Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4932

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-06-2021
Datum publicatie
04-06-2021
Zaaknummer
10/750078-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Darwina. Veroordeling voor de invoer van 268 kg cocaïne tot een gevangenisstraf van 36 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/750078-20

Datum uitspraak: 3 juni 2021

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte] ,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres verdachte] , [postcode verdachte] [woonplaats verdachte] ,

raadsman mr. J.M.J.H. Coumans, advocaat te Duivendrecht.

1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 10 mei 2021, 11 mei 2021 en 3 juni 2021.

2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. N. Coenen heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden.

4. Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

In het onderzoek met de naam “Darwina” draait het om de container met nummer

[containernummer] . Uit het dossier blijkt dat die container, gevuld met schroot, is geladen in Brazilië, is overgeladen in Marokko en is gelost in Rotterdam. De douaneautoriteiten hebben de container op 12 februari 2020 gescand. Tijdens de scan zijn in de container voorwerpen waargenomen met een van de rest van de lading afwijkende vorm. De container is daarop gelost door de douane om onderzoek mogelijk te maken en daarin zijn negen kisten met ruim 268 kilogram cocaïne aangetroffen. Die kisten met cocaïne zijn uit de container gehaald, de container is vervolgens verzegeld en ter beschikking gesteld van de rederij om zijn oorspronkelijk geplande route te vervolgen.

De container was bestemd voor het bedrijf [naam bedrijf 1] in Dordrecht en deze had transportbedrijf ‘ [naam transportbedrijf] ’ ingeschakeld om de container op te halen op de terminal om deze vervolgens af te leveren in Dordrecht. Toen dat bedrijf de container op

17 februari 2020 wilde ophalen, bleek deze echter al te zijn opgehaald. Na onderzoek bleek de medeverdachte [naam medeverdachte 1] (hierna: [naam medeverdachte 1] ), werkzaam bij de onderneming [naam onderneming] , de container op 14 februari 2020 te hebben opgehaald. Uit observatieverslagen van de politie blijkt dat [naam medeverdachte 1] na vertrek van de terminal met de container naar de parkeerplaats bij tankstation Den Andel aan de rijksweg A12 is gereden. Daar is de vrachtwagencombinatie overgenomen door de verdachte. Hij is eerst naar een parkeerterrein aan de Pasteurstraat in Reeuwijk gereden om de vrachtwagencombinatie vervolgens via tussenstops bij het tankstation Sandelingen aan de rijksweg A16 ter hoogte van Hendrik-Ido-Ambacht en Truckeasy in Roosendaal, naar de Potendreef in Roosendaal te rijden. Hij heeft de vrachtwagencombinatie daar omstreeks 15:45 uur geparkeerd.

Medeverdachte [naam medeverdachte 2] (hierna: [naam medeverdachte 2] ) is tijdens de observatie gezien op de parkeerplaats bij tankstation Den Andel waar hij kort contact had met de verdachte. Hij heeft die parkeerplaats verlaten in de personenauto van de verdachte waarmee hij ook naar het parkeerterrein aan de Pasteurstraat in Reeuwijk is gereden. Ongeveer negen minuten nadat de verdachte met de vrachtwagencombinatie van het parkeerterrein aan de Pasteurstraat reed, vertrok [naam medeverdachte 2] in een Citroën Jumper. Zes minuten nadat de verdachte aankwam bij het tankstation aan de A16, arriveerde ook [naam medeverdachte 2] ter plaatse. Toen de verdachte wegreed bij Truckeasy is gezien dat [naam medeverdachte 2] achter hem aanreed. Zeven minuten nadat de vrachtwagencombinatie parkeerde aan de Potendreef in Roosendaal is gezien dat [naam medeverdachte 2] daar ook geparkeerd stond met zijn Citroën Jumper.

Tussen ongeveer 16:30 uur en 18:10 uur is gezien dat er een tweede Citroën Jumper geparkeerd stond aan de Potendreef in de nabijheid van de vrachtwagencombinatie. Medeverdachten [naam medeverdachte 3] (hierna: [naam medeverdachte 3] ) en [naam medeverdachte 4] (hierna: [naam medeverdachte 4] ) waren de inzittenden van die auto.

Omstreeks 18:11 uur is gezien dat de vrachtwagencombinatie en de tweede Citroën Jumper achter een Peugeot zijn aangereden. De vrachtwagencombinatie reed om 18:14 uur een openstaande loods in van het bedrijf [naam bedrijf 2] aan de [naam locatie] in Roosendaal. De (tweede) Citroën Jumper parkeerde schuin tegenover de loods. Om 18:13 uur is gezien dat de Citroën Jumper van [naam medeverdachte 2] wegreed vanaf de Potendreef.

