Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5004

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
C/10/591006 / HA ZA 20-147
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Burenruzie op parkeerterrein. Buurman belandt op motorkap van wegrijdende auto. Aansprakelijkheid artikel 185 WVW en overmacht. 50%-regel niet van toepassing in verband met aan opzet grenzende roekeloosheid. Eigen schuld. Causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/591006 / HA ZA 20-147

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

[naam eiser] ,

wonende te [woonplaats eiser] ,

eiser,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap

NATIONALE-NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ

N.V.,

kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,

2. [naam gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde] ,

gedaagden,

advocaat mr. P. Bazzi te 's-Gravenhage.

Eiser zal hierna ‘ [naam eiser] ’ worden genoemd. Gedaagden zullen gezamenlijk (in mannelijk enkelvoud) ‘ [naam gedaagde] c.s.’ genoemd worden, en afzonderlijk Nationale-Nederlanden en [naam gedaagde] .

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de akte aan de zijde van [naam eiser] , met producties 1 tot en met 14,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 14,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek, met producties 15 tot en met 22,

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 7 december 2020 voor de mondelinge behandeling op 20 januari 2021,

  • -

    het proces-verbaal van de op 20 januari 2021 gehouden mondelinge behandeling,

  • -

    de brieven van 15 en 22 februari 2021 van mr. Verhoeven, met reacties op het proces-verbaal,

  • -

    de brief van 19 februari 2011 van mr. Bazzi, met een reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiser] bezit meerdere panden aan de [straatnaam] . Als zelfstandig ondernemer (werkzaam in de wervings- en selectiebranche) woont en werkt hij in het aan hem in eigendom toebehorende pand aan de [adres 1] . Het naastgelegen pand ( [adres 2] ) is eveneens eigendom van [naam eiser] en wordt door hem aan meerdere partijen verhuurd als kantoorruimte. In 2008 was een van de huurders van het pand een advocatenkantoor, alwaar [naam gedaagde] werkzaam was als advocaat.

2.2.

Aan de voorzijde van het pand [adres 2] is een terrein gelegen dat wordt gebruikt als parkeerplaats. Op deze parkeerplaats heeft op 7 augustus 2008 een incident tussen [naam eiser] en [naam gedaagde] plaatsgevonden. Tijdens een hevige woordenwisseling tussen hen waarbij de gemoederen hoog opliepen, is [naam gedaagde] in zijn auto gestapt en is [naam eiser] op de motorkap van de auto beland en ten val gekomen terwijl de auto in beweging kwam.

2.3.

Op de dag van het incident heeft [naam gedaagde] ten overstaan van de politie aangifte van bedreiging door [naam eiser] gedaan. Op 12 augustus 2008 heeft [naam eiser] op zijn beurt aangifte van zware mishandeling door [naam gedaagde] gedaan.

2.4.

Nadat [naam eiser] eerder bij brief van 8 augustus 2008 [naam gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld voor de schade die hij als gevolg van zijn val stelt te hebben geleden, heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [naam eiser] bij brief van 23 september 2008 [naam gedaagde] nogmaals aansprakelijk gesteld. [naam eiser] heeft zich daarbij onder meer op het standpunt gesteld dat hij als gevolg van zijn val op 7 augustus 2008 ernstig letsel aan zijn knie (een tibiaplateaufractuur) heeft opgelopen.

2.5.

Naar aanleiding van de door [naam eiser] gedane aangifte worden op 2 december 2008 [naam gedaagde] en [naam eiser] alsook een getuige door de politie gehoord. Vervolgens heeft het Openbaar Ministerie op 9 januari 2009 aan [naam gedaagde] schriftelijk meegedeeld dat zij geen strafvervolging jegens hem zal instellen.

2.6.

Bij brieven van 22 januari, 26 maart en 10 juni 2009 heeft de (toenmalige) aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam gedaagde] aansprakelijkheid afgewezen.

2.7.

In de jaren daarna is er tussen de belangenbehartiger van [naam eiser] en (de rechtsvoorganger van) Nationale-Nederlanden, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam gedaagde] , sporadisch en met tussenpozen van enkele jaren contact geweest over de afhandeling van de aansprakelijkstelling. Een en ander heeft niet tot een schikking geleid.

