Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5027

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
C/10/597496 / HA ZA 20-532
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

PGB; cessie; terugbetaling van de pgb-gelden die de budgethouders hebben besteed bij de zorgverlener. Zorgverlener heeft de besteding van de pgb-gelden voor de budgethouders ondeugdelijk verantwoord en is hierdoor toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van de voor haar uit de overeenkomst met de budgethouders voortvloeiende verbintenissen. Bestuurder en feitelijk leidinggevende zijn met de zorgverlener hoofdelijk aansprakelijk voor de schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597496 / HA ZA 20-532

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VGZ ZORGKANTOOR B.V.,

gevestigd te Arnhem,

eiseres,

advocaat mr. G.D. Bosman te Veldhoven,

tegen

1. de stichting

[naam gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [naam gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

3. [naam gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. J.W.D. Roozemond te Utrecht.

Eiseres zal hierna VGZ genoemd worden. Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [naam gedaagde 1] , [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] en gezamenlijk als [gedaagden]

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 7 mei 2020,

  • -

    de akte overlegging producties van VGZ, met producties 1 tot en met 139,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 47,

  • -

    de brief van de rechtbank aan partijen van 21 september 2020, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties 140 tot en met 143,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties 48 tot en met 54,

  • -

    de nadere productie 144 van VGZ

  • -

    de nadere producties 55 en 56 van [gedaagden]

  • -

    de mondelinge behandeling van 16 maart 2021,

  • -

    de spreekaantekeningen van VGZ,

  • -

    de spreekaantekeningen van [gedaagden] ,

  • -

    de berichten van de advocaten van beide zijden dat de rechtbank wordt verzocht om vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

VGZ (rechtsopvolger van Trias Zorgkantoor B.V.) is een zorgkantoor zoals aangeduid in de tot 1 januari 2015 geldende Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Zij is belast met de uitvoering en controle van – onder meer – de subsidieregeling uit de AWBZ betreffende het persoonsgebonden budget (hierna: pgb).

2.2.

[naam gedaagde 1] is op 15 april 2013 opgericht en verleende tot 2015 (24-uurs)zorg aan mensen met psychiatrische problematiek, die door middel van een pgb zorg inkochten bij [naam gedaagde 1] . In dat kader heeft [naam gedaagde 1] zorgovereenkomsten gesloten met, voor zover hier relevant:

1) [naam 1] ,

2) [naam 2] ,

3) [naam 3] ,

4) [naam 4] ,

5) [naam 5] ,

6) [naam 6] ,

7) [naam 7] ,

8) [naam 8]

(hierna gezamenlijk aanduid als de budgethouders).

2.3.

[naam gedaagde 2] vormt samen met [naam 9] en [naam 10] het bestuur van [naam gedaagde 1] . [naam gedaagde 3] is gehuwd met [naam gedaagde 2] en is op 1 januari 2014 als werknemer in dienst van [naam gedaagde 1] getreden.

2.4.

In december 2014 is de afdeling Veiligheidszaken van de [naam bedrijf] (hierna: Veiligheidszaken) voor VGZ een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de besteding van de pgb’s van (onder meer) de onder 2.2 vermelde budgethouders in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Het door Veiligheidszaken naar aanleiding van dit onderzoek uitgebrachte rapport ‘Onderzoeksrapport Z15 002 [naam gedaagde 1] ’ luidt voor zover hier van belang:

“(…)

Aanleiding onderzoek

De afdeling Veiligheidszaken heeft begin december 2013 een melding ontvangen over [naam gedaagde 1] . Hierin wordt het volgende gemeld:

- [naam gedaagde 1] zou meer factureren dan zij daadwerkelijk aan zorg levert;

- Hulpverleners zouden zelf kampen met psychische problemen;

- Budgethouders zouden zelf zorg verlenen.

(…)

Rechtmatigheidsonderzoek Veiligheidszaken

Eind december 2014 heeft de afdeling Veiligheidszaken (voorheen Speciale Zaken) besloten een rechtmatigheidsonderzoek in te stellen, omdat de signalen, de administratieve onderzoeken en huisbezoek daartoe aanleiding gaven.

(…)

Algemene conclusies

Op basis van onze onderzoeksbevindingen concluderen wij dat er in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 geen kwalitatief verantwoorde AWBZ-zorg is geleverd door [naam gedaagde 1] . De zorg zoals omschreven op de documenten die ten behoeve van de verantwoording zijn aangeleverd, komt niet overeen met de zorg die feitelijk is geleverd. De zorgovereenkomsten en de documenten met zorgafspraken zijn (deels) geantedateerd en derhalve valselijk opgemaakt. Op de facturen staan zorgfuncties vermeld die in het geheel niet zijn geleverd. Kennelijk zijn de documenten dusdanig opgesteld om te doen voorkomen dat er sprake was van besteding van het pgb aan kwalitatief verantwoorde AWBZ-zorg, terwijl hieraan in werkelijkheid geen sprake was.

Wij stellen ons op het standpunt dat de pgb’s van 9 budgethouders in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 niet rechtmatig zijn besteed. Bovendien is ons standpunt dat zowel tijdens de intensieve controles en in bezwaar- beroepsprocedures onjuiste zorgovereenkomsten, onjuiste facturen, onjuiste urenspecificaties, onjuiste zorgafspraken, onjuiste informatie over het doorstorten van de voorschotten, onjuiste verantwoordingsformulieren en onjuiste weekroosters zijn verstrekt met als doel de verantwoorde zorg op verkeerde gronden goed te laten keuren. Onder andere zorgovereenkomsten, weekroosters en zorgplannen zijn achteraf opgesteld en derhalve valselijk opgemaakt.

