Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4885

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
C/10/596749 / HA ZA 20-468
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring voor recht dat algemene voorwaarden op overeenkomst van toepassing zijn afgewezen. Onvoldoende gemotiveerd dat overeenkomst ondanks operational lease tussen eiser en gedaagde tot stand is gekomen. Verweer tegen facturen onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/596749 / HA ZA 20-468

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam eiseres 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats eiseres] ,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. W.H.R. baron van Boetzelaer te Heerenveen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. M.P.R. Sardjoe te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 8 mei 2020, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende conclusie van eis in reconventie, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 30 september 2020, alsmede de daarin genoemde spreekaantekeningen.

  • -

    de zijdens [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] ingekomen reacties op het proces-verbaal;

  • -

    de conclusie na comparitie van [naam eiseres 1] , met producties;

  • -

    de akte uitlating na comparitie, tevens houdende akte overlegging producties, tevens houdende akte eisvermindering van [naam gedaagde] , met producties;

  • -

    de akte uitlating van [naam eiseres 1] ;

  • -

    de akte uitlating na comparitie van [naam gedaagde] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[naam eiseres 1] verricht onder meer boor- en zaagwerkzaamheden.

2.2.

[naam gedaagde] houdt zich onder meer bezig met de vervaardiging van en handel in machines en werktuigen.

2.3.

Op 21 september 2017 en op 20 december 2017 heeft [naam gedaagde] een offerte gestuurd aan [naam eiseres 1] voor een Keestrack puinbreker. Op 20 december 2017 tekent [naam 1] deze offerte onder voorbehoud van financiering voor akkoord. De offerte vermeldt onder meer:

“Offerte

Onder de METAALUNIEVOORWAARDEN”

2.4.

Op 8 maart 2018 stuurt [naam gedaagde] aan [naam eiseres 1] een voorschot-factuur van € 36.300,- inclusief btw voor de puinbreker, onder vermelding van ‘1e termijn Keestrack puinbreker, type R6 (Destroyer 1313 EP)’. Deze factuur is op 24 juli 2018 betaald.

2.5.

Op 15 augustus 2018 is tussen [naam bedrijf 1] (hierna: [naam bedrijf 1] ) en ABN AMRO Asset Based Finance N.V. (hierna: ABN AMRO) een overeenkomst tot stand gekomen voor de operational lease van de puinbreker. In de overeenkomst staat onder meer:

Procedurebeschrijving

  • -

    u verzoekt de leverancier van het object zijn facturen op naam te stellen van ABN AMRO (…) en deze aan u toe te zenden.

  • -

    Om tot spoedige betaling over te gaan, verzoeken wij u om op de factuur de volgende referentie te (laten) vermelden: (…)

  • -

    Daarna verzendt u deze facturen, nadat ze door u voor akkoord zijn getekend en nadat daarop door u is vermeld “object in goede orde ontvangen, voldoet aan de door ons gewenste specificaties”.

  • -

    Na ontvangst van de facturen met bovengenoemde aantekeningen zullen wij deze op de ingangsdatum aan de leverancier voldoen.

  • -

    Door deze betaling verkrijgen wij het economisch en de juridische eigendom van het object en zijn wij in staat het object aan u gedurende de leaseovereenkomst ter beschikking te stellen. (…)”

2.6.

Op 11 augustus 2018 mailt [naam 1] aan [naam 2] en [naam 3] van [naam gedaagde] :

“ [naam 2] , [naam 3] ,

Hierbij de gegevens zoals de factuur voor de nieuwe breker er uit

moet gaan zien en hoe ik het object

voorafgaande aan betaling goed moet keuren.

De factuur dus op naam van ABN etc., en dan naar mij toezenden,

zodat ik het ontvangst protocol in kan

vullen en dan aan de ABN toe zal zenden.

In verband met onze planning verzoek ik mij z.s.m. door te geven

wanneer de machine ingezet kan worden.

Met vriendelijke groet,

[naam 1]

Directeur

[naam bedrijf 2]

[adres]

2.7.

Op 7 september 2018 stuurt [naam gedaagde] ABN AMRO Asset Based Finance N.V. (hierna: ABN AMRO) een factuur van € 796.785,- voor de puinbreker. In de factuur staat onder meer:

“Afleveradres: [naam bedrijf 2] (…)”. De factuur is op 7 september 2018 door ABN AMRO betaald.

2.8.

Op 10 september 2018 stuurt [naam gedaagde] aan [naam eiseres 1] een credit factuur van € 36.300,-, onder de vermelding ‘Credit eerste termijn ivm geheel gefactureerd aan ABN AMRO Assed Based Finance Credit op factuur 1016673 d.d. 8/3/2018 Keestrack puinbreker, type R6, servicenr [nummer] ’. Het bedrag is op 18 september 2018 teruggestort.

