Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:5000

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
9048328 / VZ VERZ 21-2374
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ex 7:681 BW. Billijke vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 9048328 \ VZ VERZ 21-2374

uitspraak: 19 mei 2021

beschikking van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

[persoon A] , maat van de maatschap [maatschap A],

gevestigd te [vestigingsplaats A] , gemeente [gemeente A] ,

in haar hoedanigheid van beschermingsbewindvoerder ex artikel 1:431 BW van [persoon B], wonende te [woonplaats B] ,

verzoekster in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv,

verweerster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gemachtigde: mr. E.B. van den Ouden te Rotterdam,

tegen

[bedrijf C]

,

verweerster in de hoofdzaak en in het incident ex artikel 223 Rv,

verzoekster in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats C] , gemeente [gemeente C] ,

gemachtigde: mr. S.D. Kurz te Vleuten.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [persoon A] q.q.’ en ‘ [bedrijf C] ’, tenzij anders vermeld.

1. Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW, tevens houdende incidentele vordering ex artikel 223 Rv, met producties, ontvangen op 26 februari 2021;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor zover vereist ex artikel 7:671b BW, ontvangen op 16 april 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 april 2021. [persoon A] en [persoon B] , voornoemd, zijn in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde mr. Van den Ouden. Aan de zijde van [persoon B] is voorts verschenen mevrouw [persoon E] . Namens [bedrijf C] is verschenen mevrouw [persoon F] (hierna: [persoon F] ), bijgestaan door de gemachtigde mr. Kurz.

Zijdens [bedrijf C] zijn ter zitting (fragmenten van) twee geluidsopnames op een laptop afgespeeld. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen ter zitting is besproken.

1.3.

De kantonrechter heeft de uitspraak van deze beschikking bepaald op heden.

2. De vaststaande feiten

In deze procedure wordt van het volgende uitgegaan:

2.1.

[persoon B] is met ingang van 15 augustus 2020 bij [bedrijf C] in dienst getreden in de functie van “assistent begeleider”, op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tegen een loon van € 1.644,57 bruto per maand, exclusief 8% vakantietoeslag. Op de arbeidsovereenkomst is de cao VVT (verpleeg-, verzorgingshuizen, thuiszorg en jeugdgezondheidszorg) van toepassing.

2.2.

[bedrijf C] is een zorginstelling. [persoon F] is algemeen directeur van [bedrijf C] .

2.3.

Op 30 januari 2021, 20:05 uur, heeft [persoon B] het volgende WhatsAppbericht verstuurd aan [persoon F] :

“(…) Ik heb gezien dat ik een uitnodiging gesprek voor 4 februari hebt gekregen, die dag heb ik andere planning want is mij vrije dagen. Als het kan liefst maandag of dinsdag 10 uur.”

2.4.

Op 1 februari 2021 om 15:41 uur heeft [persoon F] van mevrouw [persoon G] (hierna: [persoon G] ), de moeder van [persoon H] , een van de jongmeerderjarige cliënten, per e-mail een klacht ontvangen over [persoon B] . [persoon F] heeft diezelfde dag ook twee geluidsfragmenten ontvangen van [persoon G] .

2.5.

Bij e-mail van 2 februari 2021, 01:24 uur, heeft [persoon F] [persoon B] een uitnodiging gestuurd voor een gesprek op kantoor op 4 februari 2021 om 10:00 uur.

2.6.

[persoon F] en [persoon B] hebben op 2 februari 2021 de volgende WhatsAppberichten uitgewisseld:

[persoon F] om 11:46 uur: “Hallo [persoon B] , ik wil jou per direct spreken op kantoor . Indien je niet op kom dagen zal dit consequenties hebben jr heb de tijd tot 13 uur Gr [persoon F] ”

[persoon B] om 11:55 uur: “Goedemiddag [persoon F] ,

Ten eerste had ik voor vandaag gevraagd voor 10 uur en [persoon F] heeft niks meer gezegd en ik heb nu geen tijd want ik ben me kind aan het helpen met school dingen. Dus de afspraak was donderdag en heb me afspraak voor donderdag verzet in de middag”

2.7.

Bij e-mail van 2 februari 2021, 13:25 uur, heeft [persoon F] [persoon B] , voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“(…) U heeft geen gehoor gegeven aan mijn eerdere bevel om per direct op kantoor te verschijnen, ik heb u duidelijk erop gewezen dat dit arbeidsrechtelijke consequenties zou hebben wanneer u hier geen gehoor aan zou geven.

Ik heb u de tijd gegeven tot 13:00 uur. U gaf aan niet te komen i.v.m thuisscholing van uw kind, wederom heb ik u benadrukt wel te komen. U heeft hier opnieuw geen gehoor aan gegeven.

Ik heb u persoonlijk gebeld om 13:15 uur. Ik kreeg uw voicemail u belde mij zojuist om 13:16 uur terug. Ik heb u wederom gevraagd waarom u niet bent verschenen. U gaf aan dat u alleen met u kind bent en donderdag pas zal komen. Ik heb u toen benoemd dat de afspraak van donderdag stond, maar dat er meerdere klachten/feiten zijn bijgekomen. Ik heb u ontslag op staande voet persoonlijk aangezegd en via deze mail wederom aangezegd.

Bij deze geef ik aan dat u op staande voet bent ontslagen, en dat u een mail/brief van mijn advocaat zal ontvangen. (…)”

2.8.