Aangezien de urenspecificaties en de weekroosters geen juist beeld geven van de daadwerkelijk geleverde zorg, is het voor ons onmogelijk om vast te stellen in welke mate het pgb eventueel wel besteed zou zijn aan zorg die mag worden betaald uit het pgb.

[naam gedaagde 3] was op papier niet betrokken bij de [naam gedaagde 1] . Uit de zorgovereenkomsten, weekroosters en interviews blijkt echter dat [naam gedaagde 3] wel degelijk betrokken was bij [naam gedaagde 1] in de rol van oprichter, bestuurder, leider en zorgverlener.

Budgethouders zijn in principe zelf verantwoordelijk voor de besteding van hun pgb. Uit het onderzoek is echter gebleken dat de budgethouders het beheer van hun pgb volledig bij [naam gedaagde 1] hebben belegd. [naam gedaagde 1] heeft daarop het pgb onjuist besteed en verantwoord.

(…)

Eindconclusies

Op grond van de bevindingen, zoals beschreven in het onderzoeksrapport, komen wij tot de volgende eindconclusies:

[naam gedaagde 1] heeft in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 de pgb’s van de budgethouders van Zorgkantoor Waardenland die daar in deze periode woonachtig waren beheerd en heeft zich daarbij niet gehouden aan de verplichtingen die de budgethouders zijn opgelegd in de Regeling Subsidies AWBZ;

Uit de bevindingen is gebleken dat de pgb-administratie niet overeenkomstig de wettelijke vereisten, zoals neergelegd in de Regeling Subsidies AWBZ, is samengesteld;

Uit onderzoek is gebleken dat de voorschotten, onder aftrek van het vrij besteedbare bedrag, zijn doorgestort naar het rekeningnummer van [naam gedaagde 1] , zonder dat hier de levering van (kwalitatief verantwoorde) AWBZ-zorg tegenover stond;

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de facturen geen juiste weergave zijn van daadwerkelijk geleverde zorg. Er worden functies vermeld die niet geleverd zijn en er worden tevens uren vermeld op momenten waarop in het geheel geen zorg geleverd kan zijn;

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat door [naam gedaagde 1] aan de budgethouders werd verteld dat het gehele pakket, met daarin ook niet geleverde uren/functies, mocht worden gefactureerd. Door deze handelswijze zijn de budgethouders misleid door [naam gedaagde 1] ;

Uit het onderzoek is gebleken dat zorgovereenkomsten zijn geantedateerd en vervalst. Tevens is gebleken dat roosters zijn opgemaakt en aan het Zorgkantoor/Veiligheidszaken verstrekt die geen juiste weergave zijn van de daadwerkelijke dagbesteding en de eventueel geleverde zorg. Er is derhalve valsheid in geschrifte gepleegd;

Tijdens het onderzoek is, ondanks meerdere mogelijkheden hiertoe, geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op onze bevindingen en vragen te reageren dan wel de door ons verzochte informatie aan te leveren;

Concluderend stellen wij ons op het standpunt dat de pgb's van de budgethouders die woonachtig waren bij [naam gedaagde 1] in de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 onrechtmatig zijn besteed. Wij stellen ons op het standpunt dat de rechtspersoon [naam gedaagde 1] alsmede haar bestuursleden [naam 10] , [naam gedaagde 2] en [naam 9] , hiervoor verantwoordelijk kunnen worden gehouden. Wij stellen ons op het standpunt dat de budgethouders te goeder trouw hebben gehandeld.

Wij hebben vastgesteld dat [naam gedaagde 1] heeft gefraudeerd met zorggelden. Wij hebben aan [naam gedaagde 1] en haar bestuursleden passende maatregelen opgelegd”.

2.5.

Naar aanleiding van de uitkomsten van het onder 2.4 vermelde rechtmatigheidsonderzoek heeft VGZ de budgethouders schriftelijk bericht dat – samengevat weergegeven – de onrechtmatig bestede pgb-gelden terug moeten worden betaald, dat VGZ de budgethouders te goeder trouw acht en dat zij het voornemen heeft de vorderingen tot terugbetaling te verhalen op [gedaagden] In dat verband heeft VGZ de budgethouders onder meer verzocht hun vorderingen op [gedaagden] aan VGZ te cederen.

2.6.

Alle onder 2.2 vermelde budgethouders hebben een akte van cessie ondertekend waarbij zij hun vorderingen op [gedaagden] aan VGZ hebben gecedeerd.

2.7.

Een brief van Zorginstituut Nederland aan de advocaat van [gedaagden] van 11 april 2018 luidt voor zover hier van belang:

“(…)

De zorgverlener en de budgethouder werden dus geacht om over de besteding van het toegekende PGB-AWBZ verantwoording af te leggen op basis van het aantal gewerkte uren of, bij dagbesteding, het aantal dagdelen of, bij tijdelijk verblijf, het aantal etmalen.

Het PGB-AWBZ heeft sinds 1 april 2003 in het bijzonder bijgedragen aan de financiering van zorg in geclusterde woonvormen, de zgn. pgb-wooninitiatieven.

Maar juist door deze clustering van budgethouders was het voor deze zorgaanbieders niet goed mogelijk om de verleende zorg toe te rekenen aan individuele bewoners. Daardoor is de uitvoeringspraktijk ontstaan dat zorgkantoren hebben geaccepteerd dat deze zorgaanbieders een vast maandbedrag bij deze budgethouders in rekening brachten.