2.9.

In september 2020 heeft ABN AMRO haar ‘rechten om de Leverancier [ [naam gedaagde] , rb] uit hoofde van de koopovereenkomst met de Leverancier aan te spreken’ overgedragen aan [naam bedrijf 1] . [naam bedrijf 1] heeft deze rechten aan [naam eiseres 1] overgedragen.

In de cessieovereenkomst tussen ABN AMRO en [naam bedrijf 1] staat onder meer:

“OVERWEGENDE DAT

  • -

    [naam bedrijf 1] op 9 augustus 2018 een leaseovereenkomst heeft gesloten met ABN AMRO (…) ten aanzien van een puinbreker van het merk Keestrack (…), hierna te noemen: ‘object’

  • -

    ABN AMRO (…) het Object in gebruik heeft gegeven aan [naam bedrijf 1] ;

  • -

    [naam bedrijf 1] op haar beurt het Object in gebruik heeft gegeven aan [naam eiseres 1] ;

  • -

    ABN AMRO (…) het Object op aanwijzing van [naam bedrijf 1] , die op haar beurt op aanwijzing van [naam eiseres 1] heeft gehandeld, heeft gekocht van:

[naam gedaagde] (…)”

3. Het geschil

in conventie

3.1.

[naam eiseres 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

Primair: verklaart voor recht dat er geen algemene voorwaarden onderdeel uitmaken van de overeenkomst tussen partijen met betrekking tot de levering van een Keestrack puinbreker Destroyer 1313 ECO EP door [naam gedaagde] aan [naam eiseres 1] ;

Subsidiair: verklaart voor recht dat de Metaalunievoorwaarden (welke dat ook moge zijn) door [naam eiseres 1] zijn vernietigd, zodat hierop door [naam gedaagde] geen beroep kan worden gedaan;

Primair en subsidiair: [naam gedaagde] veroordeelt in de kosten van het geding, inclusief de nakomsten.

[naam eiseres 1] heeft hieraan kort samengevat het volgende ten grondslag gelegd.

Eind 2017 heeft [naam eiseres 1] van [naam gedaagde] een Keestrack puinbreker gekocht voor € 658.500,-. Doordat deze puinbreker non-conform presteert, heeft [naam eiseres 1] schade geleden. In het kader van onderhandelingen tussen partijen over de afwikkeling hiervan, is een geschil ontstaan over de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van [naam gedaagde] . [naam eiseres 1] heeft in dit kader naar voren gebracht dat de enkele verwijzing naar de Metaalunievoorwaarden op het aanvaarde aanbod onvoldoende duidelijk is en dat de voorwaarden niet ter hand zijn gesteld. Voor zover de Metaalunievoorwaarden deel uitmaakten van de overeenkomst, heeft [naam eiseres 1] deze vernietigd.

3.2.

[naam gedaagde] voert verweer, strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van [naam eiseres 1] in haar vorderingen, althans tot afwijzing van deze vorderingen, met veroordeling van [naam eiseres 1] in de kosten van het geding.

[naam gedaagde] heeft hiertoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

[naam eiseres 1] is geen partij bij een overeenkomst met [naam gedaagde] ten aanzien van de puinbreker. Er is een koopovereenkomst voor de puinbreker gesloten met ABN AMRO, terwijl er een (operational) leaseovereenkomst is tussen ABN AMRO en [naam bedrijf 1] , niet met [naam eiseres 1] . [naam eiseres 1] heeft derhalve geen belang bij haar vordering. Voor zover er wel een overeenkomst zou zijn tussen [naam gedaagde] en [naam eiseres 1] zijn daarop de Metaalunievoorwaarden van toepassing.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[naam eiseres 2] vordert na vermindering van eis samengevat - veroordeling van [naam verweerster] tot betaling van € 40.844,99, vermeerderd met rente en kosten.

Hieraan heeft [naam eiseres 2] kort samengevat ten grondslag gelegd dat [naam verweerster] facturen over de periode van 4 oktober 2018 tot en met 18 september 2019, ondanks sommaties, onbetaald heeft gelaten.

3.5.

[naam verweerster] voert verweer, strekkende tot afwijzing van de reconventionele vorderingen.

[naam verweerster] heeft in dit kader naar voren gebracht dat de facturen zien op werkzaamheden aan de puinbreker die nog binnen de garantie vallen, zodat [naam verweerster] deze kosten niet verschuldigd is. Voor zover [naam verweerster] gehouden zou zijn enig bedrag aan [naam eiseres 2] te betalen, beroept [naam verweerster] zich op verrekening van de vordering van [naam eiseres 2] met de door ABN AMRO uiteindelijk aan haar gecedeerde vordering tot schadevergoeding in verband met gebreken aan de puinbreker.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1.

