Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2021:4862

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
03-06-2021
Zaaknummer
C/10/597258 / HA ZA 20-519
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Na levering binnenvaartschip klaagt koper over gebreken motor en elektra. In afwijking van artikel 7:17 BW is schip gekocht in de staat waarin dit door koper is gezien, met alle zichtbare en onzichtbare gebreken. Uitleg van beding ‘in werkende staat’ met inachtneming advertentietekst en nadien gedane mededelingen. Op nader verkregen informatie strandt ook beroep op dwaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven

zaaknummer / rolnummer: C/10/597258 / HA ZA 20-519

Vonnis van 2 juni 2021

in de zaak van

[eiser] H.O.D.N. [handelsnaam],

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.C.A. van 't Zelfde te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats gedaagde 1] ,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats gedaagde 2] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats gedaagde 3] ,

gedaagden,

advocaat mr. P.E. van Dam te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde 1] c.s. genoemd worden.

1. De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 mei 2020, met 21 producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met 9 producties;

  • -

    de oproepingsbrief van de rechtbank van 5 augustus 2020 waarin een mondelinge

behandeling via Skype voor bedrijven is bepaald;

- de brief van de rechtbank waarin opgave is gedaan van de ter zitting te bespreken

onderwerpen van 29 september 2020 (‘zittingsagenda’);

  • -

    de akte (houdende stellen advocaat, tevens houdende overlegging producties, tevens houdende reactie op de conclusie van antwoord) van [eiser] , met producties 22 tot en met 28;

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde 1] c.s., met producties 10 en 11;

  • -

    de ter voorbereiding op de mondelinge behandeling ingekomen spreekaantekeningen van

mr. Van ’t Zelfde;

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 29 oktober 2020;

  • -

    de brief van 20 november 2020, met een reactie van mr. Van Dam op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

[eiser] drijft een eenmanszaak onder de naam [naam eenmanszaak] .

2.2.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn de vennoten in [gedaagde 1] . [gedaagde 1] hield de eigendom van het motorschip ‘ [naam schip] ’. Dit schip stond in 2017 via scheepsmakelaar Nemo Scheepvaart B.V. te koop, waarbij onder meer schriftelijk werd medegedeeld:

“Eletra machine kamer vernieuwd. Motor heeft 10000 draaiuren na revisie. Schip is geschikt voor alleen vaart.”

2.3.

Bij koopovereenkomst van 5 november 2017 kocht [eiser] het schip van [gedaagde 1] c.s. voor een koopprijs van € 47.500,- exclusief BTW. Hij gaf de ‘ [naam schip] ’ na de koop de naam ‘ [nieuwe naam schip] ’.

In de koopovereenkomst staat onder meer:

“Categorie: Beroepsvaart

(...)
Bijzonderheden: Schip wordt verkocht zoals gezien met al de bijbehorende Scheepsdocumenten, Motoren, hulpwerktuigen en Nautische apparatuur alles in een werkende staat.

De koper verklaart dat hij het schip met al de bijbehorende scheepdocumenten goed en naar goedvinden heeft geïnspecteerd en koopt het schip “As is where is” met alle zichtbare en onzichtbare gebreken onder deze conditie wordt het schip aanvaard.”.

2.4.

Na een tevreden stemmende inspectie bij de door de makelaar van [gedaagde 1] c.s. aangeraden Strijbis Diesel Engine Service (hierna Strijbis), waarbij het schip stil lag, vond op 5 december 2017 de notariële levering plaats. In de akte is onder meer vermeld dat het schip wordt verkocht om door de koper te worden gebruikt voor de binnenvaart.

2.5.

Na levering neemt [eiser] olielekkage waar. Hij schakelt expert Doldrums B.V. in en deze rapporteert over de hoofdmotor onder meer:

(voorbericht van 01 maart 2018 (p. 4))

“SCHADE OORZAAK

De olielekkage is zeer waarschijnlijk afkomstig van uitgedroogde cilinderkop pakkingen/afdichtingen. Volgens het inspectierapport van Strijbis was er destijds sprake van “minimaal waarneembare olielekkages”. Dit oordeel is gebaseerd op een momentopname, waarbij de motor waarschijnlijk maar kort is beproefd. Er is echter sprake van serieuze olielekkage die naar mening van ondergetekende al aanwezig moet zijn geweest bij aankoop van het schip.

