;

 voor zover de kantonrechter meent dat het verzoek tot schadevergoeding wegens onregelmatige opzegging toewijsbaar is, de hoogte van de billijke vergoeding te beperken tot één maandsalaris, zijnde € 1.138,20;

primair en subsidiair

IV. de gevorderde wettelijke rente af te wijzen, althans deze te matigen op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen wijze;

V. om de gevraagde kostenveroordeling af te wijzen.

4.2

Daartoe heeft VodafoneZiggo – samengevat weergegeven en voor zover hierna van belang – het volgende aangevoerd.

4.3

Op grond van artikel 4:11 lid 2 en 4:15 Wft en artikel 28 van het besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen is een VOG voor de (uitoefening van de) functie van [naam functie] verplicht. [verzoekster] is in haar aanstellingsbrief duidelijk geïnformeerd over de inhoud van de screeningsprocedure. Tevens heeft [verzoekster] van het door VodafoneZiggo voor de uitvoering van de screeningsprocedure ingeschakelde externe bureau Validata informatie en uitleg over de procedure ontvangen.

4.4

Betwist wordt dat [verzoekster] kort na indiensttreding haar VOG heeft aangevraagd. VodafoneZiggo heeft [verzoekster] meermaals aangesproken op de omstandigheid dat zij haar VOG nog niet had aangeleverd en heeft ter zake daarvan meerdere herinneringsberichten naar [verzoekster] doen uitgaan. Daarbij is [verzoekster] ook gewaarschuwd voor de gevolgen van het niet tijdig aanleveren van de VOG. Door [verzoekster] zijn tegenover VodafoneZiggo telkens andere redenen voor de vertraging in het aanleveren van de VOG genoemd. Zo heeft [verzoekster] , nadat zij eerst had toegezegd voor het aanleveren van een VOG zorg te dragen, op 11 december 2020 kenbaar gemaakt dat zij was vergeten een VOG aan te vragen.

Vervolgens heeft [verzoekster] bij e-mail d.d. 13 januari 2021 verklaard dat zij tot drie keer toe een DigiD zou hebben aangevraagd, maar dat zij nog steeds geen code daarvan zou hebben ontvangen. Bij voornoemde e-mail heeft [verzoekster] om uitstel van een week voor het aanleveren van haar VOG verzocht. Tevens heeft [verzoekster] op 14 januari 2021 telefonisch contact gezocht met Validata, waarna laatstgenoemde aan haar een nieuw VOG-aanvraagformulier (zonder DigiD) per e-mail heeft toegezonden. Met dit formulier kon [verzoekster] rechtstreeks bij de gemeente een VOG aanvragen in plaats van digitaal. Betwist wordt dat [verzoekster] , zoals door haar zelf gesteld, rond die tijd aan VodafoneZiggo heeft kenbaar gemaakt dat het ministerie zou hebben medegedeeld dat vanwege drukte de verwerking en behandeling van haar VOG aanvraag langer zou duren dan gebruikelijk. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verzoekster] medio januari 2021 nog geen DigiD had, laat staat dat zij haar VOG-aanvraag al had ingediend bij het ministerie, zodat de stelling van [verzoekster] ook om die reden onaannemelijk is.

4.5

VodafoneZiggo heeft naar aanleiding van het door [verzoekster] gedane uitstelverzoek besloten, om bij wijze van uitzondering, een éénmalig uitstel te verlenen van twee weken, tot 30 januari 2021. Van dit uitstel is [verzoekster] op 15 januari 2021 telefonisch op de hoogte gesteld. Een bevestiging daarvan heeft per brief d.d. 18 januari 2021 plaatsgevonden. Op 25 januari 2021 heeft [verzoekster] met de boodschap dat “haar aanvraag op de één of andere manier niet goed is aangekomen bij Justis” telefonisch nogmaals om uitstel verzocht. VodafoneZiggo heeft daarop laten weten dat er niet nogmaals uitstel zou worden verleend. Aangezien de VOG van [verzoekster] op 30 januari 2021 nog niet binnen was, heeft VodafoneZiggo [verzoekster] laten weten dat haar arbeidsovereenkomst op grond van de ontbindende voorwaarde beëindigd was.

