Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4894

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
C/10/617647 / JE RK 21-1137
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

verlenging machtiging tot uithuisplaatsing na spoedbeslissing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Zaaknummer: C/10/617647 / JE RK 21-1137

Datum uitspraak: 6 mei 2021

Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,

betreffende

[naam minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2021 te [geboorteplaats minderjarige] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:

[naam moeder] ,

hierna te noemen: de moeder, wonende te [woonplaats moeder] ,

advocaat: mr. J. Bos, te Rotterdam.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[naam vader] ,

hierna te noemen: de vader, nu gedetineerd in de [naam penitiaire inrichting] te [plaats] .

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van deze rechtbank van 28 april 2021 en de daarin genoemde stukken.

Op 6 mei 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft de kinderrechter de zaak met gesloten deuren behandeld.

Verschenen zijn:
- de moeder, bijgestaan door mr. J. Bos, advocaat te Rotterdam;
- de vader;

- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI, mw. [naam vertegenwoordigster 1] en mw. [naam vertegenwoordigster 2] .

De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan opa moederszijde.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder.

[voornaam minderjarige] verblijft in een pleeggezin.

Bij beschikking van 16 maart 2021 is [voornaam minderjarige] (toen nog als ongeboren baby) onder toezicht gesteld tot 16 maart 2022.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 april 2021 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een crisispleeggezin verleend voor de duur van vier weken. De beslissing voor het overig verzochte is aangehouden.

Het aangehouden verzoek

De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor (crisis)pleegzorg voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De GI heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. De moeder stond zelf tot haar achttiende jaar onder toezicht van de GI. Ondanks dat de ouders geen huisvesting en financiële middelen hebben, hebben zij ervoor gekozen om een kindje te krijgen. De GI heeft de ouders tijdens de zwangerschap ondersteund en een plan met voorwaarden met ouders gemaakt. Er is overwogen om bij het verzoek tot ondertoezichtstelling van de toen nog ongeboren baby [voornaam minderjarige] een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken, maar de Raad en de GI hebben de moeder nog een kans gegeven zelf voor [voornaam minderjarige] te zorgen in een moeder-kindvoorziening. De moeder woonde in een KTC. Hier kon zij na de bevalling niet blijven wonen. De ouders hebben geen basisvoorzieningen geregeld en zijn heel jong. De Raad en de GI vinden het in het belang van [voornaam minderjarige] noodzakelijk dat de moeder met [voornaam minderjarige] op een begeleid wonen plek gaat wonen. Er is net op tijd een moeder-kindtraject gevonden bij Brijder. De moeder was wisselend gemotiveerd voor deze plek. Op de dag dat de moeder met [voornaam minderjarige] naar Brijder zou gaan, zijn de ouders met [voornaam minderjarige] weggelopen. De GI was de ouders en [voornaam minderjarige] kwijt. Omdat de GI zich ernstig zorgen maakte over de veiligheid van [voornaam minderjarige] , is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verzocht. De volgende ochtend is [voornaam minderjarige] pas gevonden en naar een pleeggezin gebracht. De moeder heeft vandaag voor het eerst contact gehad met [voornaam minderjarige] . Brijder wil de moeder nog een laatste kans geven en heeft dus nog een plek voor haar en [voornaam minderjarige] beschikbaar. De moeder zal eerst zelf drie weken opgenomen worden om te bezien of zij volledig gemotiveerd is en blijft om mee te werken aan de geboden hulpverlening. Vervolgens kan [voornaam minderjarige] bij moeder worden geplaatst, vanaf dat moment zal geen gebruik meer worden gemaakt van de machtiging tot uithuisplaatsing. Als dit traject niet goed verloopt, kan de plaatsing van [voornaam minderjarige] in het huidige pleeggezin gecontinueerd worden.

De standpunten

De moeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij zich zorgen maakt over de hechtingsband en het contact tussen haar en [voornaam minderjarige] . De moeder wil het liefst met [voornaam minderjarige] bij opa gaan wonen. De moeder is blij dat zij nog een kans krijgt om zelf voor [voornaam minderjarige] te zorgen en zij wil meewerken aan het traject bij Brijder. De moeder verzoekt om de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer dan twee maanden te verlengen om een tussentijdse evaluatie mogelijk te maken.

De vader heeft ter zitting aangegeven dat hij is geschrokken met hoeveel geweld [voornaam minderjarige] werd weggehaald bij de vader. De vader vindt het een goed plan dat de moeder met [voornaam minderjarige] naar Brijder gaat.

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding (artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek).

Op dit moment wordt [voornaam minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. [voornaam minderjarige] is een kwetsbare baby van pas tweeënhalve week oud. Beide ouders zijn pas achttien jaar oud, hebben een belaste voorgeschiedenis en hebben geen vaste woon- of verblijfplaats en geen voldoende financiële middelen. Het is belangrijk dat er zicht is op de moeder en [voornaam minderjarige] op zowel praktisch als sociaal-emotioneel gebied. De afgelopen periode is gezocht naar een plek waar de moeder met [voornaam minderjarige] zou kunnen verblijven en begeleiding kan krijgen. Op 28 april 2021 kon de moeder terecht bij Brijder. De moeder is wisselend gemotiveerd geweest om hieraan mee te werken en heeft op die dag besloten om met de vader en [voornaam minderjarige] weg te lopen. Omdat er ernstige zorgen waren over de veiligheid van [voornaam minderjarige] , is [voornaam minderjarige] toen hij de volgende ochtend terecht was met spoed in een pleeggezin geplaatst.

Ter zitting is duidelijk geworden dat de moeder wil meewerken aan de laatste kans die haar is geboden om te verblijven in een moeder-kindtraject van Brijder. Het is de bedoeling dat de moeder binnenkort eerst zelf drie weken wordt opgenomen, opdat bezien kan worden of de moeder voldoende gemotiveerd is om aan de hulpverlening mee te werken. Vervolgens zal [voornaam minderjarige] bij de moeder worden geplaatst. Als het de moeder niet lukt om mee te werken, kan [voornaam minderjarige] in het pleeggezin blijven. De kinderrechter zal daarom de machtiging tot uithuisplaatsing verlengen voor de verzochte duur van zes maanden. De kinderrechter verwacht van de jeugdbeschermer dat zij [voornaam minderjarige] bij de moeder plaatst zodra dit mogelijk is en in zoverre dus niet tot het eind van de termijn gebruikt maakt van de machtiging.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 28 oktober 2021;

verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021 door mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Ruijgrok, als griffier. Deze beslissing is schriftelijk vastgesteld op 29 mei 2021.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.