(…)

Deze werkwijze blijkt nog wel het duidelijkst uit het verslag van de Werkgroep aanpak PGB-fraude van 20 mei 2014. Uit het verslag van deze werkgroep, waarin werd deelgenomen door vertegenwoordigers van de zorgkantoren, Zorgverzekeraars Nederland, het ministerie van VWS en het Zorginstituut:

Gedoogconstructie verantwoording wooninitiatieven: met de kanttekening dat PGB eigenlijk schuurt met het fenomeen wooninitiatief wordt de afspraak gemaakt dat alle concessiehouders de constructie van verantwoording o.b.v. gemiddeld aantal uren over de bewoners gedogen.

Met deze afspraak is de altijd al bestaande uitvoeringspraktijk nogmaals bevestigd.

(…)”.

3. Het geschil

3.1.

VGZ vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betalende de anderen gekweten zullen zijn, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan VGZ te voldoen, de somma van € 272.631,28, subsidiair € 148.042,39, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betaaldata van de PGB gelden, subsidiair vanaf 8 november 2019, meer subsidiair vanaf de dag der dagvaarding telkens tot die der algehele voldoening;

2) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betalende de anderen gekweten zullen zijn, om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan VGZ te voldoen de somma van € 3.138,16 inclusief BTW, althans een door de rechtbank in goede justitie naar redelijkheid en billijkheid te bepalen bedrag, ter zake buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, althans vanaf de dag van het vonnis, telkens tot die der algehele voldoening;

3) [gedaagden] hoofdelijk te veroordelen, des dat de één betalende de anderen gekweten zullen zijn, tot vergoeding van de proceskosten, alsmede het nasalaris, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na het vonnis tot die der algehele voldoening.

3.2.

[gedaagden] voeren gemotiveerd verweer en concluderen – kort gezegd – tot afwijzing van het gevorderde, met voordeling van VGZ, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

VGZ vordert terugbetaling van de pgb-gelden die de budgethouders in de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014 hebben besteed bij [naam gedaagde 1] . VGZ legt hieraan primair ten grondslag dat [naam gedaagde 1] toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van haar uit de zorgovereenkomsten voortvloeiende verbintenissen jegens de budgethouders, dan wel dat [naam gedaagde 1] onrechtmatig jegens de budgethouders heeft gehandeld. De hieruit voortvloeiende vorderingen van de budgethouders op [naam gedaagde 1] hebben de budgethouders aan VGZ gecedeerd, aldus VGZ.

Cessie

4.2.

[gedaagden] voeren aan dat de vermeende vorderingen van [naam 3] , [naam 7] en [naam 5] niet rechtsgeldig zijn gecedeerd aan VGZ.

[naam 3]

4.3.

Ten aanzien van [naam 3] stellen [gedaagden] dat de akte van cessie niet door [naam 3] zelf is ondertekend, maar door [naam 11] . Niet is gebleken dat deze persoon (tijdig en rechtsgeldig) door [naam 3] daarvoor is gemachtigd.

4.4.

Het beroep op de onbevoegdheid van [naam 11] om de akte van cessie te ondertekenen en daarmee op ongeldigheid van de cessie faalt. Uit de door VGZ als productie 44 overgelegde akte van cessie betreffende [naam 3] kan worden afgeleid dat deze akte op 17 augustus 2017 door [naam 11] is ondertekend. Bij conclusie van repliek heeft VGZ verwezen naar de door haar bij dagvaarding overgelegde beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 14 augustus 2017 waarbij [naam 11] als bewindvoerder is gemachtigd om de akte van cessie te ondertekenen. Gelet hierop en nu [gedaagden] bij conclusie van dupliek hebben aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank, gaat de rechtbank ervan uit dat de vordering van [naam 3] op [gedaagden] rechtsgeldig aan VGZ is gecedeerd.

[naam 7]

4.5.

Ten aanzien van [naam 7] voeren [gedaagden] aan dat in de akte van cessie is opgenomen ‘voor gezien getekend’ met een handtekening van Bewindvoerderskantoor Hamming te Amersfoort. ‘Getekend voor gezien’ houdt geen wilsverklaring in om de cessie te aanvaarden, aldus [gedaagden]

4.6.

VGZ hebben bij conclusie van repliek als productie 143 een e-mail van [naam 12] van Bewindvoeringskantoor Hamming overgelegd waarin hij schrijft: “(…) In mei 2017 zijn wij aangesteld als bewindvoerder van [naam 7] . In oktober werden wij benaderd over de zaak rondom Stichting [naam gedaagde 1] . Omdat dit speelde voor onze tijd als bewindvoerder en wij inhoudelijk niet precies weten wat er speelt/speelde is destijds de cessie akte ‘voor gezien getekend’. Dit met enige voorzichtigheid omdat wij de zaak niet kennen.

Met de ondertekening dragen wij namens [naam 7] de vorderingen over aan VGZ (…)”. Gelet op deze uitdrukkelijke bekrachtiging door de bewindvoerder van [naam 7] en nu [gedaagden] bij conclusie van dupliek hebben aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank, gaat de rechtbank ervan uit dat ook de vordering van [naam 7] op [gedaagden] (alsnog) rechtsgeldig aan VGZ is overgedragen.

[naam 5]

4.7.

[gedaagden] voeren tot slot aan dat de door [naam 5] ondertekende akte van cessie vernietigbaar is wegens dwaling, dan wel misbruik van omstandigheden. [naam 5] heeft tegenover [gedaagden] verklaard dat zij geen vordering op [gedaagden] heeft en dat het de bedoeling was dat zij op het formulier van VGZ had aangekruist ‘nee, ik onderteken de akte van cessie niet’.