4.6

VodafoneZiggo stelt zich op het standpunt dat er wel degelijk een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden.

4.6.1

[verzoekster] heeft zelf om uitstel gevraagd, welk uitstel haar vervolgens mondeling en schriftelijk is bevestigd. In die bevestiging is duidelijk aangegeven dat de arbeidsovereenkomst alsnog op grond van de ontbindende voorwaarde beëindigd zou worden in het geval de VOG niet binnen de aanvullende termijn aangeleverd zou worden. Op grond van het voorgaande wist [verzoekster] , althans behoorde zij te weten, dat het enkele feit dat zij haar werkzaamheden na 16 januari 2021 kon voortzetten niet betekende dat de ontbindende voorwaarde niet langer van toepassing was.

4.6.2

Voor zover er een schriftelijkheidsvereiste geldt, hetgeen VodafoneZiggo betwist, is daaraan in het onderhavige geval voldaan. De ontbindende voorwaarde is in de eerste plaats in de arbeidsovereenkomst schriftelijk overeengekomen. Vervolgens hebben zowel het verzoek om verlenging van de termijn van de ontbindende voorwaarde alsmede de bevestiging daarvan, schriftelijk plaatsgevonden. De verlenging van de termijn tot aanlevering van de VOG heeft tevens de termijn van de ontbindende voorwaarde doen opschuiven. Uit de gehele context blijkt ook dat VodafoneZiggo deze voorwaarde nimmer heeft prijsgegeven.

4.6.3

Het intreden van de ontbindende voorwaarde is uitsluitend verbonden aan het tijdig overleggen van een VOG. Betwist wordt dan ook dat het intreden van de ontbindende voorwaarde afhankelijk is gemaakt van het subjectieve oordeel van VodafoneZiggo. Voor zover bij [verzoekster] al twijfel bestond of niet nogmaals uitstel zou worden verleend, wijst VodafoneZiggo erop dat in de brief d.d. 18 januari 2021 duidelijk staat vermeld dat het om een laatste kans ging.

4.6.4

Doordat het overleggen van de VOG een wettelijk vereiste is om een functie als die van [verzoekster] te kunnen vervullen, is haar arbeidsovereenkomst inhoudsloos wanneer zij niet over een VOG beschikt.

4.7

De omstandigheid, inhoudende dat [verzoekster] de vereiste VOG één dag na beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft ontvangen, doet aan de rechtsgeldigheid van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst niets af. VodafoneZiggo wijst er in dat verband op dat zij zich veel moeite heeft getroost [verzoekster] tijdig te laten voldoen aan de ontbindende voorwaarde en dat zij een duidelijke lijn wenst te hanteren binnen haar onderneming nu zij maandelijks veel nieuwe medewerkers in dienst krijgt.

5. De beoordeling

5.1

VodafoneZiggo heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] per 30 januari 2021 beëindigd vanwege het door haar niet (tijdig) aanleveren van een VOG. [verzoekster] heeft zich - kort samengevat - op het standpunt gesteld dat van een rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen sprake is geweest. Beoordeeld dient dan ook te worden of de arbeidsovereenkomst middels het door VodafoneZiggo gedane beroep op de ontbindende voorwaarde, al dan niet tot een rechtsgeldig einde is gekomen.

5.2

Niet ter discussie staat dat voor (de uitoefening van) de functie van [naam functie] een VOG wettelijk verplicht is, nu dit door VodafoneZiggo is gesteld en door [verzoekster] ter mondelinge behandeling desgevraagd ook is erkend. Uit artikel 2 van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst volgt dat de arbeidsovereenkomst wordt aangegaan onder de ontbindende voorwaarde, inhoudende dat de werknemer uiterlijk twee maanden na indiensttreding de screening zoals vereist voor de functie compleet en met positief resultaat heeft afgerond. VodafoneZiggo heeft, onder verwijzing naar de door haar overgelegde stukken, gesteld dat het overleggen van een VOG onderdeel uitmaakt van de in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst genoemde screeningsprocedure.