Om 18:20 uur heeft de politie de loods betreden. Zij trof een deel van de lading schroot uit de container op de grond aan. In de loods zijn [naam medeverdachte 3] , [naam medeverdachte 4] en de medeverdachten

[naam medeverdachte 5] en [naam medeverdachte 6] aangehouden. Ook de verdachte is als bestuurder van de vrachtwagencombinatie aangehouden.

In de laadruimte van de tweede Citroën Jumper zijn acht blokken samengeperst metaal aangetroffen. De officier van justitie heeft het vermoeden geuit dat die blokken bedoeld waren om het ontbrekende gewicht – dat zou ontstaan in de container na het verwijderen van de negen kisten met cocaïne – te compenseren. Met het aangevulde gewicht zou de container, volgens de officier van justitie, vervolgens alsnog bij [naam bedrijf 1] in Dordrecht bezorgd kunnen worden.

De verdachte wordt primair de (verlengde) invoer van 268 kilogram cocaïne verweten. Subsidiair zijn hem voorbereidingshandelingen met betrekking tot die invoer verweten.

4.2.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en heeft daarbij onder meer verwezen naar arresten van de Hoge Raad van 17 maart 1998 en 15 december 1998 (ECLI:NL:HR:1998:ZD0975 en ECLI:NL:HR:1998:ZD1300, bekend als het zogenoemde kokosnootarrest) waarin is bepaald dat handelingen die worden verricht nadat de verdovende middelen in beslag zijn genomen niet meer kunnen strekken tot de invoer of het verdere vervoer en de overdracht van die verdovende middelen. De verdediging heeft erop gewezen dat de handelingen van de verdachte – anders dan het accepteren van de opdracht voor het vervoeren van een container – slechts zijn verricht nadat de cocaïne door de douane in beslag was genomen. De officier van justitie heeft op een vraag van de rechtbank bevestigd dat er geen cocaïne in de container is teruggeplaatst, zodat de verdachte alleen om die reden vrijgesproken moet worden.

Daarnaast heeft de verdediging gewezen op een arrest van het Hof Den Haag van

17 februari 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:225) waaruit zou blijken dat er in het kader van voorbereidingshandelingen moet worden vrijgesproken als die handelingen specifiek betrekking hebben op een zending verdovende middelen die dan al in beslag is genomen zonder dat er een monster was teruggeplaatst.

Het standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat het een feit van algemene bekendheid is dat een container niet kan worden opgehaald van de terminal op de wijze zoals in deze zaak is geschied, is door de verdediging gemotiveerd betwist. Ook is betwist dat de verdachte wetenschap had van de cocaïne die in de container heeft gezeten.

4.3.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft in dat kader gewezen op de omstandigheden waaronder de verweten handelingen zijn verricht, te weten een container met daarin 268 kilogram cocaïne, die door middel van pincodefraude is uitgehaald en vervolgens naar een daarvoor gehuurde loods in Roosendaal is gebracht terwijl deze bestemd was voor een bedrijf in Dordrecht..

De verdachte heeft de opdracht voor het vervoeren van de container op een volslagen onlogische wijze gekregen. Het is een feit van algemene bekendheid dat opdrachten voor containervervoer niet worden verstrekt via een Hotmail- of een Gmailadres. Ook is het een feit van algemene bekendheid dat containers uit Zuid-Amerika regelmatig drugs bevatten. De officier van justitie heeft gewezen op de modus operandus die ook in dit onderzoek naar voren is gekomen: de opdracht voor het transport is onder een valse naam met een vals

e-mailadres gedaan. Vervolgens is de voormelding gedaan en is de container uitgehaald door een persoon die feitelijk niet over de container mocht beschikken. Uit het dossier blijkt dat de verdachte de voormelding op 12 februari 2020 omstreeks 10:00 uur heeft gedaan. Hij heeft aldus handelingen verricht voordat de container was gescand en voordat de cocaïne in de container was ontdekt en in beslag was genomen.

Met betrekking tot de jurisprudentie waarop de verdediging heeft gewezen, heeft de officier van justitie opgemerkt dat het gaat om gedateerde arresten en dat er sedertdien veel is veranderd; er worden veel meer verdovende middelen ingevoerd en de zaken zijn ook complexer geworden. Om die reden is bepleit dat de rechtbank – mocht deze de jurisprudentie van de Hoge Raad van toepassing achten – zal oordelen in afwijking van die jurisprudentie. In dat verband heeft zij gewezen op een recente uitspraak van deze rechtbank van 21 april 2021, waarin ook zonder het aantreffen van cocaïne een veroordeling voor de (verlengde) invoer van cocaïne is uitgesproken (ECLI:NL:RBROT:2021:3767).