De gemachtigde van [bedrijf C] heeft bij brief van 2 februari 2021 het ontslag op staande voet bevestigd. In die brief is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…) Gisteravond ontving cliënte opgenomen gesprekken tussen u en de aan uw zorg toevertrouwde jongvolwassenen met een beperking en psychische klachten, [persoon H] respectievelijk van uw gesprek met de moeder van [persoon H] alsmede een officiële klacht over u van de moeder van [persoon H] .

(…)

Kort en goed is cliënte van oordeel dat vast is komen te staan op basis van beide geluidsopnames dat u in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de arbeid waarvoor u zich heeft verbonden, hetgeen een dringende reden oplevert in de zin van artikel 7:678 tweede lid onder b Burgerlijk Wetboek.

Voorts is cliënte van oordeel dat uw schreeuwende uitlating richting [persoon H] “Ik ga je klappen” en “ik maak je dood” althans woorden van gelijke strekking kan worden gekwalificeerd als het misdrijf bedreiging dat strafbaar is gesteld in artikel 285 Wetboek van Strafrecht. Immers u dreigt [persoon H] met geweld althans met enig misdrijf tegen het leven gericht. De moeder van [persoon H] overweegt tegen u aangifte bij de politie van bedreiging van haar dochter te doen. Deze bedreiging levert een misdrijf op waardoor u het vertrouwen van cliënte onwaardig wordt, zijnde een dringende reden in de zin van artikel 678 tweede lid onder d Burgerlijk Wetboek.

Bovendien heeft u [persoon H] aangezet om van het balkon af te springen. Hierdoor stelt u opzettelijk de notabene aan uw zorg toevertrouwde beperkte [persoon H] aan ernstig levensgevaar bloot, hetgeen een dringende reden oplevert in de zin van artikel 7:678 tweede lid onder h Burgerlijk Wetboek. Van deze walgelijke aansporing is bewijs voorhanden.

De geluidsopname van het gesprek met de moeder van [persoon H] , [persoon G] , gaat kort samengevat over het feit dat zij niet wenst dat u haar dochter in een extramurale instelling opsluit omdat u boodschappen ging doen. Duidelijk is vast te stellen aan de hand van dit gesprek dat u zelf niet wenst in te zien dat de klacht van moeder van [persoon H] volstrekt valide is en dat uw handelwijze laakbaar is. Niet alleen vindt cliënte uw gedrag als professional onaanvaardbaar docht het gebrek aan inzicht in uw eigen handelen en dat dit abject is, is voor cliënte onheilspellend.

U heeft het vertrouwen van cliënte in erg korte tijd in zeer ernstige mate weten te beschamen. In ieder geval zozeer dat cliënte niet wenst dat u nog langer haar organisatie vertegenwoordigt. De veiligheid van de toch al kwetsbare kinderen staat bij cliënte te allen tijde voorop. Deze veiligheid kan ze met uw aanwezigheid niet langer waarborgen zo is helaas gebleken.

Als klap op de vuurpijl heeft u vandaag opzettelijk geen gehoor gegeven aan een redelijk gegeven bevel van cliënte namelijk door niet te voldoen een haar dringend verzoek om op kantoor te verschijnen. U wist dat uw weigering naar kantoor niet voor u zonder gevolgen zou blijven en toch waagt u het er helaas op. Ook deze gedraging is een dringende reden als bedoeld in artikel 678 tweede lid onder j Burgerlijk Wetboek.

(…)

Zoals u hierboven hebt gelezen heeft u cliënte niet één dringende reden gegeven voor een ontslag op staande voet doch maar liefst een viertal dringende redenen, op zichzelf een zeldzaamheid. (…)”

3. Het geschil

in het verzoek ex artikel 223 Rv

3.1.

[persoon A] q.q. heeft verzocht, bij wijze van voorlopige voorziening voor de duur van het geding, [bedrijf C] te veroordelen tot doorbetaling van het verschuldigde loon ter hoogte van € 1.644,57 per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten vanaf 2 februari 2021 alsmede tot verstrekking van salarisspecificaties vanaf 2 februari 2021 op straffe van een dwangsom en tot betaling van wettelijke verhoging, buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente. Daarnaast dient [bedrijf C] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking.

3.2.

[bedrijf C] heeft verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van de verzochte voorziening en veroordeling van [persoon A] q.q. in de proceskosten.

in het verzoek ex artikel 7:681 BW

3.3.

[persoon A] q.q. heeft primair verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [bedrijf C] binnen twee dagen na deze beschikking te veroordelen tot:

  1. vernietiging van de opzegging c.q. het gegeven ontslag op staande voet;

  2. [persoon B] , indien weer arbeidsgeschikt, toe te laten tot de werkvloer om de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;

  3. doorbetaling van het loon ter hoogte van € 1.644,57 per maand, vermeerderd met 8% vakantietoeslag en overige emolumenten vanaf 2 februari 2021.

[persoon A] q.q. heeft subsidiair verzocht [bedrijf C] te veroordelen tot:

  1. betaling van een billijke vergoeding ter hoogte van € 11.544,88, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

  2. verstrekking van schriftelijke en deugdelijke bruto/netto-specificaties, waarin de bedragen en betalingen van sub a, b en c zijn verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag;

  3. betaling van buitengerechtelijke incassokosten;

  4. betaling van wettelijke rente over de hiervoor genoemde bedragen;

alsmede te besluiten tot:

verval van de werking van het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding, zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen.

[bedrijf C] dient, uitvoerbaar bij voorraad, te worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking.