4.8.

Uit de door VGZ als productie 77 overgelegde stukken kan worden afgeleid dat [naam 5] niet alleen in de ‘verklaring budgethouder’ heeft aangekruist dat zij de akte van cessie zal ondertekenen, maar ook dat zij de akte van cessie zelf heeft ondertekend. [gedaagden] hebben niet betwist dat [naam 5] op dat moment werd bijgestaan door een advocaat.

De stelling van [gedaagden] dat deze cessie vernietigbaar is wegens wilsgebreken, treft geen doel. [gedaagden] zijn immers niet als partij betrokken bij die cessie-overeenkomst en [naam 5] zelf is geen partij in deze procedure. [gedaagden] kunnen zich niet op eventuele wilsgebreken aan de zijde van [naam 5] in haar relatie tot VGZ beroepen.

Op grond van het voorgaande moet er van uit worden gegaan dat de vordering van [naam 5] op [gedaagden] rechtsgeldig is overgedragen aan VGZ.

4.9.

Tussen partijen is ten aanzien van de overige budgethouders niet in geschil dat hun vorderingen rechtsgeldig aan VGZ zijn gecedeerd.

Verjaring

4.10.

[gedaagden] beroepen zich voorts op verjaring.

4.11.

Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot schadevergoeding door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgend op die waarop de benadeelde zowel met de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet de eis dat de benadeelde bekend is geworden met zowel de schade als de daarvoor aansprakelijke persoon aldus worden opgevat dat het hier gaat om een daadwerkelijke bekendheid, zodat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen.

4.12.

De vraag is dus wanneer de budgethouders bekend zijn geworden met de gestelde tekortkoming dan wel het onrechtmatig handelen van [gedaagden] en de daaruit voortvloeiende schade. Bij beoordeling van dit verjaringsverweer moet voorshands uitgegaan worden van de juistheid van de stellingen aangaande de tekortkoming/het onrechtmatig handelen; anders is er immers ook geen vordering die verjaard kan zijn.

4.13.

[gedaagden] stellen dat de budgethouders na het leveren van de prestatie bekend waren met het handelen van [gedaagden] en vanaf het moment van ontvangst van de facturen bekend waren met het bedrag dat door [naam gedaagde 1] in rekening werd gebracht voor de aan hen geleverde zorg. Indien de budgethouders van mening zijn dat de zorg niet (in zijn geheel) is geleverd, waren zij vanaf dat moment bekend met de (mogelijke) schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De budgethouders hebben de verjaring niet tijdig gestuit.

4.14.

De rechtbank deelt dat standpunt niet. Bekendheid met het handelen van [naam gedaagde 1] of zelfs met het rechtmatigheidsonderzoek betekent niet zonder meer dat de verjaringstermijn een aanvang neemt. Op dat moment was immers (nog) niet duidelijk dat de budgethouders hun pgb-gelden zouden moeten terug betalen. Naar het oordeel van de rechtbank waren de budgethouders eerst in december 2016 ( [naam 1] , [naam 2] , en [naam 6] ) respectievelijk juni 2017 ( [naam 3] , [naam 5] , en [naam 7] ) en juli 2017 ( [naam 4] en [naam 8] ), toen VGZ bij brief de bevindingen uit het rechtmatigheidsonderzoek aan hen kenbaar maakte, bekend met de (omvang van de) schade en de identiteit van de aansprakelijke persoon ( [naam gedaagde 1] ). Op dat moment hadden de budgethouders voldoende zekerheid dat de gestelde schade door [naam gedaagde 1] was veroorzaakt. Zij waren niet eerder daadwerkelijk in staat een rechtsvordering tot vergoeding van die schade in te stellen (vgl. HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8186). Omdat de dagvaarding in deze zaak binnen vijf jaar na de hiervoor bedoelde brieven is uitgebracht, zijn de aan VGZ gecedeerde vorderingen niet verjaard.

4.15.

Op grond van het voorgaande wordt het beroep op verjaring verworpen.

Handelen [naam gedaagde 1]

4.16.

Vast staat dat de budgethouders in de periode 1 januari 2013 – 31 december 2014 pgb-gelden hebben ontvangen, die zij (onder meer) hebben besteed bij [naam gedaagde 1] . Vast staat voorts dat VGZ de verantwoording van de besteding van de pgb’s van de budgethouders bij [naam gedaagde 1] heeft afgekeurd en dat de betreffende besluiten inmiddels onherroepelijk zijn. Daarmee staat vast dat VGZ vorderingen op de budgethouders heeft wegens ten onrechte ontvangen pgb-gelden. De vraag is of [naam gedaagde 1] – zoals VGZ stelt – daarvoor aansprakelijk is wegens toerekenbaar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen van [naam gedaagde 1] uit de met de budgethouders gesloten zorgovereenkomsten, dan wel wegens onrechtmatig handelen jegens de budgethouders.

4.17.

Het gaat in deze zaak om pgb’s die zijn toegekend op basis van de tot 1 januari 2015 geldende Regeling Subsidies AWBZ. Op grond van deze regeling waren de budgethouders verplicht om het pgb alleen te besteden voor de inkoop van kwalitatief verantwoorde zorg voor de geïndiceerde zorgfuncties. Verder was het verplicht om een schriftelijke zorgovereenkomst te sluiten waarin onder meer werd geregeld dat de declaraties van de zorgverlener of zorgverlenende instantie een overzicht bevatten van de dagen waarop is gewerkt, het (uur) tarief, het aantal te betalen uren (of dagdelen of etmalen) en de naam van de zorgverlener of zorgverlenende instantie (artikel 2.6.9 van de Regeling).