5.3

Het door [verzoekster] gevoerde verweer, inhoudende dat voor haar niet duidelijk was dat het overleggen van een VOG onderdeel uitmaakte van het positief afronden van de screeningsprocedure, treft dit naar het oordeel van de kantonrechter geen doel. In dat verband wordt erop gewezen dat uit de door VodafoneZiggo overgelegde aanstellingsbrief (zie ro. 2.3), waarvan [verzoekster] de ontvangst niet heeft betwist, duidelijk en ondubbelzinnig volgt dat het overleggen van een VOG onderdeel uitmaakt van de screening. In deze brief wordt tevens melding gemaakt van de consequenties van het niet (tijdig) voldoen aan deze screeningsonderdelen. Door [verzoekster] is daarnaast niet betwist dat zij, zoals door VodafoneZiggo gesteld, van Validata ook de benodigde informatie en uitleg over de screeningsprocedure heeft ontvangen. Gelet op het voorgaande wist, althans kon, [verzoekster] dan ook weten dat het overleggen van een VOG onderdeel uitmaakte van de in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst genoemde screeningsprocedure. Dat de inhoud van de screeningsprocedure voor [verzoekster] ook duidelijk was, volgt daarnaast voldoende uit de brief d.d. 16 maart 2021 van haar gemachtigde. De gemachtigde van [verzoekster] bericht in voornoemde brief aan VodafoneZiggo namelijk: “Voorts deelde cliënte mij mede dat de screening waarnaar in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst wordt verwezen, het verstrekken van een Verklaring Omtrent Gedrag (hierna: VOG) vereist”.

5.4

Vaststaat dat [verzoekster] op 16 november 2020 bij VodafoneZiggo in dienst is getreden, zodat zij op grond van het bepaalde in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst in beginsel gehouden was haar VOG binnen twee maanden na deze startdatum aan te leveren. Vooropgesteld wordt dat [verzoekster] zelf verantwoordelijk is voor het tijdig aanvragen en aanleveren van haar VOG. Nu het ministerie zelf bepaalt of er al dan niet een VOG wordt afgegeven, kan VodafoneZiggo als werkgever bovendien ook geen invloed uitoefenen op de verkrijging daarvan. Eventuele vertragingen in het aanvragen en verkrijgen van een VOG komen in beginsel dan ook voor rekening en risico van [verzoekster] . In dit verband acht de kantonrechter voorts van belang dat uit de door VodafoneZiggo aangeleverde stukken voldoende blijkt dat zij [verzoekster] na haar indiensttreding meermaals op haar verplichting om een VOG aan te leveren heeft gewezen, alsook op de consequenties bij het uitblijven van de (tijdige) aanlevering daarvan.

5.5

Door [verzoekster] is onweersproken gesteld dat zij haar VOG pas op 1 februari 2021 heeft ontvangen. Over de oorzaak van de vertraging in het aanvragen van de VOG danwel het aangeleverd krijgen daarvan, lopen de verklaringen van [verzoekster] uiteen en zijn deze naar het oordeel van de kantonrechter niet geheel eenduidig. Daar waar zij in haar verzoekschrift heeft vermeld dat zij direct na indiensttreding een VOG heeft aangevraagd, heeft zij ter mondelinge behandeling desgevraagd verklaard het aanvragen van een VOG aanvankelijk wegens ziekte vergeten te zijn. Laatstgenoemde verklaring vindt ook steun in de door [verzoekster] op 11 december 2020 aan VodafoneZiggo verzonden e-mail. [verzoekster] heeft in haar verzoekschrift daarnaast gesteld dat de vertraging in de verwerking van haar aanvraag was gelegen in de bij het ministerie aanwezige drukte. Nog daargelaten de omstandigheid dat VodafoneZiggo heeft betwist dat [verzoekster] het voorgaande eerder dan pas in de onderhavige procedure als reden aan VodafoneZiggo heeft teruggekoppeld en dit in rechte dan ook niet vast staat, strookt deze stelling niet met de door [verzoekster] bij e-mail d.d. 13 januari 2021 aangevoerde redenen. Uit de door [verzoekster] afgelegde verklaringen, alsook de verklaring van Validata zoals door VodafoneZiggo als productie 9 overgelegd, leidt de kantonrechter in ieder geval af dat [verzoekster] , nog daargelaten de daadwerkelijke oorzaak daarvan, pas kort voor het verstrijken van de in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst genoemde termijn een aanvraag voor een VOG bij het ministerie heeft ingediend.