3.4.

Ter onderbouwing van de verzoeken heeft [persoon A] q.q. - verkort weergegeven en voor zover hier van belang - het volgende naar voren gebracht.

3.4.1.

Het ontslag op staande voet is ten onrechte gegeven. Niet is voldaan aan de vereisten van onverwijldheid en evenmin was er een dringende reden voor het gegeven ontslag.

3.4.2.

[persoon B] is door [bedrijf C] in werksituaties gebracht, waartoe [persoon B] zich als “assistent begeleider” niet heeft verbonden en waarvoor zij ook niet over de geschikte ervaring en/of opleiding beschikt. [bedrijf C] was daarvan op de hoogte, toch was vaak sprake van een situatie waarin [persoon B] in vergelijking met haar collega’s de enige ervaren kracht was. Van een situatie als bedoeld in artikel 7:678 lid 2 aanhef en onder b BW is geen sprake.

[bedrijf C] heeft het ontslag op staande voet ook gebaseerd op de inhoud van twee geluidsopnamen, die zij heeft ontvangen van [persoon G] . De geluidsopname van een fragment van het gesprek tussen [persoon B] en [persoon H] is bij gebreke van de context waarbinnen de discussie heeft plaatsgevonden, niet representatief te noemen. Voorafgaand aan de discussie heeft [persoon H] zich, niet voor de eerste keer, (fysiek) bedreigend gedragen tegenover een collega van [persoon B] en [persoon B] zelf. [persoon B] was op dat moment de meest ervaren kracht die op verzoek van [persoon F] de ontstane crisissituatie moest oplossen en [persoon H] in toom moest houden. De tweede geluidsopname betreft het voorval waarbij [persoon B] de voordeur van het zorghuis heeft afgesloten, [persoon H] zonder begeleiding heeft achtergelaten en boodschappen is gaan doen. [persoon B] was op dat moment de enige begeleider op de woongroep en [persoon H] was een scene aan het maken over eten en andere boodschappen die niet meer aanwezig waren. [persoon B] heeft tevergeefs geprobeerd [persoon F] hierover telefonisch te bereiken. Toen [persoon H] niet mee wilde naar de winkels, heeft [persoon B] bij het weggaan de voordeur afgesloten in verband met bedreigingen die door derden aan het adres van [persoon H] zijn geuit. [persoon B] heeft [persoon H] verteld waar de reservesleutel ligt, zodat ze uit het huis kon gaan, indien dat nodig zou zijn. In de tweede geluidsopname komt ook een voorval op het balkon aan de orde. [persoon B] betwist dat zij de uitlatingen heeft gedaan, die [persoon G] in de klacht heeft vermeld en [persoon H] heeft aangezet tot springen van het balkon.

Het gegeven ontslag op staande voet is ook gebaseerd op een weigering om te voldoen aan een redelijke opdracht. [persoon B] betwist dat daarvan sprake is. Aanvankelijk was door [persoon F] een afspraak gemaakt voor een gesprek op kantoor op 4 februari 2021 om 10:00 uur. Op 2 februari 2021 kreeg [persoon B] ineens een WhatsAppbericht met het verzoek om direct, althans binnen 90 minuten, op kantoor te verschijnen. Dat is geen redelijke opdracht.

Aangezien in de ontslagbrief van 2 februari 2021 deze incidenten uit het verleden worden vermeld, zodat het gegeven ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven.

3.4.3.

Subsidiair verzoekt [persoon A] q.q. om toekenning van een billijke vergoeding ter hoogte van € 11.544,88. Voor de berekening van de hoogte van de billijke vergoeding wordt aansluiting gezocht bij de duur van de arbeidsovereenkomst, indien deze regelmatig zou zijn opgezegd.

3.5.

Het verweer van [bedrijf C] strekt tot afwijzing van de verzoeken, met veroordeling van [persoon A] q.q. in de proceskosten. [bedrijf C] heeft daartoe het volgende – verkort weergegeven en voor zover nu van belang – naar voren gebracht.

[bedrijf C] betwist dat sprake is van een discrepantie tussen de functieomschrijving van [persoon B] en haar feitelijke werkzaamheden en dat [persoon B] niet over de vereiste werkervaring en diploma’s zou beschikken, aangezien [persoon B] ervaring heeft met het dochtertje van [persoon F] , die ook problemen heeft.

Met name de geluidsopname van het gesprek tussen [persoon B] en [persoon H] heeft [bedrijf C] doen besluiten om [persoon B] op staande voet te ontslaan. Op de geluidsopname is te horen dat [persoon B] bedreigingen uit tegen [persoon H] . Een professional dient echter te alle tijde kalmte te bewaren en zich niet te verlagen tot het gebruik van onwelvoeglijk taalgebruik richting de cliënt. Het gedrag van [persoon B] is onaanvaardbaar en zelfs strafbaar. De tweede geluidsopname heeft betrekking op het voorval met het afsluiten van de voordeur en het zonder begeleiding achterlaten van [persoon H] , hetgeen een doodzonde is. De geluidsopnamen vormen bewijs dat [bedrijf C] meerdere redenen heeft om [persoon B] op staande voet te ontslaan, zoals vermeld in de ontslagbrief.

[persoon B] heeft geen gevolg gegeven aan een redelijk bevel van de werkgever door niet naar het gesprek te komen waarvoor zij was uitgenodigd.

in het (voorwaardelijk) tegenverzoek ex artikel 7:671b BW

3.6.