3. Het geschil

3.1.

[naam eiser] vordert dat bij vonnis:

I. voor recht wordt verklaard dat [naam gedaagde] een hem toerekenbare onrechtmatige daad jegens [naam eiser] heeft gepleegd en dat hij uit hoofde daarvan verplicht is tot vergoeding van de schade die [naam eiser] dientengevolge heeft geleden,

II. [naam gedaagde] en Nationale-Nederlanden, hoofdelijk en uitvoerbaar bij voorraad, worden veroordeeld tot betaling van:

­ € 25.000,- aan smartengeld, te vermeerderen met wettelijke rente,

­ € 9.992,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met wettelijke rente,

­ € 250.000,- aan schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen, te vermeerderen met wettelijke rente,

­ € 104.439,75 aan schadevergoeding wegens verlies van zelfwerkzaamheid, te vermeerderen met wettelijke rente,

­ een bedrag aan redelijke kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW,

­ de proceskosten (inclusief nakosten).

3.2.

[naam eiser] legt het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag. [naam gedaagde] is op 7 augustus 2008 tijdens een woordenwisseling in de auto gestapt en is stapvoets naar de uitgang van het parkeerterrein gereden terwijl [naam eiser] voor zijn auto stond. Omdat [naam eiser] niet op zij kon - of wilde - stappen, is [naam eiser] op de motorkap van de auto beland en daar vervolgens vanaf gevallen. [naam eiser] heeft daarbij ernstig letsel aan zijn knie (een tibiaplateaufractuur) opgelopen waarvoor hij een operatie aan zijn knie heeft moeten ondergaan en lang heeft moeten revalideren. Hij ondervindt nog steeds last van het letsel aan zijn knie. Bovendien heeft hij als gevolg van dit letsel zijn werk als headhunter niet meer als voorheen kunnen uitoefenen en was hij niet meer in staat om zelf onderhoudswerkzaamheden aan zijn panden uit te voeren. [naam gedaagde] is als eigenaar en bestuurder van de auto op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (hierna: WVW) aansprakelijk voor de schade die [naam eiser] als gevolg van de val heeft geleden. Nationale-Nederlanden dient als aansprakelijkheidsverzekeraar van [naam gedaagde] de schade te vergoeden.

3.3.

[naam gedaagde] c.s. concludeert tot afwijzing van de vorderingen en voert daartoe het volgende aan. [naam eiser] wilde [naam gedaagde] fysiek geweld aandoen. [naam gedaagde] is daarom, toen [naam eiser] op de motorkap van zijn auto klom, met zijn auto stapvoetsgewijs naar voren gereden om ervoor te zorgen dat [naam eiser] eigener beweging van de motorkap zou afstappen. [naam gedaagde] voelde zich dermate bedreigd door [naam eiser] dat de omstandigheid dat hij stapvoetsgewijs zijn auto in beweging bracht primair niet onrechtmatig is omdat sprake was van noodweer in de zin van art. 6:162 lid 2 BW dan wel overmacht in de zin van art. 185 WVW en subsidiair deze handeling niet aan hem kan worden toegerekend op grond van noodweerexces dan wel putatief noodweer.

Mocht aansprakelijkheid van [naam gedaagde] niettemin worden aangenomen, dan doet [naam gedaagde] c.s. een beroep op eigen schuld ex artikel 6:101 BW. Doordat [naam eiser] bewust op de motorkap van de auto is gaan zitten en zich ook met zijn benen heeft afgezet, is er sprake van opzet en/of daaraan grenzende roekeloosheid en is de ‘50%-regel’ niet van toepassing. Het voorval is voor 90% het gevolg van de gedragingen van [naam eiser] zelf en voor 10% van de gedragingen van [naam gedaagde] . Het aan [naam eiser] toe te rekenen gedrag is echter dermate verwijtbaar en heeft het gedrag van [naam gedaagde] zozeer uitgelokt dat de vergoedingsplicht van [naam gedaagde] c.s. op grond van de billijkheidscorrectie geheel moet komen te vervallen.