4.18.

Vast staat dat de rechtsverhouding tussen de budgethouders en [naam gedaagde 1] was geregeld in de onder 2.2 vermelde zorgovereenkomsten. Tussen partijen is niet in geschil dat deze zorgovereenkomsten tot doel hadden dat [naam gedaagde 1] aan de budgethouders verantwoordbare zorg in de zin van de AWBZ zou leveren, zodat de zorg kon worden vergoed uit het door de budgethouders ontvangen pgb. Naar VGZ terecht stelt, mocht in dat kader van [naam gedaagde 1] als professioneel zorgverlener worden verwacht dat zij op de hoogte was van de geldende regels met betrekking tot de besteding van het pgb en dat zij alle redelijke inspanningen zou leveren om ervoor te zorgen dat de budgethouders die zorg bij haar inkochten de besteding van hun pgb richting het zorgkantoor konden verantwoorden. Dat geldt temeer, nu als onvoldoende gemotiveerd weersproken kan worden vastgesteld dat [naam gedaagde 1] alle administratieve handelingen met betrekking tot de pgb’s voor de budgethouders voor haar rekening nam. [naam gedaagde 1] heeft immers niet betwist dat de correspondentie over de pgb’s van de budgethouders met VGZ (althans haar rechtsvoorganger) plaatsvond via haar, dat zij de verantwoordingsformulieren invulde en indiende bij VGZ en dat zij met VGZ correspondeerde in het kader van controles naar aanleiding van die verantwoordingen, en dat zij de gevraagde documentatie aan VGZ aanleverde. [naam gedaagde 1] heeft ook niet betwist dat zij de pgb-voorschotten van de budgethouders kort na ontvangst aan zichzelf liet overmaken en dat zij vervolgens de factuurbedragen aan het eind van de maand met die voorschotten verrekende, zodat [naam gedaagde 1] feitelijk het beheer over de pgb-gelden voerde.

[naam gedaagde 1] diende bij de uitvoering van haar werkzaamheden (in het bijzonder de wijze waarop zij de administratie voor de budgethouders voerde) rekening te houden met het grote belang dat de budgethouders er bij hadden om de besteding van hun pgb te kunnen verantwoorden; zij moest, voor zover mogelijk, de budgethouders ervoor behoeden dat zij hun budget besteedden op een wijze die niet aan het zorgkantoor kon worden verantwoord.

4.19.

VGZ heeft in het eindrapport met betrekking tot het in haar opdracht uitgevoerde rechtmatigheidsonderzoek (zie 2.4) – onder meer – het volgende bevonden:

  • -

    er werd niet conform de pgb-systematiek achteraf betaald voor de geleverde en gefactureerde zorg. [naam gedaagde 1] liet het door het zorgkantoor uitbetaalde voorschot, verminderd met het vrij besteedbare bedrag, binnen enkele dagen naar haar overmaken.

  • -

    het volledige voorschot dat de budgethouder ontving van het zorgkantoor (minus het vrij besteedbare bedrag) werd aan de budgethouder in rekening gebracht en niet het totaal aan zorg geleverde bedrag.

  • -

    de gefactureerde begeleiding groep bestond volgens de weekroosters (weekrooster 1.37) uit activiteiten die niet gekwalificeerd zijn als AWBZ-zorg, zoals zegenen en bidden, Bijbelstudie, bezinning, dankbaarheidsbord, kerkdienst, zwemmen, groepsgesprekken en gezamenlijk eten. Begeleiding groep vond plaats op het thuisadres. Er is dan ook geen sprake geweest van vervoer.

  • -

    van de individuele begeleiding kan niet worden bepaald in welke mate deze geleverd zou zijn en of deze kan worden aangemerkt als AWBZ-zorg. Juiste urenspecificaties ontbreken om te bepalen in welke mate begeleiding individueel is geboden. De urenspecificaties zijn gemiddelde tijden en geven geen realistisch beeld van de geleverde zorg. Tevens staat niet vermeld op welke tijden de zorg geleverd is, het is hierdoor niet mogelijk om na te gaan of zorg tegelijkertijd is geleverd.

  • -

    er is geen sprake van een nacalculatie van de vooraf betaalde zorg. Ongeacht of er gebruik gemaakt is van de oproepdienst wordt het volledige bedrag voor begeleiding toezicht gefactureerd.

  • -

    naast de inzet van vaste begeleiders, werd de zorg gedeeltelijk geleverd door vrijwilligers. Zorg die door vrijwilligers wordt geboden mag niet ten laste komen van het pgb.

  • -

    er zijn geantedateerde zorgovereenkomsten en geantedateerde documenten met zorgafspraken aangeleverd.

4.20.

[naam gedaagde 1] heeft erkend dat zij met de budgethouders had afgesproken dat zij hun pgb’s, die bij voorschot werden betaald, na ontvangst aan [naam gedaagde 1] overmaakten en dat [naam gedaagde 1] aan het eind van de maand het factuurbedrag van iedere budgethouder verrekende met het pgb-voorschot dat ten behoeve van iedere budgethouder op de bankrekening van [naam gedaagde 1] was overgemaakt. [naam gedaagde 1] heeft ook erkend dat zij maandelijks de geïndiceerde zorg aan de budgethouders factureerde. Zij voert immers zelf aan dat de factuurbedragen tot stand kwamen door naar de toekenningsbeschikkingen van de budgethouders te kijken, waarin per maand de betalingen waren opgenomen. Van dit bedrag werd vervolgens naar rato het vrij besteedbaar bedrag afgetrokken. Het restantbedrag werd bij de budgethouders in rekening gebracht. Hiermee heeft [naam gedaagde 1] dus in feite erkend dat de in rekening gebrachte factuurbedragen geen enkel verband hield met de daadwerkelijk geleverde zorg.