[bedrijf C] heeft verzocht, indien en voor zover de kantonrechter van oordeel is dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven vanwege het ontbreken van een dringende reden, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op zo kort mogelijke termijn zonder hierbij ten laste van [bedrijf C] een transitievergoeding dan wel billijke vergoeding toe te kennen, met veroordeling van [persoon A] q.q. in de proceskosten.

3.7.

[bedrijf C] heeft naast hetgeen zij tegen het verzoek van [persoon A] q.q. heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar ontbindingsverzoek - verkort weergegeven - het volgende naar voren gebracht.

De arbeidsovereenkomst dient primair wegens gewichtige redenen te worden ontbonden. [persoon B] mist in ernstige mate de bekwaamheid en geschiktheid voor de functie waarin zij is aangenomen door [bedrijf C] . Op de eerste geluidsopname is te horen dat [persoon B] zich schuldig heeft gemaakt aan grensoverschrijdend en zelfs strafbaar gedrag tegenover de jongmeerderjarige [persoon H] , één van de zorgcliënten. Daarnaast heeft zij [persoon H] aan ernstig levensgevaar blootgesteld door te dreigen haar van het balkon af te gooien. [persoon B] heeft voorts hardnekkig geweigerd gehoor te geven aan een redelijk bevel, te weten de oproep voor een gesprek op kantoor.

Subsidiair dient de arbeidsovereenkomst te worden ontbonden wegens een verstoorde arbeidsrelatie. De volgende incidenten hebben het vertrouwen van [bedrijf C] ernstig beschaamd en een ernstige verstoring in de arbeidsrelatie veroorzaakt:

  • -

    [persoon B] heeft haar zevenjarige dochter laten overnachten op de woongroep;

  • -

    [persoon B] heeft [persoon H] opgesloten in het zorghuis, door de voordeur op slot te doen, hetgeen een doodzonde is;

  • -

    de geluidsopnamen van de gesprekken tussen [persoon B] en (de moeder van) [persoon H] ;

  • -

    [persoon B] heeft een WhatsAppgroep gestart, waarin zij collega’s opstookt tegen [persoon F] ;

  • -

    kwaadspreken over [persoon F] tijdens en na afloop van het dienstverband;

  • -

    [persoon B] heeft haar neus gestoken in de privézaken van [persoon F] (ziekenhuisbezoeken etc.).

[persoon B] heeft [bedrijf C] reden gegeven om haar op staande voet te ontslaan, zodat haar een ernstig verwijt kan worden gemaakt. [persoon B] heeft dan ook geen aanspraak op een transitievergoeding. [bedrijf C] acht ook geen termen aanwezig om een billijke vergoeding toe te kennen.

3.8.

[persoon A] q.q. heeft verweer gevoerd dat strekt tot afwijzing van het (voorwaardelijk) tegenverzoek. Indien en voor zover relevant voor de beoordeling, wordt op het gevoerde verweer teruggekomen onder de beoordeling.

4. De beoordeling

in het verzoek ex artikel 223 Rv:

4.1.

Omdat bij deze beschikking direct een eindbeslissing wordt gegeven over de gedane verzoeken, is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening voor de duur van deze procedure. Het verzoek om een voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv wordt dan ook afgewezen.

4.2.

[persoon A] q.q. wordt in de proceskosten van het incident veroordeeld, aangezien zij in het ongelijk wordt gesteld. Die kosten worden aan de zijde van [bedrijf C] begroot op nihil, aangezien zij ten aanzien van het verzoek ex 223 Rv geen afzonderlijke proceshandelingen heeft verricht.

in de hoofdzaak:

4.3.

Aangezien zijdens [persoon A] q.q. ter zitting is aangegeven dat zij berust in het op 2 februari 2021 gegeven ontslag op staande is de arbeidsovereenkomst per 2 februari 2021 geëindigd. Hierna zal het subsidiaire verzoek tot toekenning van een billijke vergoeding en de daarmee samenhangende nevenverzoeken worden beoordeeld.

Ontslag op staande voet

4.4.

In geschil is of het op 2 februari 2021 door [bedrijf C] aan [persoon B] gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

In artikel 7:671 lid 1 sub c juncto artikel 7:677 lid 1 BW is bepaald dat ieder van de partijen de arbeidsovereenkomst onverwijld kan opzeggen vanwege een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Voor de werkgever worden als dringende redenen in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:678 lid 1 BW). Voor de beoordeling van de vraag of sprake is van een dringende reden die een beëindiging van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, dienen alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking te worden genomen. Daarbij behoren in de eerste plaats te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen de werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard en duur van de dienstbetrekking en de wijze waarop de werknemer deze heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben.

4.5.

Voor de beoordeling van de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven, zijn de aan [persoon B] opgegeven redenen zoals vermeld in de brief van 2 februari 2021 van de gemachtigde van [bedrijf C] maatgevend. Blijkens die brief heeft [bedrijf C] de volgende vier redenen aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd:

  1. [persoon B] heeft [persoon H] bedreigd door tegen haar te schreeuwen “ik ga je klappen” en “ik maak je dood”, althans woorden van gelijke strekking;

  2. [persoon B] heeft [persoon H] opgesloten in het zorghuis toen zij boodschappen ging doen;

  3. [persoon B] heeft [persoon H] aangezet om van het balkon af te springen;

  4. [persoon B] heeft hardnekkig geweigerd te voldoen aan het dringend verzoek om op kantoor te verschijnen voor een gesprek.

Ad a.

4.6.