4.4.

Beoordeling primair tenlastegelegde: invoer van cocaïne

Rechtspraak Hoge Raad
Met betrekking tot de verwijzing door de verdediging naar rechtspraak van de Hoge Raad overweegt de rechtbank als volgt.

De volledige hoeveelheid cocaïne die in de container zat is op 12 februari 2020 in beslag genomen en er zijn geen verdovende middelen teruggeplaatst. De inbeslagname moet in de middag hebben plaatsgevonden. Immers, tussen 14:15 uur en 14:20 uur is een afwijking waargenomen op de scan van de container, waarna de cocaïne is ontdekt.

De verdachte heeft de opdracht voor het vervoer naar eigen zeggen op 4 februari 2020 aanvaard. Daarna heeft hij, ook naar eigen zeggen, van een onbekende een referentiecode gekregen die nodig was voor het doen van een vooraanmelding van de container. Uit het dossier blijkt dat de verdachte de vooraanmelding op 12 februari 2020 om 09:59 uur heeft gedaan. De verdachte heeft deze handelingen – die zagen op het verdere vervoer van de container als bedoeld in artikel 1 lid 4 Opiumwet – dus vóór de inbeslagname van de cocaïne verricht. Dit betekent dat de door de verdediging aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad in dit geval niet van toepassing is en dat de verdachte niet reeds op grond van die jurisprudentie kan worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde (invoer van cocaïne).

Opzet

Voor het medeplegen van de invoer van cocaïne is vereist dat het opzet van de verdachte – ten minste in voorwaardelijke zin – hierop gericht is geweest.

Volgens de verdediging is niet gebleken dat de verdachte wist dat er cocaïne in de container zat, ontbreekt daarom het voor een bewezenverklaring vereiste opzet en moet hij om die reden worden vrijgesproken. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet.
De rechtbank is van oordeel dat het opzet op de (verlengde) invoer van een grote hoeveelheid cocaïne is bewezen en wijst daartoe op de volgende omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd:

Vast staat dat er 268 kg cocaïne in de container zat toen deze de haven van Rotterdam binnenkwam en de verdachte de vooraanmelding deed. Vast staat ook dat de verdachte de container (na de in beslagname van de verdovende middelen, waar de verdachte niet van wist) naar Roosendaal heeft vervoerd tot in een loods waar de container werd gelost.

Hoe de opdracht voor het vervoer door de verdachte tot stand is gekomen is niet duidelijk geworden. De verdachte heeft verklaard dat hij het verzoek kreeg via de mail van

4 februari 2020 van de voor de verdachte onbekende [naam persoon] met e-mailadres [naam e-mailadres] . Vastgesteld is dat de echte [naam persoon] het genoemde

e-mailadres niet gebruikt en dat hij deze mail niet heeft gestuurd. Nadat de verdachte de opdracht had aanvaard kreeg hij op 5 februari 2020 weer een mail, zogenaamd van [naam persoon] , waarin stond “in de volgende e-mail versturen wij u de opdracht door met alle informatie en details omtrent deze rit”. Zo’n volgende mail met de benodigde gegevens is echter niet aangetroffen.

De verklaring van de verdachte over hoe hij dan wel aan de voor het vervoer benodigde gegevens is gekomen wijst op een obscure gang van zaken en is bovendien niet verifieerbaar. De verdachte heeft verklaard dat een onbekende persoon hem op enig moment telefonisch heeft gevraagd of hij bij een bepaalde terminal was. Die onbekende zou hem buiten de poort een briefje hebben gegeven waar de referentiecode op gedrukt stond en hij zou hem hebben gezegd dat hij naar de Potendreef te Roosendaal moest. De verdachte heeft verklaard dat een dergelijke gang van zaken voor hem niet ongewoon was. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het echter niet voor de hand dat bij een legaal transport de informatievoorziening zo omslachtig, oncontroleerbaar en inefficiënt plaatsvindt. De rechtbank weegt hierbij mee dat het een feit van algemene bekendheid is dat er regelmatig cocaïne via de Rotterdamse haven wordt gesmokkeld en dat de referentiecode een gevoelig gegeven is (daarmee kan immers een container worden uitgehaald).