4.21.

Het beroep van [gedaagden] op het gedoogbeleid treft geen doel. Uit de onder 2.7 brief kan worden afgeleid dat het gedoogbeleid inhield dat van zorgaanbieders van pgb-wooninitiatieven (zoals [naam gedaagde 1] ) werd geaccepteerd dat zij een vast maandbedrag bij de budgethouders in rekening brachten, in plaats van het aantal gewerkte uren per zorgfunctie. Naar VGZ terecht stelt, betekent dat echter niet dat [naam gedaagde 1] standaard maandelijks het volledige voorschot aan pgb-gelden van de budgethouders binnen het wooninitiatief mocht declareren. Uit de onder 2.7 vermelde brief blijkt dat het totaal aantal uren zorg dat binnen het wooninitiatief daadwerkelijk werd verleend, gedeeld diende te worden door het aantal budgethouders waaraan zorg was verleend, om zo tot een gemiddeld aantal uren zorg per budgethouder te komen dat aan het vaste maandbedrag ten grondslag diende te leggen. De totaal in rekening gebrachte bedragen dienden dus wel in relatie te staan tot de daadwerkelijk verleende zorg.

4.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [naam gedaagde 1] de besteding van de pgb-gelden voor de budgethouders ondeugdelijk heeft verantwoord en dat [naam gedaagde 1] hierdoor toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de voor haar uit de overeenkomst met de budgethouders voortvloeiende verbintenissen, zodat [naam gedaagde 1] de schade die de budgethouders hierdoor lijden moet vergoeden.

Schade

4.23.

VGZ stelt dat de schade € 272.631,28 bedraagt. Dat zijn de pgb-gelden die door de budgethouders aan [naam gedaagde 1] zijn uitbetaald in de periode 1 januari 2013 – 31 december 2014 en die door de budgethouders moeten worden terugbetaald.

4.24.

[gedaagden] betwisten de hoogte van het door VGZ gestelde bedrag. Zij voeren aan dat zij de volgende bedragen hebben ontvangen:

  • -

    [naam 1] : € 14.241,01

  • -

    [naam 2] € 39.341,17

  • -

    [naam 3] : € 26.166,83

  • -

    [naam 4] : € 10.652,50

  • -

    [naam 5] : € 44.451,15

  • -

    [naam 6] : € 49.305,70

  • -

    [naam 7] : € 29.931,06 en € 50.653,62

  • -

    [naam 8] : € 7.595,18.

VGZ heeft hierop haar stelling dat er totaal € 272.631,28 aan haar moet worden terugbetaald, niet nader onderbouwd en heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank zal daarom uitgaan van de door [gedaagden] gestelde bedragen, die optellen tot een totaal van € 272.302,22.

4.25.

Het verweer dat (een deel van) de gefactureerde zorg wel is geleverd en van het pgb-geld betaald mocht worden, treft geen doel. Door het handelen van [naam gedaagde 1] zouden de budgethouders immers nooit kunnen verantwoorden dat zorg was verleend die binnen de toepasselijke regelgeving viel en werd het mogelijk dat zij alle pgb-gelden over de betreffende periode moesten terugbetalen. Dat moet voor [naam gedaagde 1] voorzienbaar moet zijn geweest (zie 4.18).

4.26.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering voor wat betreft [naam gedaagde 1] wordt toegewezen tot een bedrag van € 272.302,22. De mede gevorderde wettelijke rente acht de rechtbank eveneens toewijsbaar, en wel – zoals VGZ stelt en [gedaagden] betwisten – vanaf de betaaldata van de pgb-gelden. Op grond van artikel 6:119 BW is de wettelijke rente immers verschuldigd vanaf het intreden van verzuim en in geval van een schadevergoedingsverbintenis op grond van wanprestatie treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in (art. 6:83 onderdeel b BW).

[naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3]

4.27.

Ten aanzien van [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] gaat het in deze zaak om de vraag of – zoals VGZ stelt – zij als bestuurder respectievelijk feitelijk leidinggevende van [naam gedaagde 1] aansprakelijk zijn voor de schade die de budgethouders lijden doordat zij hun pgb-gelden moeten terugbetalen aan VGZ.

4.28.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat, indien een rechtspersoon tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, uitgangspunt is dat alleen de rechtspersoon aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is echter, naast aansprakelijkheid van die rechtspersoon, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt als zojuist bedoeld kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

4.29.

Een vergelijkbare maatstaf geldt voor aansprakelijkheid van de feitelijke leidinggevende of vertegenwoordigende personen binnen een rechtspersoon die ernstig verwijtbaar hebben gehandeld of nagelaten, leidend tot wanprestatie van de rechtspersoon.

[naam gedaagde 2]

4.30.

VGZ stelt dat [naam gedaagde 2] als bestuurder van [naam gedaagde 1] een persoonlijk ernstig verwijt treft. Zij hield zich veel bezig met de administratie binnen [naam gedaagde 1] en ging namens [naam gedaagde 1] onder meer zorgovereenkomsten aan, terwijl zij wist dat [naam gedaagde 1] niet de daarin afgesproken zorg verleende/zou verlenen aan de budgethouders. [naam gedaagde 2] beheerde het pbg van de budgethouders en hield zich bezig met de facturatie.