[bedrijf C] heeft toegelicht dat de voornaamste reden voor het ontslag op staande voet is gelegen in de inhoud van de eerste geluidsopname. Dit betreft een opname gemaakt door [persoon H] van een gesprek tussen haar en [persoon B] in het zorghuis, dat in december 2020 heeft plaatsgevonden. Vaststaat dat [persoon F] met de inhoud van die geluidsopname op 1 februari 2021 bekend is geworden. Volgens [bedrijf C] is te horen dat [persoon B] tegen [persoon H] schreeuwt “ik klap je door de hele kamer heen”, “ik gooi je van het balkon af”, “ik maak je dood”, of woorden van gelijke strekking. Het betreft ernstige bedreigingen en onaanvaardbaar gedrag, aldus [bedrijf C] .

4.7.

De geluidsopname is ter zitting afgespeeld. Het betreft een fragment van een discussie tussen [persoon B] en [persoon H] , die hoorbaar al gaande is. Te horen is (kort gezegd) dat [persoon B] met stemverheffing en later op schreeuwende toon tegen [persoon H] zegt dat zij zich moet gaan gedragen en zichzelf moet gaan respecteren, omdat zij het anders moeilijk zal krijgen in het echte leven. Te horen is dat [persoon B] op een gegeven moment tegen [persoon H] , die ook met stemverheffing praat, zegt: “als je mijn dochter zou zijn, dan zou ik je alle hoeken van de kamer laten zien”. Op de geluidsopname zijn de door [bedrijf C] gestelde uitlatingen niet te horen.

4.8.

[persoon B] heeft toegelicht dat de geluidsopname midden in de discussie is gestart en daarom geen representatief beeld geeft van de hele discussie en niet laat horen hetgeen zich ervóór heeft afgespeeld. Volgens [persoon B] was het weekendverlof van [persoon H] ingetrokken wegens misdragingen en heeft de dienstdoende collega, [persoon I] , dit aan [persoon H] medegedeeld. [persoon H] was daar kwaad over geworden, heeft midden in de nacht de boel op stelten gezet door te schreeuwen en te schelden en heeft collega [persoon I] volledig de huid vol gescholden en gedreigd haar te slaan, aldus [persoon B] . Volgens [persoon B] is zij ‘s nachts opgebeld door [persoon F] met het verzoek om naar het zorghuis te gaan om [persoon H] in toom te houden. Volgens [persoon B] heeft [persoon H] toen ook haar uitgescholden en bedreigd en was het niet de eerste keer dat [persoon H] [persoon B] heeft bedreigd en fysiek heeft aangevallen. Het geluidsfragment betreft het hoogtepunt van de discussie, waar al het nodige aan vooraf was gegaan, aldus [persoon B] .

4.9.

Volgens [bedrijf C] heeft niet [persoon F] , maar collega [persoon I] [persoon B] gevraagd om te komen. Wat daar ook van zij, [bedrijf C] heeft de door [persoon B] geschetste context waarbinnen de discussie heeft plaatsgevonden verder niet betwist. Bij de beoordeling van het handelen van [persoon B] wordt dan ook uitgegaan van die context en worden alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen.

Meegewogen wordt dat vaststaat dat [persoon B] beperkte werkervaring heeft met jongmeerderjarigen met zware problemen en dat de op dat moment dienstdoende collega over nog minder ervaring beschikte. Op de geluidsopname is te horen dat [persoon B] , wellicht op haar eigen manier, een beroep doet op het fatsoen van [persoon H] en haar streng en op luide toon aanspreekt op haar gedrag. Van een daadwerkelijke bedreiging is, gelet op de woordkeuze van [persoon B] , geen sprake.

Het is bij gebreke van nadere informatie in de vorm van richtlijnen of een protocol onduidelijk of dit optreden van [persoon B] een aanpak is die als onjuist is, laat staan als ontoelaatbaar, moet worden aangemerkt, of dat dit optreden in vergelijkbare situaties een bestaande en aanvaardbare aanpak is om tegenwicht te bieden aan verbaal en fysiek agressieve probleemjongeren. Daarbij zij tevens in ogenschouw genomen de - bij [bedrijf C] - bekende relatieve onervarenheid van [persoon B] en haar aanwezige collega en de eerdere (fysieke) misdragingen van [persoon H] . Daarnaast betreft het een eerste incident voor [persoon B] . Ook de omstandigheid dat [persoon B] , nadat [persoon F] de door [persoon G] toegezonden geluidsopnames heeft gehoord, niet in de gelegenheid is gesteld om haar kant van het verhaal te vertellen en de context van de discussie uiteen te zetten, wordt meegewogen. Het laten plaatsvinden van hoor en wederhoor is weliswaar geen wettelijk vereiste voor een rechtsgeldig ontslag op staande voet, echter het niet bieden van die gelegenheid heeft wel tot gevolg dat (de ernst van het) verwijt dat aan [persoon B] wordt gemaakt, onvoldoende komt vast te staan. Dit alles afwegend vormt dit optreden van [persoon B] op zichzelf genomen onvoldoende grond voor het aannemen van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 lid 1 BW.

Ad b.

4.10.

[bedrijf C] heeft voorts als reden voor het ontslag op staande voet gegeven dat [persoon B] [persoon H] in het zorghuis heeft opgesloten, terwijl zij boodschappen ging doen. Met betrekking tot dat verwijt is ter zitting een tweede geluidsopname afgespeeld.

4.11.