Verder betwist [naam gedaagde] c.s. het causaal verband tussen het ongeval en de gestelde klachten alsook het causaal verband tussen de gestelde klachten en de gestelde beperkingen. Tot slot betwist [naam gedaagde] c.s. eveneens (de omvang van) de door [naam eiser] gestelde schadeposten.

4. De beoordeling

Juridisch kader

4.1.

Indien een motorrijtuig waarmee op de weg wordt gereden, betrokken is bij een verkeersongeval waardoor schade wordt toegebracht aan (onder meer) niet door dat motorrijtuig vervoerde personen, is de eigenaar en/of houder van het motorrijtuig aansprakelijk voor die schade, tenzij aannemelijk is dat het ongeval is te wijten aan overmacht (artikel 185 Wegenverkeerswet).

4.2.

Overmacht in de zin van artikel 185 WVW wordt aangenomen indien aannemelijk is dat aan de bestuurder van het motorrijtuig van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, voor zover van belang voor de veroorzaking van het ongeval, rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Daarbij zijn eventuele fouten van andere weggebruikers - daaronder begrepen het slachtoffer zelf - alleen van belang, indien zij voor de bestuurder van het motorrijtuig zo onwaarschijnlijk waren, dat deze bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden (HR 22 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0616).

4.3.

Indien overmacht niet aannemelijk is, is de eigenaar van het motorrijtuig dus in beginsel krachtens artikel 185 WVW aansprakelijk. Als vast staat dat er wel een fout is gemaakt door de aangereden fietser of voetganger zonder dat daarbij sprake is van opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, eist de billijkheid bij de verdeling van de schade over betrokkenen dat tenminste 50% van de schade ten laste van de eigenaar van het motorrijtuig wordt gebracht wegens de verwezenlijking van het daaraan verbonden gevaar. Dit brengt mee dat deze eigenaar in ieder geval aansprakelijk is voor de helft van de schade van de fietser of voetganger (HR 28 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0526).

4.4.

Voor wat betreft het incident zoals dat op 7 augustus 2008 heeft plaatsgevonden, is tussen partijen niet in geschil dat [naam eiser] als een voetganger en [naam gedaagde] als een bestuurder van een motorrijtuig moet worden beschouwd. Daarnaast is ter zitting vastgesteld dat het parkeerterrein waarop het incident heeft plaatsgevonden openbaar toegankelijk is (het afsluitbare hek staat immers dag en nacht open en er staat geen bord ter aanduiding dat het een privé-terrein betreft dan wel dat het verboden is om daar te parkeren) en dus als een openbare weg moet worden beschouwd. Dit betekent dat deze zaak beoordeeld wordt aan de hand van het bepaalde in artikel 185 WVW.

Het incident op het parkeerterrein

4.5.

Met betrekking tot de gang van zaken rondom het incident op het parkeerterrein op 7 augustus 2008 wordt op basis van de processtukken en de behandeling ter zitting in ieder geval het volgende vastgesteld. Tijdens de woordenwisseling met [naam eiser] is [naam gedaagde] in zijn auto gestapt en is hij met zijn auto achterwaarts naar rechts gedraaid om daarna voorwaarts het parkeerterrein te kunnen verlaten. Tijdens en na deze beweging heeft [naam eiser] al schreeuwend en roepend op de auto gebonkt en getracht de portierdeur aan de bestuurderszijde van de auto te openen, waarna hij vóór de auto van [naam gedaagde] is gaan staan op het moment dat [naam gedaagde] met de auto van het parkeerterrein wilde wegrijden.

4.6.

Ná dit laatste moment lopen de visies van partijen uiteen. Volgens [naam eiser] is hij daarna op de motorkap van de auto beland doordat [naam gedaagde] in voorwaartse richting is gaan rijden, terwijl in de visie van [naam gedaagde] [naam eiser] bewust op de motorkap is gaan zitten en [naam gedaagde] daarom stapvoets naar voren is gereden om [naam eiser] ertoe te bewegen van de motorkap af te gaan. Vast staat in ieder geval wel dát [naam eiser] op de motorkap van de auto is beland, dat hij daar vervolgens vanaf is gevallen en dat [naam gedaagde] daarna is weggereden.

Overmacht

4.7.