(tussentijds rapport van 22 maart 2018 (p.3))

“De brandstof toevoerleiding betstaat gedeeltelijk uit slang met slangklemmen en zijn niet deugdelijk gebeugeld;

De uitlaatgassenleiding is niet deugdelijk geïsoleerd;

Volgens opgave door Kramer was het koelsysteem gevuld met water in plaats van koelmiddel.

Na demontage van de cilinderkoppen door Kramer, werd het volgende vastgesteld:

• Het inlaatluchtsysteem, waaronder de compressor van de Holset turboblower en de

oplaadluchtkoeler ernstig vervuild met smeerolie.

• Radiale speling op de rotor as van de turbocompressor.

• De O-ring van de smeerolie afloopleiding van de turbocompressor afgedicht met siliconenkit.

• De inlaatpoorten van de cilinderkoppen vervuild met olie en kool.

• De zittingen van alle inlaatkleppen ernstig ingeslagen.

(tussentijds rapport d.d. 22 maart 2018 (p. 8)):

“5. VOORLOPIGE CONCLUSIES

5.1

Voortstuwingsinstallatie (hoofdmotor)

De uitwendige olielekkage is vermoedelijk afkomstig van lekke O-ringen in de cilinderkop pakkingen/afdichtingen. De O-ringen blijken echter niet te zijn uitgedroogd. De vervuiling van het lucht inlaatsysteem is zeer waarschijnlijk het gevolg van inwendige olielekkage van de turboblower door een lekke rotorafdichting als gevolg van te veel radiale speling op de rotorlagers door slijtage. De inslag van de inlaatklepzittingen is het gevolg van normaal gebruik in combinatie met de vervuiling van het inlaatsysteem en mogelijk een onjuiste klepspeling in het verleden.

Gebaseerd op het bovenstaande is het aannemelijk dat de hoofdmotor (veel) meer draaiuren heeft dan de 10.000 uur opgegeven door de verkoper en het is maar de vraag of de motor bij de inbouw in 2008 überhaupt is gereviseerd.

De onderhoudshistorie is volgens het inspectierapport van Strijbis niet bekend. Teus Vlot Diesel & Marine en Sandfirden Technics lieten desgevraagd weten niet bekend te zijn met de onderhavige hoofdmotor. Veth Propulsion liet weten in 2012 een motorkeuring te hebben uitgevoerd, maar nooit onderhoud aan de motor te hebben verricht.

Volgens het inspectierapport van Strijbis was er bij de motorkeuring in november 2017 sprake van “minimaal waarneembare olielekkages”, was het gebruikte koelmiddel “Oke”, waren de inlaat- en luchtkoeler “schoon” en zagen de met een endoscoop geïnspecteerde cilinders “er goed uit”.

Dit komt niet overeen met bovengenoemde bevindingen. Er is sprake van serieuze olielekkage, vervuiling van het inlaat systeem en ingeslagen zittingen van de inlaatkleppen. Dit moet bij aankoop van het schip al het geval zijn geweest.”

2.6.

Eind februari 2018 heeft [eiser] aan Werf Amsterdam gevraagd de elektra van het schip te beoordelen. Werf Amsterdam rapporteert in haar rapport van 2 maart 2018:

“Op basis van de initiële visuele inspectie kan worden geconcludeerd dat de elektrotechnische installatie zich in matige staat bevindt en er een grote kans is op uitval van de systemen, brand of elektrocutie.

In de huidige staat is het naar mijn idee onverantwoord om met het schip te gaan varen.”

2.7.

Doldrums rapporteert over de elektra in haar rapport van 22 maart 2018, p. 8-9:

“De gehele installatie zal moeten worden verbeterd met vernieuwing van diverse componenten en bekabeling.

(...)

5.2

Elektrotechnisch installatie

Volgens de verkoper was de “elektra machinekamer vernieuwd”. Dit komt niet overeen met bovengenoemde bevindingen. In werkelijkheid is de installatie in een zeer matige staat en zondermeer gevaarlijk.”

2.8.

Op 31 oktober 2018 is [gedaagde 1] c.s. namens [eiser] aansprakelijk gesteld.

3. Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de rechtbank, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde 1] c.s. veroordeelt tot betaling aan [eiser] van:

- € 12.909,85 voor reparatiekosten hoofdmotor,

- € 7.158,36 voor elektra,

- € 12.350,- voor stilligschade,

- € 3.534,37 voor expertisekosten,

- de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 6 december 2018 althans 3 augustus 2018 althans 1 november 2018 althans de dag van dagvaarding vanaf vonnisdatum tot aan de dag van algehele betaling,

- € 1.011,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag voor buitengerechtelijke incassokosten,

- de deurwaarderskosten van betekening van de dagvaarding,

- de proceskosten met inbegrip van de nakosten en, indien deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum worden voldaan, de rente hierover vanaf de vijftiende dag,

- althans enig andere in goede justitie te nemen beslissing.

3.2.

[gedaagde 1] c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eiser] , met veroordeling van [eiser] , bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis, in de proceskosten met inbegrip van de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn voldaan.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

[eiser] stelt dat [gedaagde 1] c.s. als verkoper van de ‘ [naam schip] ’ jegens [eiser] als koper is tekortgeschoten in de op [gedaagde 1] c.s. rustende contractuele en wettelijke verplichtingen. Hij voert hiertoe aan dat het schip bleek te zijn behept met gebreken met betrekking tot de hoofdmotor en de elektra in de machinekamer.

Er bleek al op de tweede reis extreem veel smeerolie uit de hoofdmotor te lekken. Dit gebrek moet zich al ten tijde van de koop hebben voorgedaan en [gedaagde 1] c.s. moet hiervan hebben geweten, zoals ook Doldrums aangeeft. Op bekendheid met het probleem duidt ook dat [eiser] in de machinekamer 3 bussen “ÖlVerlust Stop” aantrof, dat juist wordt gebruikt om motorolieverlies in lekkende hoofdmotoren tegen te gaan. [eiser] betwijfelt, net als Doldrums en reparateur Kramer, dat revisie van de motor heeft plaatsgevonden. Ook was de elektra in de machinekamer niet vernieuwd. Door een schip te leveren waarvan de motor anders dan gegarandeerd niet in werkende staat verkeerde - wegens de aanzienlijke lekkage en het olieverbruik - en waarvan de elektra niet was vernieuwd, is [gedaagde 1] c.s. tekortgeschoten in de nakoming van haar verkopersverplichtingen als bedoeld in artikel 7:17 BW en 6:74 BW. Het geleverde voldeed immers niet aan de overeenkomst.

4.2.

Door deze gebreken heeft [eiser] schade geleden. De motor verkeerde in strijd met de garantie niet in werkende staat en moest voor € 9.310,-, € 638,60 en € 2.961,25 exclusief BTW worden gerepareerd. Om de elektra veilig te krijgen moest € 2.283,97, € 2.490,- en € 704,39 en € 1.680,- exclusief BTW worden uitgegeven.

Het schip lag van 5 februari 2018 tot 23 april 2018 stil voor reparaties/werkzaamheden bij Kramer. Van die 70 dagen zijn 50 dagen besteed aan werkzaamheden aan de hoofdmotor en de elektra. Hierdoor zijn inkomsten misgelopen, begroot op € 247,- netto per dag, in totaal € 12.350,-.

[eiser] heeft expertisekosten moeten maken ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, in totaal € 3.534,37.

Voor de door [eiser] en zijn rechtsbijstandsverzekeraars gemaakte buitengerechtelijke kosten - voor correspondentie in verband met een poging tot een minnelijke oplossing - vordert [eiser] conform de Staffel Buitengerechtelijke Incassokosten (BIK) € 1.011,-.

Voornoemde verzekeraars hebben last en volmacht gegeven om in eigen naam de vordering voor expertisekosten in te stellen.

Aldus nog steeds [eiser] .

4.3.

Subsidiair doet [eiser] een beroep op dwaling, op de grond dat hij indien [gedaagde 1] c.s. hem juist en volledig had geïnformeerd, het schip niet of niet op deze voorwaarden had gekocht. Om deze reden moeten de gevolgen van de overeenkomst worden gewijzigd aldus dat [gedaagde 1] c.s. aan [eiser] zijn schade moet vergoeden althans deze bedragen aan hem moet betalen als bedoeld in artikel 6:230 BW.

4.4.

[gedaagde 1] c.s. voert gemotiveerd verweer. [gedaagde 1] c.s. voert aan dat [eiser] ingevolge artikel 2 lid 3 (jo. artikel 6) van de notariële akte het schip heeft aanvaard in de feitelijke staat waarin het zich bij de inspectie bevond, nu [eiser] het voorbehoud van de motorkeuring van artikel 10 van de koopovereenkomst niet heeft ingeroepen.