[naam eiseres 1] vordert een verklaring voor recht inhoudende dat er geen algemene voorwaarden van toepassing zijn op de overeenkomst tussen [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] met betrekking tot de levering van de puinbreker. Hiertoe zal [naam eiseres 1] in ieder geval moeten stellen, en zo nodig bewijzen, dat er een overeenkomst is tussen [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] met betrekking tot de levering van de puinbreker.

4.2.

De opmerking van [naam gedaagde] ter zitting dat sprake was van operational lease met ABN AMRO en dat er geen overeenkomst bestond tussen [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] is ter zitting namens [naam eiseres 1] erkend. Bij conclusie na comparitie heeft [naam eiseres 1] echter bepleit dat de koopovereenkomst voor de puinbreker tussen [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] blijkt uit de onder financieringsvoorbehoud ondertekende offerte van 20 december 2017. Volgens [naam eiseres 1] heeft zij zich niet beroepen op het financieringsvoorbehoud en is de overeenkomst daarmee onvoorwaardelijk geworden. Het gevolg van de leaseovereenkomst tussen [naam bedrijf 1] en ABN AMRO is beperkt en houdt niet meer in dan dat ABN AMRO als derde de koopprijs voor [naam eiseres 1] heeft betaald ingevolge artikel 6:30 BW.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat [naam eiseres 1] haar (uiteindelijke) stelling dat zij een overeenkomst heeft gesloten met [naam gedaagde] met betrekking tot de levering van de puinbreker onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit de correspondentie tussen [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] blijkt dat [naam eiseres 1] op zoek is gegaan naar financiering om de puinbreker van [naam gedaagde] te kunnen afnemen. Uit de leaseovereenkomst in samenhang met de betaling door ABN AMRO en de cessieovereenkomsten blijkt dat uiteindelijk ABN AMRO de puinbreker heeft gekocht van [naam gedaagde] , dat ABN AMRO eigenaar is geworden van de puinbreker en dat ABN AMRO de puinbreker aan onder meer [naam bedrijf 1] ter beschikking stelde. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is niet in te zien hoe deze documenten zich verhouden tot de door [naam eiseres 1] ingenomen stelling dat niet ABN AMRO, maar [naam eiseres 1] de puinbreker van [naam gedaagde] heeft gekocht. Dat ABN AMRO niet met [naam gedaagde] heeft onderhandeld over de aankoop van de puinbreker doet hier, mede gelet op het karakter van de operational lease, niet aan af. Ook het feit dat [naam eiseres 1] een voorschot aan [naam gedaagde] heeft betaald kan haar niet baten, nu ook vaststaat dat [naam gedaagde] haar dit bedrag heeft terugbetaald. De rechtbank concludeert dat de aanvankelijk tussen partijen gesloten overeenkomst door hen niet is geëffectueerd en is vervangen door een tussen ABN AMRO en [naam gedaagde] gesloten overeenkomst. Nu niet vast is komen te staan dat er met betrekking tot de levering van de puinbreker een overeenkomst tussen [naam eiseres 1] en [naam gedaagde] is blijven bestaan, heeft [naam eiseres 1] geen belang meer en zal zowel haar primaire als subsidiaire vordering worden afgewezen.

4.4.

[naam eiseres 1] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam gedaagde] worden tot op heden begroot op:

- griffierecht € 656,00

- salaris advocaat 1.689,00 (3 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 2.345,00

4.5.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

in reconventie

4.6.

[naam eiseres 2] heeft aangevoerd dat zij in de periode van 4 oktober 2018 tot en met 18 september 2019 overeenkomsten heeft gesloten met [naam verweerster] met betrekking tot werkzaamheden aan of onderdelen van de puinbreker, in het kader waarvan [naam eiseres 2] aan [naam verweerster] heeft gefactureerd. [naam verweerster] heeft facturen ter waarde van € 40.844,99 onbetaald gelaten. [naam eiseres 2] heeft haar reconventionele vordering bij akte na comparitie nader toegelicht, aanvoerende dat de resterende facturen geen verband houden met de klachten over de puinbreker. [naam eiseres 2] heeft hiertoe mailcorrespondentie overgelegd tussen [naam 4] van [naam eiseres 2] en [naam 5] van de [naam bedrijf 2] , waaruit onder meer blijkt dat [naam 5] onder meer slijtdelen en zeefnetten bij [naam eiseres 2] bestelt. Tevens heeft [naam eiseres 2] de openstaande facturen overgelegd.

4.7.

