Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4941

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
C/10/611153 / FA RK 21-150
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking betreffende de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage. De vrouw heeft duidelijk verklaard dat de kinderen graag naar hun vader willen, dat de vrouw dit ook van harte ondersteunt en dat de onveiligheid bij de man de enige reden is dat zij zich verzet tegen een uitgebreidere regeling dan de vrouw verzoekt. Gelet op de betwisting door de man, waarbij hij dus stelt dat zijn situatie nu anders is, rust op de vrouw de plicht te onderbouwen dat er redelijkerwijs van uit moet worden gegaan dat nu sprake is van voormelde onveiligheid. Zoals de vrouw lijkt te onderkennen tijdens de mondelinge behandeling zijn alleen stellingen daarvoor onvoldoende. De rechtbank zal daarom beslissen tot een uitbreiding van de huidige regeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team familie

zaaknummer / rekestnummer: C/10/611153 / FA RK 21-150

Beschikking van 2 juni 2021 betreffende de regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de onderhoudsbijdrage

in de zaak van:

[naam man] , de man,

wonende te [woonplaats man] ,

advocaat mr. J.F.M. van Weegberg te 's-Gravenhage,

t e g e n

[naam vrouw] , de vrouw,

wonende te [woonplaats vrouw] ,

advocaat mr. E.A. Kool te Rotterdam.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 7 januari 2021;

  • -

    het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek met ingekomen op 3 maart 2021;

  • -

    het aanvullende verzoek van de man met bijlagen, ingekomen op 7 mei 2021;

1.2.

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 18 mei 2021. Daarbij zijn verschenen:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat en namens zijn bewindvoering, [naam bewindvoerder] ;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [naam vertegenwoordiger] .

2. De vaststaande feiten

2.1.

Partijen zijn de ouders van de minderjarigen:

  • -

    [naam minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum minderjarige 1] 2009 te [geboorteplaats minderjarige 1] ;

  • -

    [naam minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum minderjarige 2] 2012 te [geboorteplaats minderjarige 2] .

3. De beoordeling

Kinderbijdrage

3.1.

Tijdens de mondelinge behandeling bereiken partijen overeenstemming over het verzoek van de man tot het wijzigen van de op 9 mei 2014 overeengekomen kinderbijdrage. Met ingang van 1 juni 2021 zal de kinderbijdrage € 32,- per maand bedragen. Dat is € 16,- per kind.

Bovendien verklaart de vrouw dat zij de kinderbijdrage die de man verschuldigd is over de periode van 14 december 2020 tot 1 juni 2021, kwijtscheldt. Van de zijde van de man wordt tijdens de mondelinge behandeling waardering uitgesproken voor deze daad van de vrouw.

Omdat de man van plan is weer zelf inkomen te verwerven, komen partijen voor de toekomst overeen dat de behoefte van de kinderen € 200,- per kind is in 2021.

Zorgregeling

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de omstandigheden zijn gewijzigd, op grond waarvan een nieuwe zorgregeling moet worden vastgesteld. De vrouw verzoekt als nieuwe zorgregeling dat de kinderen een zaterdag per veertien dagen bij de man verblijven. Dat komt overeen met de huidige omgang tussen de man en de kinderen. Als verweer stelt de man dat wat hem betreft de regeling uit het ouderschapsplan kan worden hervat.

3.2.1.

Bij het bepalen van de zorgregeling betrekt de rechtbank dat de vrouw duidelijk verklaart dat de kinderen graag naar hun vader willen, dat de vrouw dit ook van harte ondersteunt, en dat de onveiligheid bij de man de enige reden is dat zij zich verzet tegen een uitgebreidere regeling dan die zij verzoekt. Met onveiligheid bedoelt de vrouw vooral dat de kinderen worden blootgesteld aan heftige scheldpartijen, aan drank- en drugsgebruik door volwassenen in de woning van de man en aan de mogelijke gevolgen daarvan zoals onder invloed van alcohol autorijden met de kinderen.

Voormelde bereidheid van de vrouw ter zake de kosten voor de kinderen (3.1.), haar duidelijke erkenning van de wens van de kinderen hun vader te zien en de verklaring van de man tijdens de mondelinge behandeling dat de situatie nu anders is omdat hij niemand van met wie hij vroeger omging nog vertrouwt, spreekt of ziet, bieden enige steun voor de geloofwaardigheid van het standpunt van de vrouw dat voormelde onveiligheid reden is voor een beperkte zorgregeling.

Echter, gelet op de betwisting door de man, waarbij hij dus stelt dat zijn situatie nu anders is, rust op de vrouw de plicht te onderbouwen dat er redelijkerwijs van uit moet worden gegaan dat nu sprake is van voormelde onveiligheid. Zoals de vrouw lijkt te onderkennen tijdens de mondelinge behandeling zijn alleen stellingen daarvoor onvoldoende.

3.2.2.

De rechtbank zal daarom beslissen tot een uitbreiding van de huidige regeling. Daarbij betrekt de rechtbank dat partijen met overtuiging hebben verklaard het advies op te volgen van de raad om met elkaar in gesprek te gaan over de zorgen die zij over en weer hebben en over wat zij allebei nodig hebben om de zorgregeling weer zonder problemen uit te voeren.

Bij de uitbreiding van de zorgregeling houdt de rechtbank een opbouw aan. Dit kan ervoor zorgen dat de kinderen geleidelijk wennen aan de uitbreiding. Het kan er ook voor zorgen dat de vrouw ervaart dat de omgang inderdaad veilig is en vervolgens dat zij de omgang van harte ondersteunt richting de kinderen. Daar heeft ook de man belang bij.

Verder betrekt de rechtbank bij haar beslissing dat partijen het eens zijn over het verblijf van de kinderen bij de man tijdens Vaderdag, op de verjaardag van de man en tijdens de zomervakantie volgens een verdeling van ieder twee weken en ieder een week.

Proceskosten

3.3.

Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.

4. De beslissing

De rechtbank:

4.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, voor de toekomstige termijnen steeds bij vooruitbetaling zal voldoen

  • -

    met ingang van 14 december 2020 tot 1 juni 2021 € 0,-;

  • -

    met ingang van 1 juni 2021 € 16,- per maand per kind,

onder gelijktijdige wijziging van de kinderbijdrage zoals overeengekomen op 9 mei 2014;

4.2.

stelt vast – onder gelijktijdige wijziging van het ouderschapsplan van 9 mei 2014 voor zover dat ouderschapsplan anders luidt dan hierna is vermeld – dat de minderjarigen in het kader van de regeling inzake de uitoefening van de zorgregeling bij de man zullen zijn als volgt:

met ingang van vandaag tot aan de zomervakantie 2021

- tweewekelijks van vrijdag uit school tot zaterdag 19:30 uur;

met ingang van de eerste week na de zomervakantie 2021

- tweewekelijks van vrijdag uit school tot zondag 19:30 uur;

met ingang van Vaderdag 2021

- tijdens vakantie- en feestdagen in onderling overleg op basis van ieder de helft waarbij de minderjarigen in ieder geval bij de man verblijven op Vaderdag, op de verjaardag van de man, om het jaar op de verjaardagen van de minderjarigen en tijdens de zesweekse zomervakanties volgens een verdeling van ieder twee weken en ieder een week;

waarbij de man de minderjarigen uit school haalt en in de gevallen waarin de omgang niet aansluit op school, de vrouw de minderjarigen naar de man brengt, en de man de minderjarigen terugbrengt naar de vrouw;

4.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

4.5.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.M.P.H. van den Boomen op 2 juni 2021.

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.