Nu hiervoor is vastgesteld dat artikel 185 WVW toepasselijk is, moet het door [naam gedaagde] c.s. gedane beroep op noodweer beschouwd worden als een beroep op overmacht en het ((meer) subsidiaire) beroep op noodweerexces en putatief noodweer als een beroep op eigen schuld, zo heeft de advocaat van [naam gedaagde] c.s. ter zitting bevestigd.

4.8.

Het ligt op de weg van [naam gedaagde] c.s. om feiten en omstandigheden te stellen die aannemelijk maken dat er aan zijn zijde sprake is geweest van overmacht.

[naam gedaagde] stelt dat hij uit overmacht handelde door met zijn auto (stapvoets) weg te rijden van het parkeerterrein, om zichzelf zodoende te verdedigen tegen het bedreigende gedrag van [naam eiser] . De rechtbank overweegt ter zake als volgt. Indien [naam gedaagde] zich daadwerkelijk bedreigd heeft gevoeld, is het op zichzelf geen onbegrijpelijke reactie dat hij zich met spoed aan die bedreigende situatie heeft willen onttrekken en dat hij het parkeerterrein daartoe zo snel mogelijk heeft willen verlaten. Maar in een situatie waarin de gemoederen al hoog waren opgelopen en waarin [naam eiser] zich duidelijk in emotionele toestand óp of vóór de auto begaf, of zich in ieder geval bevond op een positie waardoor het wegrijden met de auto werd belemmerd, had [naam gedaagde] er ook voor kunnen kiezen om in zijn auto te blijven zitten, zijn ramen en deuren gesloten te houden en te wachten op hulp. In de auto zat [naam gedaagde] immers beschermd tegen eventueel dreigend fysiek geweld, zodat er voor zelfverdediging vanuit lijfsbehoud geen strikte noodzaak bestond om met zijn auto zo snel mogelijk weg te rijden. Ook indien er geen directe hulp (al dan niet van de politie) voorhanden was, had [naam gedaagde] in ieder geval in zijn (hem beschermende) auto kunnen wachten totdat de gemoederen waren bedaard om dan alsnog het parkeerterrein op een verkeersveilige wijze te verlaten. Dat heeft [naam gedaagde] echter niet gedaan en daardoor kan, gelet op hetgeen in 4.2. is overwogen, in de gegeven omstandigheden niet gezegd worden dat aannemelijk is gemaakt dat [naam gedaagde] ter zake geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

4.9.

Dit brengt mee dat [naam gedaagde] op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk is voor de schade die [naam eiser] als gevolg van het incident op het parkeerterrein heeft geleden en dat [naam gedaagde] c.s. ( [naam gedaagde] op grond van artikel 185 WVW en Nationale-Nederlanden op grond van artikel 7:954 BW) die schade, voor zover deze aan gedragingen van [naam gedaagde] kan worden toegerekend, dient te vergoeden.

Opzet en/of daaraan grenzende roekeloosheid en eigen schuld

4.10.

[naam gedaagde] c.s. stelt dat er aan de zijde van [naam eiser] sprake is geweest van opzet dan wel aan opzet grenzende roekeloosheid en dat daarom de ‘50%-regel’ niet van toepassing is. Met betrekking tot deze stelling zijn partijen het er niet over eens of [naam eiser] bewust op de motorkap van de auto is gaan zitten (visie [naam gedaagde] ) of dat [naam eiser] door [naam gedaagde] is aangereden en daardoor op de motorkap van de auto terecht is gekomen (visie [naam eiser] ). In dit verband is ter zitting de door [naam gedaagde] c.s. overgelegde getuigenverklaring van [naam getuige] aan de orde gekomen en hebben partijen gediscussieerd over de vraag of deze getuige al dan niet nader gehoord zou moeten worden. Welke van de twee visies het dichtste bij de waarheid ligt, doet echter niet ter zake. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.11.