[naam verweerster] heeft hiertegen ingebracht dat de facturen zien op werkzaamheden die [naam eiseres 2] heeft verricht in het kader van het nakomen van herstel- en garantieverplichtingen. [naam verweerster] betwist dan ook dat er een (separate) overeenkomst zou zijn gesloten voor het verrichten van de onderhouds- en/of reparatiewerkzaamheden. Dat [naam 5] onderdelen bestelde, komt omdat [naam eiseres 2] dit in het kader van de (fabrieks)garantie als voorwaarde stelde bij de uitvoering van de herstelwerkzaamheden. [naam eiseres 2] heeft niet aangetoond dat [naam verweerster] en [naam eiseres 2] direct overeenkomsten met elkaar hebben gesloten met betrekking tot de bestelde onderdelen. Voor zover [naam verweerster] gehouden zou zijn enig bedrag aan [naam eiseres 2] te betalen, beroept [naam verweerster] zich op verrekening van de vordering van [naam eiseres 2] met de door ABN AMRO uiteindelijk aan haar gecedeerde vordering tot schadevergoeding in verband met gebreken aan de puinbreker.

4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. [naam eiseres 2] vordert nakoming van een betalingsverplichting. Het is derhalve aan [naam eiseres 2] om het bestaan van deze verplichting te stellen, en bij betwisting te bewijzen. [naam eiseres 2] heeft gesteld dat [naam verweerster] bestellingen en/of opdrachten had verstrekt, op grond waarvan [naam eiseres 2] onderdelen of werkzaamheden had geleverd ten behoeve van de puinbreker. [naam verweerster] heeft niet betwist dat zij onderdelen bij [naam eiseres 2] had besteld en dat deze ook zijn geleverd. Hoewel aan [naam verweerster] toegegeven kan worden dat [naam eiseres 2] haar reconventionele vordering in een laat stadium van deze procedure heeft onderbouwd, heeft [naam verweerster] het verweer dat zij van meet af aan voerde, dat de facturen voor de slijtdelen onder de garantie vielen, onvoldoende onderbouwd. Gelet op de toelichtingen van [naam eiseres 2] dat de facturen met name zien op slijtdelen, en niet op (garantieverplichtingen ten aanzien van) de puinbreker zelf, had [naam verweerster] haar verweer, ook ten aanzien van de gestelde gebreken aan de geleverde slijtdelen nader moeten onderbouwen.

4.9.

In de eerdere tegemoetkomingen door [naam eiseres 2] aan [naam verweerster] en de late onderbouwing van de reconventionele vordering door [naam eiseres 2] ziet de rechtbank aanleiding om uit te gaan van de juistheid van de stelling van [naam verweerster] dat zij een toegezegde creditnota voor slaglijsten ter waarde van € 5.800,- exclusief btw nog niet heeft ontvangen. Heropening van de zaak en [naam eiseres 2] alsnog gelegenheid geven om op die stelling te reageren gaat onder deze omstandigheden te ver. De vordering van [naam eiseres 2] zal derhalve voor dat deel worden afgewezen.

4.10.

Het beroep van [naam verweerster] op verrekening slaagt niet. [naam verweerster] heeft weliswaar gesteld dat [naam eiseres 2] een gebrekkige puinbreker had geleverd, maar [naam eiseres 2] heeft dit gemotiveerd betwist, terwijl ook overigens de uit de vermeende gebrekkigheid van de puinbreker voortvloeiende schade, zo die al voor vergoeding door [naam eiseres 2] in aanmerking zou komen, niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (artikel 6:136 BW). De reconventionele vordering zal derhalve worden toegewezen voor een bedrag van (€ 40.844,99 - € 5.800,- = ) € 35.044,99.

4.11.

[naam verweerster] zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in reconventie in de kosten van [naam eiseres 2] worden veroordeeld, begroot op € 1.392,50 (2,5 punten × factor 0,5 × tarief € 1.114,00).

4.12.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

4.13.

[naam eiseres 2] vordert betaling van de proces- en nakosten vermeerderd met de wettelijke handelsrente. Niet gesteld of gebleken is dat in het kader van de proces- en nakosten sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119a BW, zodat de gevorderde handelsrente niet toewijsbaar is. In plaats daarvan zal de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW worden toegewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [naam eiseres 1] in de proceskosten, aan de zijde van [naam gedaagde] tot op heden begroot op € 2.345,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

5.4.

veroordeelt [naam verweerster] om aan [naam eiseres 2] te betalen een bedrag van

€ 35.044,99, vermeerderd met de wettelijke handelsrente als bedoeld in art. 6:119a BW over het toegewezen bedrag, telkens vanaf veertien dagen na de aanvang van de dag volgende op de factuurdatum tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt [naam verweerster] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiseres 2] tot op heden begroot op € 1.392,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.6.

verklaart dit vonnis in reconventie uitvoerbaar bij voorraad,

in conventie en in reconventie

5.7.

veroordeelt [naam eiseres 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 257,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam eiseres 1] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van de datum van dit vonnis tot aan de voldoening.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.C. Santema. Het is ondertekend door de rolrechter en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2021.

3178/32