4.31.

[naam gedaagde 2] betwist dat haar persoonlijk een ernstig verwijt valt te maken. Zij had geen bemoeienis met de pgb’s en zij wist ook niet dat [naam gedaagde 1] in strijd handelde met haar wettelijke en contractuele verplichtingen.

4.32.

Uit de onweersproken inhoud van de overgelegde stukken blijkt dat [naam gedaagde 2] onder meer zorgovereenkomsten met de budgethouders namens [naam gedaagde 1] ondertekende, facturen aan de budgethouders ondertekende en correspondentie voerde met het zorgkantoor over de pgb’s. Zoals hiervoor reeds is overwogen mocht van [naam gedaagde 1] , en dus van haar bestuurders, worden verwacht dat zij op de hoogte waren van de geldende regels met betrekking tot de besteding van het pgb en dat zij alle redelijke inspanningen zouden leveren om ervoor te zorgen dat de budgethouders die zorg inkochten bij [naam gedaagde 1] de besteding van hun pgb richting het zorgkantoor konden verantwoorden (zie 4.18). Tegen die achtergrond en nu de budgethouders kwetsbare personen waren, die in hoge mate van [gedaagden] afhankelijk waren, is het handelen van [naam gedaagde 2] ten opzichte van de budgethouders zodanig onzorgvuldig dat haar daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.33.

Het voorgaande brengt mee dat de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [naam gedaagde 2] tot betaling van de schade zal worden toegewezen.

[naam gedaagde 3]

4.34.

VGZ stelt dat [naam gedaagde 3] als feitelijk leidinggevende binnen [naam gedaagde 1] een persoonlijk ernstig verwijt treft. [naam gedaagde 3] hield zich veel met de administratie binnen [naam gedaagde 1] bezighield. Hij ging namens [naam gedaagde 1] onder meer zorgovereenkomsten aan wetende dat [naam gedaagde 1] niet de daarin afgesproken zorg verleende/zou verlenen aan de budgethouders. [naam gedaagde 3] beheerde het pgb van de budgethouders en hield zich bezig met de facturatie. In

de praktijk had [naam gedaagde 3] de leiding binnen [naam gedaagde 1] en bepaalde hij wat er gebeurde.

4.35.

[naam gedaagde 3] betwist dat hij formeel de leiding had. Hij bepaalde niet het beleid van [naam gedaagde 1] . Tot 1 januari 2014 verrichtte [naam gedaagde 3] als vrijwilliger administratief werk voor [naam gedaagde 1] . Daarna kwam hij in dienst van [naam gedaagde 1] en voerde hij de taken uit die hij door het bestuur kreeg opgelegd. Er was geen sprake van het intensief bezighouden met de bedrijfsvoering en het in belangrijke mate hebben van de zeggenschap. Ook trad [naam gedaagde 3] (naar buiten toe) niet op als ware hij bestuurder was en werd hij niet als zodanig gesalarieerd. [naam gedaagde 3] heeft een enkele keren aan de bestuurdersvergadering deelgenomen om een bepaalde zaak toe te lichten. Dit was dan op het verzoek van het bestuur.

[naam gedaagde 3] voert voorts aan dat hem geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Hij heeft niet bewerkstelligd of toegelaten dat [naam gedaagde 1] heeft gehandeld in strijd met haar wettelijke en contractuele verplichtingen.

4.36.

[naam gedaagde 3] heeft niet betwist dat hij de oprichter van [naam gedaagde 1] was, dat hij eindverantwoordelijk was voor de administratie en facturatie binnen [naam gedaagde 1] en dat hij bij die werkzaamheden werd ondersteund door twee cliënten, waaronder [naam 5] . [naam gedaagde 3] heeft voorts niet betwist dat hij in het kader van die werkzaamheden van alles regelde met de pgb’s, dat hij in dat verband als contactpersoon richting VGZ optrad en dat hij namens [naam gedaagde 1] zorgovereenkomsten aanging met budgethouders.

[naam gedaagde 3] heeft verder erkend dat hij de zorgplannen opstelde op basis van informatie die hij van de teamleden en de budgethouders ontving. Hij besprak de zorgplannen vervolgens met de budgethouders.

Daar komt bij dat [naam gedaagde 3] ter zitting uitgebreid heeft verklaard over de gang van zaken binnen [naam gedaagde 1] , wat onder bepaalde zorgfuncties moest worden verstaan, welke hoeveelheid zorg aan de budgethouders werd verleend en dat [naam gedaagde 1] zich – naar zijn idee – steeds aan de gestelde eisen heeft gehouden. Verder heeft [naam gedaagde 2] ter zitting verklaard dat de drie vrouwelijke bestuurders vooral op de werkvloer stonden en [naam gedaagde 3] het administratieve gedeelte bestierde.

Tegen die achtergrond en nu de advocaat van [gedaagden] zelf, in een e-mail van 20 januari 2017 aan Veiligheidszaken in het kader van onder 2.4 vermelde rechtmatigheidsonderzoek schrijft: “(…) [naam gedaagde 3] was verantwoordelijk voor de Organisatie van [naam gedaagde 1] (t.a.v. de Organisatie van zorg en de verantwoording daarvan alsmede voor het reilen en zeilen van de stichting). Uiteindelijk nam hij dan ook de verantwoordelijkheid voor de invulling van de functies van [naam gedaagde 2] en [naam 10] op zich (…)”, kan naar het oordeel van de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd weersproken worden vastgesteld dat [naam gedaagde 3] degene was die binnen [naam gedaagde 1] feitelijk de touwtjes in handen had, zodat hij als feitelijke leidinggevende binnen [naam gedaagde 1] kan worden aangemerkt.