Het vervoer van de container door de verdachte is blijkens observatieverslagen begeleid door medeverdachte [naam medeverdachte 2] , met wie de verdachte goed bevriend is en die bij vonnis van heden door deze rechtbank is veroordeeld voor zijn aandeel in deze zaak. Uit die observaties blijkt dat [naam medeverdachte 2] aanwezig was bij tankstation Den Andel aan de rijksweg A12, waar de verdachte de container overnam van [naam medeverdachte 1] (13:24 uur) en dat [naam medeverdachte 2] vervolgens de verdachte in een auto volgde naar de Pasteurstraat in Reeuwijk, het tankstation Sandelingen aan de rijksweg A16, en de Truckeasy in Roosendaal tot aan de Potendreef (15:52 uur) waar men een tijd heeft gewacht. [naam medeverdachte 2] reed pas weg toen de container (18:11 uur) en de tweede Citroen Jumper met [naam medeverdachte 4] en [naam medeverdachte 3] werden opgehaald door een Peugeot om naar de, aan de overzijde van de aan de rijksweg A17 gelegen, loods te worden gebracht.

Het ligt niet voor de hand dat een transport van een container met louter schroot onder begeleiding van een volgauto plaatsvindt. Het ligt meer voor de hand dat het hier ging om de beveiliging c.q. begeleiding van het transport van 268 kilogram cocaïne met een straatwaarde van vele miljoenen euro’s. De verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de begeleiding van het transport door [naam medeverdachte 2] . De verdachte heeft enkel verklaard dat hij niet wist dat [naam medeverdachte 2] hem volgde, hetgeen de rechtbank ongeloofwaardig voorkomt. Uit de observatieverslagen blijkt immers dat zij bij het tankstation Den Andel aan de rijksweg A12 en in de Pasteurstraat te Reeuwijk contact met elkaar hadden en dat [naam medeverdachte 2] ook in de Potendreef contact heeft gemaakt met de verdachte.

Al deze omstandigheden in onderling verband duiden naar de uiterlijke verschijningsvorm op wetenschap en daarmee opzet op het vervoeren van de cocaïne. De verdachte, die zijn verklaringen gaandeweg het onderzoek steeds heeft aangepast aan de bevindingen van de politie, heeft geen aannemelijke en verifieerbare verklaring gegeven die tot een andere conclusie leidt.

4.4.1.

Conclusie

Het primair ten laste gelegde is bewezen.

4.5.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

hij in de periode van 12 februari 2020 tot en met 14 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 268 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:

primair:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feit waarop de straf is gebaseerd

De verdachte is samen met anderen betrokken geweest bij een groot cocaïnetransport vanuit Zuid-Amerika via de Rotterdamse haven.

De handel in harddrugs gaat vaak gepaard met diverse vormen van zware en georganiseerde criminaliteit. Ook zijn de gezondheidsrisico’s voor gebruikers van cocaïne groot. Cocaïne is verslavend en kan bij regelmatig gebruik schadelijke lichamelijke, psychische en sociale gevolgen met zich brengen. Daarbij wordt het milieu bij de productie van cocaïne ernstige schade toegebracht. De nadelige gevolgen van de handel in en het gebruik van verdovende middelen zijn alom in de samenleving merkbaar. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de instandhouding van die situatie. Hij heeft kennelijk geen boodschap gehad aan deze gevolgen, maar is er alleen op uit geweest om er financieel beter van te worden.

7.3.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

31 maart 2021, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Omdat de verdachte niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf voorwaardelijk opleggen, met de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijk strafdeel dient er ook toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

9. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;

tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P. Putters, voorzitter,

en mrs. W.J.M. Diekman en J. Bergen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.G. Polke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.

Bijlage I

Tekst tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

Primair

hij in of omstreeks de periode van 12 februari 2020 tot en met 14 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 268 kilogram cocaïne, in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

Subsidiair

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 februari 2020 tot en met 14 februari 2020 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 268 kilogram cocaïne, in ieder geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of

- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit hebbende/is verdachte en/of (een of meer van) zijn, verdachtes, mededader(s)

- met één of meer mededader(s) ontmoetingen gehad en/of telefonisch en/of via Whatsapp contacten onderhouden en/of informatie uitgewisseld en/of afspraken gemaakt over het invoeren en/of afleveren en/of uithalen en/of verstrekken en/of vervoeren en/of bewerken van die container en/of die (pakketten) cocaïne, en/of

- met een vrachtwagen (Scania G420, [kentekennummer 1] ) en oplegger ( [kentekennummer 2] ) een container met containernummer [containernummer] (geladen met negen, althans één of meerdere kisten schroot), opgehaald/ (laten) ophalen bij de containerterminal APM1 Terminal en/of

- ( vervolgens) die container naar een loods aan de [naam locatie] te Roosendaal (laten) brengen en/of

- ( vervolgens) die vrachtwagen en/of container begeleid/ (laten) begeleiden en/of

- ( vervolgens) die container uitgehaald/ (laten) uithalen.