Zoals eerder overwogen (zie 4.5.), staat vast dat [naam eiser] vóór de auto van [naam gedaagde] is gaan staan nadat deze met zijn auto achterwaarts naar rechts was gedraaid. Uit deze omstandigheid kan worden afgeleid dat [naam eiser] bewust heeft proberen te verhinderen dat [naam gedaagde] van het parkeerterrein af zou rijden. Dit kan ook worden afgeleid uit [naam eiser] eigen stelling dat hij ‘niet opzij kon - of wilde - stappen’ (punt 2.6 conclusie van repliek). Door vóór een auto te gaan staan waarvan evident duidelijk is dat deze weg wil rijden en waarvan dus te verwachten valt dat deze op elk moment (in voorwaartse richting) in beweging kan gaan komen, in een situatie waarin de gemoederen al zeer hoog waren opgelopen, heeft [naam eiser] zich bewust aan het gevaar blootgesteld dat de auto tegen hem aan zou rijden. Onder deze omstandigheden kan in het midden blijven of [naam eiser] vervolgens als gevolg van een aanrijding op de motorkap terecht is gekomen (visie [naam eiser] ) of dat [naam eiser] bewust op de motorkap van de auto is gaan zitten (visie [naam gedaagde] ). Naar het oordeel van de rechtbank is in beide situaties aan de zijde van [naam eiser] sprake van een aan opzet grenzende roekeloosheid.

4.12.

Dit betekent dat de in 4.3. omschreven ‘50%-regel’ in deze zaak niet van toepassing is en dat het door [naam gedaagde] c.s. gedane beroep op eigen schuld moet worden beoordeeld op basis van de algemene regels van artikel 6:101 BW.

4.13.

In artikel 6:101 BW lid 1 BW is bepaald dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht in beginsel wordt verminderd door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Er kan echter een andere verdeling plaatsvinden of de vergoedingsplicht kan geheel komen te vervallen of in stand blijven, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (de ‘billijkheidscorrectie’).

4.14.

Gelet op hetgeen in 4.11. is overwogen, heeft het eigen gedrag van [naam eiser] in grote mate bijgedragen aan zijn val van de auto. Anderzijds had [naam gedaagde] er verstandiger aan gedaan om, zoals reeds overwogen in 4.8., in de auto te blijven zitten en niet weg te rijden. Gezien alle omstandigheden van het geval, oordeelt de rechtbank dat de oorzaak van de val van [naam eiser] voor 75% aan gedragingen van [naam eiser] zelf en voor 25% aan gedragingen van [naam gedaagde] kan worden toegerekend.

4.15.

Zowel [naam eiser] als [naam gedaagde] c.s. hebben een beroep gedaan op de ‘billijkheidscorrectie’ van artikel 6:101 lid 1 BW, maar de rechtbank ziet gezien alle omstandigheden van het geval, geen aanleiding om op grond van de billijkheid tot een andere verdeling van de vergoedingsplicht te komen.

Verklaring voor recht

4.16.

Gelet op het voorgaande, en in aanmerking nemende dat [naam eiser] zijn vordering ten aanzien van de verklaring voor recht heeft beperkt tot [naam gedaagde] , zal de gevorderde verklaring voor recht als volgt worden toegewezen. Er zal voor recht worden verklaard dat [naam gedaagde] verplicht is tot vergoeding van 25% van de door [naam eiser] als gevolg van het incident op 7 augustus 2008 geleden schade.

4.17.

[naam gedaagde] . c.s. heeft nog bepleit dat [naam eiser] onvoldoende belang heeft bij een verklaring voor recht omdat er door [naam eiser] ook een hoofdelijke veroordeling tot vergoeding van de gestelde schade wordt gevorderd. In deze zaak ziet de verklaring voor recht op aansprakelijkheid voor schade en is de mogelijkheid van schade aannemelijk. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat [naam eiser] ter zake een voldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW (HR 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:760).

Schade

4.18.

Nu [naam gedaagde] c.s. 25% van de door [naam eiser] als gevolg van het incident geleden schade dient te vergoeden, zal thans beoordeeld moeten worden of, zoals [naam eiser] stelt en [naam gedaagde] c.s. betwist, het gestelde knieletsel van [naam eiser] het gevolg is van het incident op 7 augustus 2008 en zo ja, wat de daaruit voortvloeiende schade voor [naam eiser] is. De stelplicht ter zake rust op [naam eiser] .

4.19.

