Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4926

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
24-06-2021
Zaaknummer
ROT 20/3287
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vereniging Eigen Huis (VEH) is belanghebbende bij een besluit op haar handhavingsverzoek aan DNB. Het bezwaar van VEH tegen de reactie van DNB op dit verzoek is dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/3287

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 april 2021 in de zaak tussen

Vereniging Eigen Huis, eiseres (VEH),

gemachtigde: mr. F. Dijkslag,

en

De Nederlandsche Bank N.V. , verweerster (DNB),

gemachtigde: mr. C. de Rond.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft DNB het bezwaar van VEH tegen de schriftelijke mededeling van DNB dat zij geen belanghebbende is bij haar verzoek om handhavend op te treden tegen [onderneming] , niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft VEH beroep ingesteld bij de rechtbank.

DNB heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van VEH, [naam 1] en [naam 2] , beide medewerkers van VEH, alsmede de gemachtigde van DNB en [naam 3] , medewerker van DNB, zijn op 11 maart 2021 door middel van een beeld- en geluidverbinding via Skype door de rechtbank gehoord.

Overwegingen

1.1.

VEH is een belangenorganisatie voor (toekomstige) eigenwoningbezitters met ongeveer 800.000 leden.

1.2.

[onderneming] biedt aan kopers van nieuwbouwwoningen een garantie- en waarborgregeling aan. Deze regeling dient als waarborg dat, als de aannemer die de woning bouwt gedurende de bouw failliet gaat, de woning door een andere partij wordt afgebouwd.

1.3.

Bij brief van 20 juni 2018 heeft VEH aan DNB meegedeeld dat zij heeft gesignaleerd dat [onderneming] waarschijnlijk, zonder over de benodigde vergunning te beschikken, als verzekeraar actief is en dat de informatieverstrekking door [onderneming] aan klanten volgens VEH onvoldoende is. Daarbij heeft VEH aan DNB verzocht te onderzoeken of [onderneming] zich aan de regels houdt en zo nodig tegen [onderneming] op te treden.

1.4.

Bij brief van 25 september 2019 heeft VEH aan DNB te kennen gegeven dat zij nog geen reactie heeft ontvangen op haar handhavingsverzoek van 20 juni 2018 en dat in het belang van haar leden snelle duidelijkheid is gewenst over de stappen van DNB richting [onderneming] . VEH heeft DNB daarbij verzocht met haar in overleg te treden en haar daarover binnen twee weken te berichten.

1.5.

Bij brief van 4 oktober 2019 heeft DNB aan VEH meegedeeld dat de signalen van VEH intern zijn doorgeleid, maar dat zij VEH gelet op haar geheimhoudingsplicht niet inhoudelijk kan informeren over mogelijke stappen in het geval zij constateert dat er sprake is van schendingen van relevante wet- en regelgeving. Daarbij heeft DNB verwezen naar haar website, waarop besluiten tot het opleggen van een bestuurlijke sanctie openbaar worden gemaakt met inachtneming van de publicatiemogelijkheden die zijn opgenomen in de Wet op het financieel toezicht.

1.6.

Bij e-mail van 17 oktober 2019 heeft VEH aan DNB gevraagd of het mogelijk is om bij DNB een handhavingsverzoek in te dienen met de mogelijkheid van bezwaar en beroep, alsmede rechtsbescherming tegen het uitblijven van een beschikking. Daarop heeft DNB bij e-mail van 24 oktober 2019 gereageerd met de mededeling dat bij DNB een handhavingsverzoek in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb) kan worden ingediend en dat, als het daarbij gaat om “een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen”, tegen het genomen besluit op een handhavingsverzoek of het uitblijven daarvan bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat. Bij e-mail van 13 november 2019 heeft VEH daarop gereageerd met de opmerking dat haar brieven van 20 juni 2018 en 25 september 2019, ieder afzonderlijk dan wel gecombineerd, zijn op te vatten als een handhavingsverzoek.

1.7.

Bij e-mail van 29 november 2019 heeft DNB aan VEH meegedeeld dat VEH naar haar mening geen belanghebbende is bij een besluit op haar handhavingsverzoek, omdat de belangen van haar leden niet rechtstreeks bij het besluit zijn betrokken. Een eventueel handhavingsbesluit van DNB zal zijn gericht aan [onderneming] en zal de belangen van de leden van VEH volgens DNB slechts indirect raken, gelet op het feit dat zij via hun (eventuele) contractuele relatie met [onderneming] worden getroffen door een (te nemen) besluit van DNB. Gelet hierop heeft VEH volgens DNB ook alleen een afgeleid (collectief) belang. Omdat VEH geen belanghebbende is, is geen sprake is van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb, aldus DNB.

1.8.

Bij brief van 9 januari 2020 heeft VEH tegen deze mededeling bezwaar gemaakt.

2. Bij het bestreden besluit heeft DNB dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft DNB haar standpunt gehandhaafd dat het handhavingsverzoek van VEH

niet kwalificeert als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb waarop DNB een besluit moet nemen, omdat VEH bij dit besluit niet als belanghebbende valt aan te merken. De daartoe strekkende mededeling in de e-mail van 29 november 2019 kwalificeert volgens DNB dan ook niet als een besluit, waartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend.

3. VEH betoogt dat zij wel degelijk als belanghebbende is aan te merken.

3.1.

Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Op grond van artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.

3.2.