5.6

De voor de arbeidsovereenkomst kenmerkende bescherming van de werknemer, die onder meer tot uiting komt in het wettelijk stelsel van het ontslagrecht, brengt mee dat de geldigheid van een ontbindende voorwaarde in een arbeidsovereenkomst slechts bij uitzondering kan worden aanvaard. Door de Hoge Raad is bepaald dat het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst onder bepaalde omstandigheden mogelijk is, indien is voldaan aan drie elementen. Het opnemen van een ontbindende voorwaarden mag geen strijdigheid opleveren met het stelsel van het ontslagrecht, de vervulling van de ontbindende voorwaarde dient objectief te worden bepaald en na de vervulling van de ontbindende voorwaarden moet geen invulling meer kunnen worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst.

5.7

Naar het oordeel van de kantonrechter is in het onderhavige geval aan voornoemde elementen voldaan en heeft VodafoneZiggo de arbeidsovereenkomst van [verzoekster] middels het inroepen van de ontbindende voorwaarde rechtsgeldig beëindigd. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5.7.1

Gesteld noch gebleken is in de eerste plaats dat in het onderhavige geval het opnemen van een ontbindende voorwaarde in de arbeidsovereenkomst voor het overleggen van een VOG, op zichzelf genomen in strijd is met het ontslagstelsel. De ontbindende voorwaarde is niet in strijd met enige wettelijke bepaling dan wel een opzegverbod. Door VodafoneZiggo is daarnaast onweersproken gesteld en onderbouwd dat de VOG wettelijk verplicht is voor de uitoefening van de functie van [naam functie] . Ter toelichting daarop heeft zij naar voren gebracht dat zij er zorg voor dient te dragen dat de betrouwbaarheid van de werknemers die zich onder haar verantwoordelijkheid bezig houden met het verlenen van financiële diensten rond consumentenkrediet buiten twijfel staat. Op grond van de artikelen 4:11 lid 2 en 4:15 Wft en artikel 28 van het besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen is een VOG voor de functie van [verzoekster] daarbij verplicht. Het eisen van een VOG binnen een door VodafoneZiggo gestelde - en naar het oordeel van de kantonrechter redelijke - termijn van twee maanden, was in het onderhavige geval dan ook geoorloofd en gerechtvaardigd.

5.7.2

Niet gesteld kan daarnaast worden dat het vervullen van de ontbindende voorwaarde niet objectief bepaald kon worden en afhankelijk is gesteld van de subjectieve waardering van één partij. Het afgeven van een VOG geschiedt door het ministerie en het verkrijgen van een VOG is niet afhankelijk van de wil van partijen. Artikel 2 van de arbeidsovereenkomst bevat daarnaast een concrete (en vooraf voor partijen kenbare) termijn. [verzoekster] heeft met deze ontbindende voorwaarde, middels ondertekening van de arbeidsovereenkomst, ingestemd, zodat deze voorwaarde wordt geacht tussen partijen te zijn overeengekomen.