[naam gedaagde] c.s. heeft ter zitting verklaard dat het knieletsel van [naam eiser] niet wordt betwist, zodat dit letsel op zichzelf vaststaat. Bij gebrek aan een medische onderbouwing betwist [naam gedaagde] c.s. echter wel het causaal verband tussen het incident op 7 augustus 2008 en het knieletsel, te meer nu uit een verslag van een bespreking die tussen verzekeraars van [naam eiser] en [naam gedaagde] heeft plaatsgevonden op 27 juli 2010, gesproken wordt over een mogelijk gemaakte medische fout en [naam eiser] daar desgevraagd geen opheldering over heeft verschaft.

4.20.

De rechtbank overweegt als volgt. In het kader van de op hem rustende stelplicht lag het op de weg van [naam eiser] om zijn stellingen met betrekking tot zijn schade van een medische onderbouwing te voorzien, te meer nu [naam gedaagde] c.s. het gestelde causale verband gemotiveerd heeft betwist. [naam eiser] heeft echter in het geheel géén medische documentatie overgelegd die zijn stellingen ten aanzien van het causaal verband tussen het incident op het parkeerterrein en het knieletsel ondersteunen.

4.21.

Het enige stuk dat voorhanden lijkt te zijn, betreft een intern bezoekrapport van de rechtsbijstandsverzekeraar van [naam eiser] waar in punt 5.6 van de dagvaarding uit wordt geciteerd. De rechtbank begrijpt dat dit een intern gespreksverslag betreft van een bespreking die op 27 juli 2010 tussen [naam eiser] , zijn rechtsbijstandsverzekeraar en (de rechtsvoorganger van) Nationale-Nederlanden heeft plaatsgevonden. Maar uitgerekend het in de dagvaarding vermelde citaat uit dit bezoekrapport, welk bezoekrapport door [naam eiser] niet in het geding is gebracht omdat het een aantal cliëntvertrouwelijke passages zou bevatten, roept de vraag op of de tibiaplateaufractuur wel aan het incident op het parkeerterrein kan worden gerelateerd. Het citaat vermeldt namelijk onder meer:

‘(…) Op 15-08-2008 controle, toen bleek verdenking tibiapl fractuur na beoordeling van x-foto’s. Opnieuw x-foto’s toen tibiapl fractuur met inzakking. Daarna CT-scan. Op 20-08-2008 plaatsing OS. MEDISCHE KUNSTFOUT? (…)’.

Desgevraagd is namens [naam eiser] ter zitting verklaard dat er geen sprake is geweest van een medische fout. Echter, in het licht van voormeld citaat kan bij gebrek aan enige andere medische documentatie waaruit het causaal verband tussen het incident en het knieletsel volgt, aan die enkele stelling geen waarde worden toegekend.

4.22.

De advocaat van [naam eiser] heeft aangeboden om alle medische stukken alsnog in het geding te brengen. Dit aanbod wordt gepasseerd. [naam eiser] heeft ruimschoots de gelegenheid gehad om medische stukken te overleggen, nu hij dit ofwel bij dagvaarding, ofwel bij conclusie van repliek ofwel uiterlijk ten behoeve van de zitting had kunnen doen.

4.23.

Het voorgaande brengt mee dat [naam eiser] zijn stellingen ten aanzien van het causaal verband tussen het incident op het parkeerterrein en het knieletsel niet heeft onderbouwd. De door [naam eiser] gevorderde schade ten aanzien van verlies van arbeidsvermogen, verlies van zelfwerkzaamheid en smartengeld vloeit, blijkens de stellingen van [naam eiser] , enkel voort uit het door hem gestelde knieletsel als gevolg van het incident. Nu het causaal verband tussen het incident en het knieletsel niet is komen vast te staan, worden deze schadeposten reeds om die reden afgewezen. Ten aanzien van de gevorderde kosten zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b en c BW geldt dat [naam eiser] deze kosten, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [naam gedaagde] , onvoldoende heeft onderbouwd. Om die reden wordt de gevorderde vergoeding van deze kosten ook afgewezen.

4.24.

Gelet op het voorgaande, zal de door [naam eiser] gevorderde schadevergoeding als niet dan wel onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

Proceskosten

4.25.

De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten te compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [naam gedaagde] verplicht is tot vergoeding van 25% van de door [naam eiser] als gevolg van het incident op 7 augustus 2008 geleden schade,

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

5.3.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Koekebakker en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.

2438/1582