Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5132

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
C/10/613543 / FA RK 21-1331
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking betreffende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/10/613543 / FA RK 21-1331

Beschikking van 30 april 2021 betreffende regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

in de zaak van:

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. C.J.W.F. Dekkers te Tilburg,

t e g e n

[naam man] , de man,

wonende te [adres man] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 februari 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 30 april 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de man,

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam] .

2. De vaststaande feiten

2.1.

Het huwelijk van partijen is op 8 juli 2014 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 25 maart 2014 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

[naam kind 1] , geboren op [geboortedatum kind 1] 2010 te [geboorteplaats kind 1] ;

[naam kind 2] , geboren op [geboortedatum kind 2] 2011 te [geboorteplaats kind 2] ;

[naam kind 3] , geboren op [geboortedatum kind 3] 2013 te [geboorteplaats kind 3] .

2.3.

Het ouderlijk gezag over de minderjarigen wordt door de ouders gezamenlijk uitgeoefend.

2.4.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 maart 2014 heeft de rechtbank bepaald dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij de man zal zijn.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2014 is bepaald dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna te noemen: de reguliere zorgregeling) als volgt zal zijn:

De vrouw zal de minderjarigen ieder weekend bij zich hebben van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen zal ophalen en weer terugbrengen naar de man, alsmede de eerste helft van de vakanties.

Voorts zal de vrouw de minderjarigen iedere woensdag rond 18.00 uur bellen.

2.6.

Bij vonnis in kortgeding van de rechtbank Rotterdam van 24 april 2015 is de man veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van 18 juli 2014, waarbij de man is veroordeeld tot het betalen van een dwangsom van € 250,- aan de vrouw per keer dat hij in gebreke blijft zijn medewerking te verlenen aan de uitvoering van de zorgregeling, met een maximum van € 15.000,- aan te verbeuren dwangsommen.

2.7.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 16 maart 2021 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot 16 december 2021.

3. De beoordeling

3.1.

Zorgregeling

3.1.1.

De vrouw verzoekt de eerder bepaalde reguliere zorgregeling als volgt te wijzigen:

Reguliere regeling:

- De minderjarigen verblijven éénmaal per maand een weekend bij de vrouw, van vrijdag 18:00 uur tot zondag 17:00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen bij de man zal ophalen en de man de kinderen weer ophaalt bij de vrouw;

- De vrouw en de minderjarigen videobellen twee keer per week: op dinsdag en vrijdag, beide dagen van 16:00 uur tot 17:00 uur, waarbij de man en stiefmoeder de kamer verlaten, zodat de minderjarigen onbelast contact kunnen hebben met de vrouw.

Vakanties:

- Zomervakantie: de minderjarigen verblijven de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw, waarbij de vakantie start op de vrijdag om 18:00 uur. De vrouw haalt de minderjarigen op vrijdag om 18:00 uur op bij de man wanneer haar deel van de zomervakantie begint en de man haalt de minderjarigen drie weken later op zondag om 18:00 uur bij de vrouw;

- Kerstvakantie: de minderjarigen verblijven de eerste week bij de man en de tweede week bij de vrouw. Ook deze vakantie start op de vrijdag om 18:00 uur. De vrouw haalt de minderjarigen op vrijdag om 18:00 uur op bij de man wanneer de kerstvakantie begint. De minderjarigen worden op de zondag, de start van de tweede week, door de man opgehaald bij het treinstation Tilburg;

- Gedurende de overige vakanties geldt de reguliere zorgregeling.

Feestdagen:

- Suikerfeest: in de even jaren verblijven de minderjarigen tijdens het Suikerfeest bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw;

- Offerfeest: in de oneven jaren verblijven de minderjarigen tijdens het Offerfeest bij de man en in de even jaren bij de vrouw;

- Wanneer de minderjarigen tijdens het Suikerfeest of Offerfeest bij de man verblijven heeft de vrouw de gelegenheid, buiten aanwezigheid van de man en stiefmoeder, met de minderjarigen te videobellen tussen 18:00 uur en 19:00 uur.

De vrouw heeft het verzoek ter zitting gewijzigd, in die zin dat:

- de vrouw en de minderjarigen één keer per week videobellen: op vrijdag, van 16:00 uur tot 17:30 uur, waarbij de man en stiefmoeder de kamer verlaten, zodat de minderjarigen onbelast contact kunnen hebben met de vrouw.