Voor de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, blz. 32-35) veilig willen stellen dat verenigingen of stichtingen als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

3.3.

Volgens artikel 2.1 van de statuten van VEH heeft zij tot doel “het

zonder winstoogmerk behartigen van de belangen van haar leden op het gebied van

de huidige of toekomstige eigen woning, alles in de ruimste zin.”

3.4.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:971) komt een belangenorganisatie die opkomt voor de belangen van haar leden daarmee op voor een collectief belang, tenzij het tegendeel blijkt.

3.5.

Bij de behartiging van de belangen van haar leden op het gebied van de huidige of toekomstige eigen woning behoort volgens VEH ook het waken voor en tegengaan van misstanden op de woningmarkt, waaronder die bij nieuwbouwwoningen. In dat kader heeft VEH, naar niet in geschil is, onder meer mede zorggedragen voor de totstandkoming van model koop-/aannemingsovereenkomsten, algemene voorwaarden en met voldoende waarborgen omklede garantie- en waarborgregelingen voor nieuwbouwwoningen (aanvankelijk via het Garantie-lnstituut Woningbouw (GIW), later overgegaan in Woningborg en SWK, alsmede BouwGarant) en was zij ook betrokken bij de oprichting van de Stichting GarantieWoning, die op aanvraag toestemming verleent om gebruik te maken van haar keurmerk dat betrekking heeft op garantie- en waarborgregelingen bij de koop van woningen. Verder informeert en adviseert VEH haar leden over het belang van een goede afbouwgarantie bij nieuwbouw, bijvoorbeeld door middel van informatie op haar website, artikelen in het haar magazine en individuele dienstverlening, zoals de beoordeling van (koop-/)aannemingsovereenkomsten, waarbij de toepassing van een goede garantie- en waarborgregeling door een betrouwbare partij een belangrijk beoordelingscriterium is.

Indien een nieuwe partij zich op de markt begeeft met een garantie- en waarborgregeling of een daarop gelijkend product, zoals [onderneming] , onderzoekt VEH of deze partij voldoet aan alle daaraan te stellen eisen. Indien dit volgens VEH niet het geval is, onderneemt zij daartegen actie. Eén van de waarborgen van een goede garantie- en waarborgregeling voor nieuwbouwwoningen is volgens VEH het vereiste van een vergunning nu het gaat om verzekeringsproducten, in de vorm van een verzekerde garantie. Omdat VEH heeft geconstateerd dat [onderneming] niet over de vereiste vergunning beschikt, heeft zij, naast het publiceren en het adviseren van haar leden daarover, DNB verzocht daartegen handhavend op te treden.

3.6.

Hoewel VEH volgens haar statutaire doelstelling opkomt voor een collectief belang, behartigt zij met haar voormelde feitelijke werkzaamheden ter voorkoming van misstanden op de woningmarkt tevens een algemeen belang dat niet specifiek in haar statuten staat vermeld. De belangen van de leden van VEH op het gebied van de huidige of toekomstige eigen woning zijn naar het oordeel van de rechtbank evenwel zodanig verweven met het algemeen belang bij het voorkomen van mistanden op de woningmarkt dat niet gezegd kan dat de behartiging van dit algemeen belang door VEH niet tevens geacht kan worden besloten te liggen in haar statutaire doelstelling. Misstanden op de woningmarkt kunnen immers nadelige gevolgen hebben voor de leden van VEH op het gebied van de huidige of toekomstige eigen woning, zodat het in de rede ligt dat VEH ter bescherming van de belangen van haar leden ook het algemeen belang bij het voorkomen van misstanden op de woningmarkt behartigt. De doelstelling van VEH blijft daarmee in functioneel opzicht beperkt, aangezien deze specifiek betrekking heeft op de belangen van (toekomstige) eigenwoningbezitters, waaronder haar leden. Voorts is de doelstelling niet zodanig ruim dat geoordeeld moet worden dat deze niet ook in het bijzonder is gericht op de behartiging van het belang waarvoor VEH in deze procedure opkomt, te weten het algemeen belang dat in de markt aangeboden garantie- en waarborgregelingen voor nieuwbouwwoningen zijn omkleed met voldoende waarborgen, waaronder het vergunningvereiste waaraan [onderneming] volgens VEH niet voldoet. Nu dit algemeen belang naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks is betrokken bij een door DNB te nemen besluit op het verzoek van VEH om handhavend op te treden tegen [onderneming] , heeft DNB zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat VEH geen belanghebbende is bij een besluit op haar handhavingsverzoek. Omdat het hier om een algemeen belang gaat dat VEH behartigt, is niet vereist dat de belangen van de leden van VEH tevens rechtstreeks bij dit besluit zijn betrokken.

3.7.

Het betoog slaagt.

4. Uit het voorgaande volgt dat het handhavingsverzoek van VEH een aanvraag is als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en dat de reactie daarop van 29 november 2019 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, tweede lid, van de Awb, waartegen bezwaar openstaat. DNB heeft het bezwaar van VEH dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat DNB een nieuw besluit op het bezwaar van VEH neemt met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat DNB aan VEH het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. Omdat de gemachtigde van VEH als advocaat bij haar loondienst is en dus geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt DNB op een nieuw besluit op het bezwaar van VEH te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat DNB aan VEH het door haar betaalde griffierecht van € 354,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Spengen, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.J.F.J. van Beek, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2021.

de griffier is buiten staat de rechter is verhinderd te tekenen

griffier rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.