De tweede geluidsopname betreft een opgenomen telefoongesprek tussen [persoon G] , de moeder van [persoon H] , en [persoon B] , waarin (kort gezegd) te horen is dat [persoon G] [persoon B] aanspreekt op het afsluiten van de voordeur van het zorghuis terwijl [persoon H] zonder begeleiding binnen was en [persoon B] de woongroep had verlaten om boodschappen te doen. Deze geluidsopname is niet meer dan een bevestiging van hetgeen medio januari 2021 is voorgevallen. [persoon B] heeft niet betwist dat zij destijds de voordeur van het zorghuis op slot heeft gedaan terwijl [persoon H] zonder begeleiding binnen was en zij boodschappen was gaan doen. Dat het voorval heeft plaatsgevonden staat dus vast.

4.12.

Voor de beoordeling van de vraag of het gegeven ontslag op staande voet rechtsgeldig is, is niet alleen van belang of sprake is van een geldige dringende reden, maar ook of aan de formele vereisten voor een ontslag op staande voet is voldaan, waaronder de voorwaarde van onverwijldheid. Als gesteld en niet weersproken staat vast dat het voorval met het afsluiten van de voordeur destijds is besproken tussen [persoon F] en [persoon B] en dat het toen niet tot enige arbeidsrechtelijke gevolgen heeft geleid, zoals het geven van een officiële waarschuwing. Nieuwe feiten of omstandigheden ten aanzien van dat voorval zijn door de overgelegde klacht van [persoon G] en de door haar verstrekte geluidsopname van haar telefoongesprek met [persoon B] , waarin het voorval wordt besproken, niet gebleken.

Niet valt in te zien waarom medio januari 2021 het bij [bedrijf C] bekende met haar werkneemster besproken voorval zonder enige arbeidsrechtelijke consequenties is gebleven en dit enkel weken later als dringende reden voor een ontslag op staande voet zou kunnen worden aangemerkt. In elk geval is hiermee niet voldaan aan het in artikel 7:677 lid 1 BW opgenomen vereiste dat het ontslag is geschiedt, zo spoedig mogelijk nadat de dringende reden zich heeft voorgedaan. Dat [persoon F] op 1 februari 2021 de klacht van [persoon G] en een geluidsopname van het telefoongesprek tussen [persoon G] en [persoon B] heeft ontvangen, maakt het voorgaande niet anders, nu hieruit geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken.

4.13.

Overigens is niet gebleken dat [persoon B] niet heeft mogen handelen zoals zij heeft gedaan en dat het verlaten van de woongroep en het afsluiten van de voordeur van het zorghuis een zogenaamde ‘doodzonde’ is, zoals [bedrijf C] dat aanduidt. Er zijn geen stukken overgelegd, zoals een protocol of voorschriften, waaruit kan worden afgeleid dat [persoon B] niet op deze wijze heeft mogen handelen, ook niet in de door haar geschetste context dat zij zich genoodzaakt zag voor eten te zorgen en in verband met bedreigingen aan het adres van [persoon H] uit veiligheidsoverwegingen de deur heeft afgesloten en [persoon H] heeft verteld waar de reservesleutel lag.

Ad c.

4.14.

[bedrijf C] heeft voorts aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd dat [persoon B] [persoon H] heeft aangezet tot springen van het balkon van het zorghuis, waarmee zij [persoon H] aan ernstig gevaar heeft blootgesteld, aldus [bedrijf C] . [persoon B] heeft uitdrukkelijk betwist dat zij uitlatingen heeft gedaan als “spring dan”, zoals [persoon G] in haar klacht van 1 februari 2021 heeft vermeld.

4.15.

Uit de processtukken en hetgeen ter zitting is besproken, volgt dat het bedoelde voorval in december 2020, vlak voor de kerst, heeft plaatsgevonden en dat [persoon F] na (zoals partijen het voorval benoemen) “de balkonscene” naar het zorghuis is gekomen om [persoon H] rustig te krijgen en het voorval te bespreken. Hoewel [bedrijf C] heeft gesteld dat de inhoud van de op 1 februari 2021 verstrekte geluidsopnamen voor haar redengevend waren voor het geven van ontslag op staande voet, is op die geluidsopnamen niets te horen van “de balkonscene”. In het opgenomen telefoongesprek tussen [persoon G] en [persoon B] wordt het voorval weliswaar kort aangehaald door [persoon G] , maar ook niet meer dan dat. [bedrijf C] heeft ter zitting medegedeeld dat de incidenten haar op zichzelf niet onbekend waren. Uit niets blijkt dat [bedrijf C] niet eerder dan 1 februari 2021 op de hoogte was van “de balkonscene”, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zij reeds in december 2020 op de hoogte was van het voorval.

4.16.

Nog daargelaten dat het gestelde voorval door [persoon A] q.q. wordt betwist is gelet op het tijdsverloop vanaf het voorval in december 2020 tot het ontslag op staande voet op 2 februari 2021, niet voldaan aan het vereiste van onverwijldheid.

Ad d.

4.17.

[bedrijf C] legt tot slot aan het gegeven ontslag op staande voet ten grondslag dat [persoon B] heeft geweigerd aan een redelijke opdracht te voldoen door te weigeren op kantoor te verschijnen voor een gesprek.

4.18.

Uit de processtukken en de toelichting van partijen ter zitting kan de volgende gang van zaken worden afgeleid.