3.1.2.

De man verweert zich grotendeels niet tegen dit verzoek. De man voert gemotiveerd verweer tegen het ophalen van de kinderen.

3.1.3.

De rechtbank kan op verzoek van de gezaghebbende ouders of van een van hen krachtens artikel 1:253a in verbinding met artikel 1:377e BW een beslissing inzake een zorgregeling of een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.1.4.

Ten aanzien van het deel van het verzoek betrekking hebbend op het halen en brengen van de kinderen overweegt de rechtbank als volgt.

Het uitgangspunt binnen een zorgregeling is dat de ouders gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het halen en brengen dragen. Het argument van de vrouw dat zij de kinderen niet wil halen én brengen vanwege de kosten, is geen steekhoudend argument nu het de man is die de volledige kosten voor de verzorging en opvoeding van de kinderen draagt. De vrouw heeft dat ook niet weersproken. De rechtbank is echter wel met de vrouw van oordeel dat het in het belang van de kinderen is, mede gelet op de relatie in het verleden tussen de man en de kinderen, dat de ouders een gedeelde verantwoordelijkheid hebben voor het halen en brengen. Door de kinderen te brengen, dan wel te halen, laat hij jegens de kinderen blijken achter de zorgregeling te staan.

3.1.5.

De man heeft aangegeven door het ontbreken van een rijbewijs en vervoersmiddel feitelijk niet in staat te zijn de kinderen op te halen bij de vrouw en dit dus ook niet zal doen. Gelet op de voorgeschiedenis tussen de ouders ligt door deze houding van de man het verslechteren van de relatie tussen de ouders, en daarmee het verslechteren van de relatie tussen de vrouw en de kinderen, op de loer. Als de man weigert de kinderen op te halen, zal er immers ófwel geen omgang meer tussen de vrouw en de kinderen plaatsvinden, danwel zal de vrouw tegen de afspraak in zowel het brengen als ophalen voor haar rekening moeten nemen. In beide gevallen zal dat leiden tot ongewenste spanningen. Dat is niet in het belang van de kinderen.

3.1.6.

Toch is de rechtbank van oordeel dat het uitgangspunt van een gedeelde verantwoordelijkheid van het halen en brengen van de kinderen, waarbij de man de kinderen zal ophalen bij de vrouw, dient te prevaleren. Hiermee toont de man richting de kinderen dat hij zich achter omgang met de vrouw stelt. De rechtbank overweegt daarbij dat het feitelijk gaat om maximaal 14 momenten per jaar dat de vader zich moet inspannen om de kinderen op te halen, te weten 1 keer per maand het weekend en telkens één overdracht in de zomer- en kerstvakantie. Voor de overige vakanties, niet zijnde de zomer- en kerstvakantie, en feestdagen vraagt de vrouw toewijzing van het verzoek met toepassing van de staande reguliere zorgregeling. De staande reguliere zorgregeling houdt in dat de vrouw de kinderen haalt en brengt.

3.1.7.

De rechtbank zal dan ook dienovereenkomstig beslissen. De rechtbank wijst ook het (deels gewijzigde) verzoek toe voor dat deel van het verzoek dat niet is weersproken. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen de verzochte regeling verzet.

3.1.8.

De rechtbank merkt op dat partijen zijn overeengekomen dat op de momenten dat de zorgregeling inhoudt dat de vrouw de kinderen ophaalt aan het begin van een schoolvakantie in plaats van “vrijdag” dient te worden begrepen “de laatste schooldag”.

3.2.

Dwangsommen

3.2.1.

De vrouw verzoekt om de man te veroordelen tot betaling aan de vrouw van een dwangsom van €500,- voor iedere keer dat hij in gebreke blijft medewerking te verlenen aan de zorgregeling.

3.2.2.

De man voert gemotiveerd verweer.

3.2.3.