4.37.

Naar het oordeel van het rechtbank geldt voor [naam gedaagde 3] hetzelfde als voor [naam gedaagde 2] . Van [naam gedaagde 1] , en dus van haar feitelijk leidinggevende(n), mocht verwacht worden dat zij op de hoogte waren van de geldende regels met betrekking tot de besteding van de pgb’s en dat zij alle redelijke inspanningen zouden leveren om ervoor te zorgen dat de budgethouders die zorg inkochten bij [naam gedaagde 1] de besteding van hun pgb richting het zorgkantoor konden verantwoorden. Nu de budgethouders kwetsbare personen waren, die in hoge mate van [gedaagden] afhankelijk waren, is het handelen van [naam gedaagde 3] zoals hiervoor omschreven zodanig onzorgvuldig dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.38.

Het voorgaande brengt mee dat ook de gevorderde hoofdelijke veroordeling van [naam gedaagde 3] tot betaling van de schade zal worden toegewezen.

Matiging

4.39.

Het beroep op matiging van [gedaagden] treft geen doel. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van aan [gedaagden] verweten handelingen, is er geen grond voor matiging.

Eigen schuld

4.40.

[gedaagden] beroepen zich verder op eigen schuld aan de zijde van de budgethouders en VGZ en dat de eventuele vergoedingsplicht met tenminste 50% dient te worden verminderd. De budgethouders hebben niet (tijdig) geklaagd, met als gevolg dat [gedaagden] zijn benadeeld, doordat zij niet eerder aanpassingen in de bedrijfsvoering hebben kunnen doen om de schade te beperken. Verder hebben de budgethouders geen bezwaar, dan wel beroep ingesteld. Ten aanzien van VGZ stellen [gedaagden] dat VGZ niet helder heeft gecommuniceerd over de regels en eisen die zij aan de zorgverlening en verantwoording stellen.

4.41.

Het beroep op eigen schuld van de budgethouders treft geen doel. Zoals hiervoor reeds is overwogen waren de budgethouders kwetsbare personen, die in hoge mate van [gedaagden] afhankelijk waren. Zoals eerder reeds is overwogen mocht bovendien van [gedaagden] als professioneel zorgverleners worden verwacht dat zij op de hoogte waren van de geldende regels met betrekking tot de besteding van het pgb.

Nu het hier gaat om incasso door VGZ van door de budgethouders aan VGZ gecedeerde vorderingen en dus niet om eigen vorderingen van VGZ, is reeds om die reden van eigen schuld in de relevante betekenis aan de zijde van VGZ ter zake van het ontstaan van betreffende schade evenmin sprake.

Buitengerechtelijke kosten

4.42.

VGZ maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 3.138,16 (inclusief btw) op grond van het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. De onderhavige vordering heeft echter geen betrekking op één van de situaties waarin genoemd besluit van toepassing is. De rechtbank zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de eisen voor dergelijke vorderingen zoals deze zijn geformuleerd in het Rapport BGK-integraal.

4.43.

Uit de door VGZ gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden blijkt niet dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan VGZ vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal worden afgewezen.

Proceskosten

4.44.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van VGZ worden begroot op:

- dagvaarding € 94,93

- griffierecht 4.131,00

- salaris advocaat 7.206,00 (3,0 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 11.431,93

4.45.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.46.

[gedaagden] verzetten zich tot slot tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. [naam gedaagde 1] is niet meer actief en bezit geen gelden. Ook [naam gedaagde 2] en [naam gedaagde 3] beschikken niet over de financiële middelen om aan het vonnis te voldoen. Indien [gedaagden] hoger beroep wensen in te stellen tegen dit vonnis, valt te verwachten dat zij door de tenuitvoerlegging van het vonnis alles zullen kwijtraken. Indien het gerechtshof vervolgens wel tot een afwijzing van de vorderingen zal komen, is deze schade onomkeerbaar.

4.47.

De omstandigheid dat executie van dit vonnis voor (met name) [naam gedaagde 3] en [naam gedaagde 2] zeer ingrijpende gevolgen kan hebben, is onvoldoende om de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad aan dit vonnis te onthouden. Tegenover het belang van [gedaagden] staat het belang van VGZ om voldoening van haar in deze instantie toegewezen vorderingen te verkrijgen. Dat [gedaagden] hoger beroep willen instellen tegen een voor hen nadelig vonnis, vormt geen reden om de gevraagde uitvoerbaarverklaring bij voorraad van dit vonnis te weigeren. De mogelijkheid van hoger beroep bestaat niet om louter uitstel van de tenuitvoerlegging van een vonnis te bewerkstelligen. [gedaagden] hebben geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die kunnen rechtvaardigen dat de tenuitvoerlegging van het vonnis gedurende het hoger beroep geschorst wordt. Met name is niet gesteld dat VGZ geen verhaal zou bieden voor de vorderingen van [gedaagden] indien zij in hoger beroep alsnog in het gelijk zouden worden gesteld.

4.48.

De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad wordt dus toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, om aan VGZ te betalen een bedrag van € 272.302,22, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW hierover telkens vanaf de betaaldata van de pgb-gelden tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van VGZ tot op heden begroot op € 11.431,93, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de anderen zullen zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.

[2083/1729]