[persoon B] heeft op 30 januari 2021 per WhatsAppbericht aan [persoon F] medegedeeld dat zij een uitnodiging voor een gesprek op 4 februari 2021 heeft gekregen, dat zij die dag een andere planning heeft omdat het haar vrije dag is en heeft [persoon F] verzocht om een andere datum te prikken, bij voorkeur op maandag of dinsdag 10:00 uur. Op dinsdag 2 februari 2021 om 11:46 uur heeft [persoon F] per WhatsAppbericht aan [persoon B] medegedeeld dat zij haar per direct wil spreken op kantoor, dat [persoon B] tot 13:00 uur de tijd heeft om te verschijnen en dat er consequenties zullen zijn als zij niet komt opdagen. [persoon B] heeft om 11:55 uur per WhatsAppbericht daarop gereageerd dat zij niets heeft gehoord op haar eerdere verzoek voor een andere datum, dat zij op dat moment geen tijd heeft, omdat zij haar kind aan het helpen is met schoolwerk, dat de afspraak dus op donderdag (4 februari 2021) staat en dat zij haar afspraak op donderdag in de middag daarvoor heeft verzet. Diezelfde middag heeft [persoon F] [persoon B] omstreeks 13:15 uur gebeld. [persoon B] nam niet op, maar heeft enkele minuten later teruggebeld. In het telefoongesprek heeft [persoon F] [persoon B] nogmaals gevraagd om naar kantoor te komen en heeft [persoon B] toegezegd dat zij donderdag zal komen. [persoon F] heeft haar vervolgens in dit telefoongesprek ontslag op staande voet aangezegd, dit schriftelijk per e-mail bevestigd en vervolgens haar gemachtigde een uitgebreide brief laten opstellen.

4.19.

Volgens [persoon F] was de aanleiding voor de uitnodiging voor een gesprek op 4 februari 2021 een WhatsAppgroep, die door [persoon B] was opgestart, van collega’s met als gesprekonderwerp het te laat uitbetalen van loon. [persoon B] was niet de enige werknemer die was uitgenodigd voor een gesprek hierover op 4 februari 2021. [persoon F] heeft - in tegenstelling tot hetgeen zij in haar verweerschrift heeft gesteld - ter zitting toegelicht dat zij de afspraak voor een gesprek heeft vervroegd naar 2 februari 2021, omdat haar gemachtigde dit aan haar heeft geadviseerd in verband met de klacht van de moeder van [persoon H] en de twee geluidsopnamen, die [persoon F] de dag ervoor, op 1 februari 2021, had ontvangen.

4.20.

Gesteld noch gebleken is dat de reden voor de uitnodiging voor een gesprek op 4 februari 2021 op enig moment is medegedeeld aan [persoon B] en evenmin dat eerder dan in het telefoongesprek op 2 februari 2021 omstreeks 13:15 uur - waarin aan [persoon B] ontslag op staande voet is aangezegd - is medegedeeld dat er meerdere klachten dan wel feiten zijn bijgekomen en dat dat de reden was voor [persoon F] om [persoon B] eerder dan donderdag 4 februari 2012 om 10:00 uur te spreken. Mede gelet op die omstandigheden, kwalificeert de opdracht van [persoon F] aan [persoon B] om op dinsdag 2 februari 2021 op haar vrije dag binnen het korte tijdsbestek van vijf kwartier op kantoor te verschijnen, terwijl al een afspraak stond gepland voor twee dagen later, niet als een redelijke opdracht, laat staan dat de weigering daarvan een gewichtige reden biedt voor een ontslag op staande voet. Dat [persoon F] aan [persoon B] zou hebben aangeboden dat zij haar dochter mee naar kantoor kon nemen, zodat een collega op haar dochter zou kunnen passen tijdens het gesprek en dat [persoon B] hier niet op is ingegaan, doet niet af aan de onredelijkheid van de gegeven opdracht.

4.21.

Er is aldus geen sprake van het weigeren van een redelijke opdracht en daarom geen sprake van een dringende reden voor ontslag.

Conclusie

4.22.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.

4.23.

Hetgeen partijen verder nog over en weer naar voren hebben gebracht, maakt het oordeel niet anders.

Billijke vergoeding

4.24.

Vooropgesteld wordt dat in artikel 7:681 lid 1 aanhef en onder a BW bepaald is dat de kantonrechter op verzoek van de werknemer aan hem ten laste van de werkgever een billijke vergoeding kan toekennen, indien de werkgever heeft opgezegd in strijd met artikel 7:671 BW. Gelet op de wetsgeschiedenis moet tot uitgangspunt worden genomen dat het opzeggen van een arbeidsovereenkomst in strijd met de daarvoor geldende regels de werkgever ernstig valt aan te rekenen. In dit geval heeft [bedrijf C] [persoon B] niet rechtsgeldig op staande voet ontslagen. Daarmee is gegeven dat [bedrijf C] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. [persoon B] heeft daarom in beginsel aanspraak op een billijke vergoeding.

4.25.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de jurisprudentie uitgangspunten geformuleerd. Alle omstandigheden van het geval dienen bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding in aanmerking te worden genomen, waaronder het loon dat de werknemer zou hebben ontvangen als de arbeidsovereenkomst niet onverwijld zou zijn opgezegd en de mate van het verwijt dat aan de werkgever van de grond voor de vernietigbaarheid van de opzegging valt te maken. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

4.26.

[persoon A] q.q. heeft gesteld dat de billijke vergoeding moet worden begroot op € 11.544,88 bruto. Zij heeft gesteld dat zij voor de hoogte van de vergoeding aansluiting heeft gezocht bij het einde van de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging. De billijke vergoeding dient volgens haar minimaal gelijk te zijn aan het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging had behoren te duren.