De man heeft ter zitting duidelijk gemaakt niet aan de ophaalplicht te kunnen en te willen voldoen. Zoals reeds overwogen in 3.1.5. en 3.1.6. kan dit standpunt tot een situatie leiden die niet in het belang van de kinderen is, maar is de rechtbank van oordeel dat het in het belang is van de kinderen dat de man toont zich achter omgang met de vrouw te stellen. De rechtbank is om die reden van oordeel dat een dwangsom aan de nakoming van de zorgregeling verbonden dient te blijven. Eerder is aan de man een dwangsom ter hoogte van €250,- opgelegd voor iedere keer dat hij in gebreke blijft medewerking te verlenen aan de zorgregeling, maar dit resulteerde niet in nakoming door de man. De rechtbank zal de dwangsom daarom verhogen zoals verzocht, te weten tot een bedrag van €500,-, met een maximum van € 15.000,-.

3.2.4.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat gedurende de lopende ondertoezichtstelling het in het belang van de kinderen is om de als voogd betrokken jeugdbeschermer in de gelegenheid te stellen om als onafhankelijke derde sturing te geven aan de nakoming van de afspraken, waarbij het belang van de kinderen voorop staat. De rechtbank bepaalt daarom dat de man geen dwangsommen zal verbeuren zolang er een ondertoezichtstelling loopt, met als gevolg dat de ouders binnen de ondertoezichtstelling, in samenspraak met de jeugdbeschermer, de feitelijke invulling van het halen en brengen kunnen vormgeven.

3.3.

Proceskosten

3.3.1.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

wijzigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 18 juli 2014 in die zin dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld als volgt:

Reguliere regeling:

- De minderjarigen verblijven éénmaal per maand een weekend bij de vrouw, van vrijdag 18:00 uur tot zondag 18:00 uur, waarbij de vrouw de minderjarigen bij de man zal ophalen en de man de kinderen weer ophaalt bij de vrouw;

- Voorts videobellen de vrouw en de minderjarigen één keer per week: op vrijdag, van 16:00 uur tot 17:30 uur, 30 minuten per minderjarige, waarbij de man en stiefmoeder de kamer verlaten, zodat de minderjarigen onbelast contact kunnen hebben met de vrouw.

Vakanties:

- Zomervakantie: de minderjarigen verblijven de eerste drie weken bij de man en de laatste drie weken bij de vrouw, waarbij de vakantie start op de laatste schooldag voor de vakantie. De vrouw haalt de minderjarigen op die dag om 18:00 uur op bij de man wanneer haar deel van de zomervakantie begint en de man haalt de minderjarigen drie weken later op zondag om 18:00 uur bij de vrouw;

- Kerstvakantie: de minderjarigen verblijven de eerste week bij de vrouw en de tweede week bij de man. De vrouw haalt de minderjarigen op de laatste schooldag voor de vakantie om 18:00 uur op bij de man wanneer de kerstvakantie begint en de man haalt de minderjarigen op zondag, de start van de tweede week, om 18:00 uur op bij de vrouw;

- Gedurende de overige vakanties: de minderjarigen verblijven de eerste helft van de vakantie bij de vrouw. De vrouw haalt de minderjarigen op de laatste schooldag voor de vakantie om 18:00 uur op bij de man wanneer de vakantie begint en brengt de minderjarigen halverwege de vakantie terug naar de man.

Feestdagen:

- Suikerfeest: in de even jaren verblijven de minderjarigen tijdens het Suikerfeest bij de man en in de oneven jaren bij de vrouw, waarbij geldt dat de vrouw de kinderen haalt en brengt;

- Offerfeest: in de oneven jaren verblijven de minderjarigen tijdens het Offerfeest bij de man en in de even jaren bij de vrouw, waarbij geldt dat de vrouw de kinderen haalt en brengt;

- Wanneer de minderjarigen tijdens het Suikerfeest of het Offerfeest bij de man verblijven, heeft de vrouw de gelegenheid, buiten aanwezigheid van de man en stiefmoeder, met de minderjarigen te videobellen tussen 18:00 uur en 19:00 uur.

4.2.

bepaalt dat de man aan de vrouw een dwangsom moet betalen van €500,- voor iedere keer dat hij in gebreke blijft medewerking te verlenen aan de zorgregeling zoals hiervoor onder 4.1 is bepaald, totdat een maximum van € 15.000,- is bereikt;

4.3.

verbindt aan de dwangsom de voorwaarde dat de man de dwangsommen niet verbeurt zolang de ondertoezichtstelling loopt;

4.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.5.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2021 door mr. M. van Kuilenburg, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier.

De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 27 mei 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.