5.7.3

Volgens de aanvankelijk tussen partijen in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen ontbindende voorwaarde had [verzoekster] tot 16 januari 2021 de gelegenheid om een VOG af te geven. Vaststaat dat [verzoekster] nog vóór het verstrijken van die termijn, te weten bij e-mail d.d. 13 januari 2021 alsook tijdens een telefoongesprek dat op 15 januari 2021 heeft plaatsgevonden, zelf om uitstel van één week tot het aanleveren van de VOG heeft verzocht. VodafoneZiggo heeft vervolgens in reactie daarop aan [verzoekster] een uitstel tot uiterlijk 30 januari 2021, zijnde derhalve een ruimere termijn dan verzocht, verleend. De kantonrechter is van oordeel dat gelet op het voorgaande partijen worden geacht met de verlenging van de termijn waarbinnen de VOG aangeleverd diende te worden, tevens een verlenging van de termijn voor het intreden van de ontbindende voorwaarde te zijn overeengekomen. Gelet op de wijze waarop artikel 2 van de arbeidsovereenkomst is geformuleerd en de omstandigheid dat de beide componenten daarin een onlosmakelijk geheel vormen, heeft VodafoneZiggo het verzoek van [verzoekster] in redelijkheid als zodanig mogen opvatten. Niet gebleken is daarnaast dat VodafoneZiggo bij de door haar toegestane verlenging van de termijn waarbinnen de VOG diende te worden aangeleverd, de ontbindende voorwaarde op enigerlei wijze heeft prijsgegeven, zodat [verzoekster] dit in redelijkheid ook niet als zodanig heeft mogen opvatten. In dit verband is van belang dat VodafoneZiggo heeft betwist dat door [persoon B] in het telefoongesprek d.d. 15 januari 2021 zou zijn verklaard dat het later aanleveren van de VOG geen probleem was alsmede dat [verzoekster] na het gegeven uitstel, indien nodig, nogmaals om uitstel zou kunnen verzoeken, zodat dit in rechte ook niet vaststaat. Uit de brief d.d. 18 januari 2021 volgt daarnaast duidelijk dat VodafoneZiggo haar ontbindende voorwaarde handhaaft waarbij een concrete termijn is genoemd. Niet gebleken is dat [verzoekster] zich, eerder dan pas ter mondelinge behandeling, op het standpunt heeft gesteld dat de brief d.d. 18 januari 2021 een onjuiste weergave van het telefoongesprek d.d. 15 januari 2021 bevat. De kantonrechter is daarnaast, anders dan [verzoekster] , van oordeel dat de verlenging van de termijn waarin de ontbindende voorwaarde intreedt niet als een voor haar nadelige afspraak kan worden beschouwd. Op grond van het bepaalde in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst had VodafoneZiggo er immers ook voor kunnen kiezen om per 16 januari 2021 de arbeidsovereenkomst als van rechtswege beëindigd te beschouwen, doch in plaats daarvan heeft zij in reactie op het door [verzoekster] gedane verzoek aan haar een gunst verleend door uitstel te geven. Daarbij is aan [verzoekster] bovendien een ruimere termijn gegeven dan zoals door [verzoekster] zelf was verzocht.

5.7.4

Nu voor de uitoefening van de functie van [naam functie] een VOG wettelijk verplicht is, kan worden vastgesteld dat er geen invulling kan worden gegeven aan de arbeidsovereenkomst indien de betreffende werknemer geen VOG kan verkrijgen. Zonder VOG is het immers niet mogelijk om de functie van [naam functie] uit te oefenen. Aan het derde element is dan ook eveneens voldaan.

5.8

Nu de arbeidsovereenkomst per 30 januari 2021 rechtsgeldig tot een einde is gekomen, bestaat voor toewijzing van het door [verzoekster] subsidiair verzochte geen grondslag. De door [verzoekster] ingediende verzoeken worden dan ook afgewezen.

5.9

[verzoekster] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

6. De beslissing

De kantonrechter:

wijst de verzoeken van [verzoekster] af;

veroordeelt [verzoekster] tot betaling van de proceskosten aan VodafoneZiggo, die de kantonrechter aan de kant van VodafoneZiggo tot en met vandaag vaststelt op € 747,- aan gemachtigdensalaris;

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.I. Mentink, kantonrechter, en heden in het openbaar uitgesproken.

495