4.27.

De kantonrechter verstaat dat [persoon A] q.q. heeft bedoeld dat, als de arbeidsovereenkomst regelmatig zou zijn opgezegd, deze zou zijn geëindigd na het verstrijken van de bepaalde tijd waarvoor de arbeidsovereenkomst is aangegaan, oftewel op 15 augustus 2021. [persoon A] q.q. is kennelijk voor haar berekening van de billijke vergoeding uitgegaan van het loon ter hoogte van € 1.644,57 bruto per maand, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de arbeidsovereenkomst zonder de onverwijlde opzegging zou hebben voortgeduurd, vermeerderd met 8% vakantiegeld. [bedrijf C] heeft niets tegen de gestelde hoogte of de berekening van de billijke vergoeding aangevoerd. Daarop gelet en ook overigens, komt het de kantonrechter redelijk voor om als uitgangspunt te hanteren dat het inkomensverlies van [persoon B] € 11.544,88 bruto bedraagt in vergelijking met de situatie waarin [bedrijf C] haar niet op staande voet had ontslagen. Bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding wordt voorts meegewogen dat sprake is van een ernstige mate van verwijtbaarheid van [bedrijf C] , zodat er geen aanleiding is om de gestelde inkomensschade van [persoon B] te verlagen. Een bedrag ter hoogte van € 11.544,88 bruto aan billijke vergoeding wordt toegewezen.

Bruto/netto-specificatie

4.28.

Op [bedrijf C] rust de verplichting om met betrekking tot de toegewezen billijke vergoeding een deugdelijke bruto/netto-specificatie te verstrekken. Het verzoek daartoe wordt toegewezen, op de wijze als hieronder bepaald, evenals de verzochte dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag voor elke dag of gedeelte daarvan dat [bedrijf C] in gebreke blijft aan deze beschikking te voldoen, met dien verstande dat de dwangsom wordt gemaximeerd op € 5.000,00.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.29.

[persoon A] q.q. maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering zal als onweersproken worden toegewezen. Conform het toepasselijke tarief heeft [persoon A] q.q. aanspraak op een bedrag van € 890,45. Dit bedrag zal worden toegekend.

Wettelijke rente

4.30.

De gevorderde wettelijke rente over de billijke vergoeding is toewijsbaar en wordt dan ook toegewezen op de wijze zoals hierna onder de beslissing vermeld. Niet gebleken is dat de buitengerechtelijke kosten reeds zijn voldaan, zodat de wettelijke rente hierover zal worden afgewezen.

Concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding

4.31.

[persoon A] q.q. heeft verzocht om te bepalen dat de werking van het concurrentie-, relatie- en geheimhoudingsbeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst tussen partijen vervalt. Zijdens [persoon A] q.q. is ter zitting toegelicht dat de reden voor het verzoek is dat zij wil voorkomen dat na de onderhavige procedure nog procedures zullen worden gevoerd met betrekking tot boetes wegens vermeende overtredingen van het beding. [bedrijf C] heeft ter zitting verzocht de werking van het beding in stand te laten, omdat zij wil voorkomen dat [persoon B] kwaadspreekt over het bedrijf.

4.32.

Naar het oordeel van de kantonrechter betreft het bewuste beding in de arbeidsovereenkomst (artikel 13) slechts een geheimhoudingsbeding en omvat het beding niet ook een concurrentie- en/of relatiebeding. [persoon A] q.q. heeft geen enkele gegronde reden opgegeven, waarom [persoon B] zou moeten worden ontheven van het geheimhoudingsbeding, terwijl het belang van [bedrijf C] bij het in stand houden van het beding evident is. Het verzoek van [persoon A] q.q. wordt daarom als onvoldoende onderbouwd afgewezen.

Proceskosten

4.33.

[bedrijf C] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten, vastgesteld op € 85,00 aan griffierecht en € 747,00 aan gemachtigdensalaris. De wettelijke rente over die bedragen is toewijsbaar als verzocht en wordt toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.

in het voorwaardelijke tegenverzoek ex artikel 7:671b BW

4.34 .

Nu [persoon B] heeft berust in het gegeven ontslag op staande voet, komt de kantonrechter niet toe aan het voorwaardelijke ontbindingsverzoek.

5. De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek ex artikel 223 Rv

wijst het verzoek af;

veroordeelt [persoon A] q.q. in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [bedrijf C] vastgesteld op nihil;

in de hoofdzaak:

veroordeelt [bedrijf C] om aan [persoon A] q.q. een billijke vergoeding ter hoogte van € 11.544,88 bruto te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van dit bedrag tot aan de dag van volledige betaling;

veroordeelt [bedrijf C] om aan [persoon A] q.q. binnen twee weken na de datum van deze beschikking een deugdelijke bruto/netto-specificatie met betrekking tot de billijke vergoeding te verstrekken, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 100,00 per dag voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [bedrijf C] hiermee in gebreke blijft, met dien verstande dat de dwangsom wordt gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000,00;

veroordeelt [bedrijf C] om aan [persoon A] q.q. te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten begroot op € 890,45;

veroordeelt [bedrijf C] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [persoon A] q.q. vastgesteld op € 85,00 aan griffierecht en € 747,00 aan salaris voor de gemachtigde, genoemde bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de uitspraak van deze beschikking tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.I. Mentink en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

34286