Ook stelt [gedaagde 1] c.s. dat partijen in artikelen 10, 11 en 12 van de koopovereenkomst contractueel zijn afgeweken van de in artikel 7:17 lid 2 BW neergelegde regeling dat een koper mag verwachten dat de verkochte zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de eigenschappen niet behoefde te betwijfelen. Overeengekomen is dan ook dat [eiser] het schip na bezichtiging en inspectie “in de staat waarin het door koper is bevonden te Gorinchem”, “zoals gezien”, “as is where is”, “met alle zichtbare en onzichtbare gebreken” heeft gekocht en aanvaard, aldus [gedaagde 1] c.s.

4.5.

[gedaagde 1] c.s. betwist daarnaast dat zij garanties heeft afgegeven en dat sprake is van non-conformiteit. Uit het niet inroepen van het voorbehoud van artikel 10 van de koopovereenkomst volgt dat de motor aan de overeenkomst voldoet. De vernieuwing van de elektra zag op de vernieuwing van de elektrische bedrading van en naar de machinekamer en het stuurhuis en niet op een vernieuwing van elektra in de machinekamer, hetgeen met [eiser] duidelijk is besproken en blijkt uit de bij de advertentie gevoegde foto, aldus [gedaagde 1] c.s. Daarom is ook van een schending van de mededelingsplicht door [gedaagde 1] c.s. geen sprake. De gestelde gebreken hebben zich niet voorgedaan toen [gedaagde 1] c.s. het schip gebruikte, terwijl niet of onvoldoende is vastgesteld dat de gebreken bestaan en/of reeds ten tijde van de levering van het schip aanwezig waren. Volgens [gedaagde 1] c.s. is dat strijdig met de bevindingen van Strijbis en gebaseerd op niet of onvoldoende onderbouwde aannames.

4.6.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

[eiser] grondt zijn vordering op toerekenbare tekortkoming van [gedaagde 1] c.s. in de nakoming van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst. [eiser] stelt dat het door [gedaagde 1] c.s. geleverde schip gebreken aan de hoofdmotor en aan de elektra in de machinekamer had en daarmee niet aan de overeenkomst beantwoordde.

4.7.

Artikel 7:17 lid 1 BW brengt mee dat het afgeleverde aan de overeenkomst moet beantwoorden. De eerste zin van lid 2 van dat artikel brengt mee dat het schip niet aan de overeenkomst beantwoordt indien het, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die door of namens [gedaagde 1] c.s. als verkoper over het schip zijn gedaan, niet de eigenschappen bezit die [eiser] als koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. De tweede zin van lid 2 brengt - voor zover relevant - mee dat [eiser] als koper mocht verwachten dat de verkochte zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen.

Deze bepalingen zijn echter van regelend recht, zodat partijen hiervan kunnen afwijken.

4.8.

[gedaagde 1] c.s. betoogt dat partijen inderdaad in de koopovereenkomst een van de wet afwijkende regeling hebben getroffen. De rechtbank is dat met [gedaagde 1] c.s. eens, om de hierna volgende redenen.

4.9.

In de considerans van de overeenkomst is opgenomen dat het schip wordt gekocht en aanvaard ‘in de staat waarin het heden door koper is bevonden’. In de overeenkomst staat verder onder meer vermeld:

“10 Het schip wordt verkocht onder voorbehoud Motorkeuring, mocht hieruit blijken dat de motor

meer dan normaal slijt heeft dan behoud koper het recht deze aankoop te annuleren of tot een

gezamenlijke oplossing met de verkoper te komen.

11 Schip wordt verkocht zoals gezien met al de bijbehorende Scheepsdocumenten, Motoren,

hulpwerktuigen en Nautische apparatuur alles in een werkende staat.

De koper verklaart dat hij het schip met al de bijbehorende scheepdocumenten goed en naar

goedvinden heeft geïnspecteerd en koopt het schip “As is where is” met alle zichtbare en onzichtbare

gebreken onder deze conditie wordt het schip aanvaard.

12 Op geen enkele wijze kan aanspraak gemaakt worden op eventuele vervolgschade of garantie op

het aangekochte schip + inventaris.”.

4.10.

De bewoordingen in artikel 11 maken duidelijk dat partijen zijn afgeweken van het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW. In het artikel staat immers in duidelijke, niet mis te verstane bewoordingen opgenomen dat het schip wordt gekocht ‘zoals gezien’ en dat het schip wordt gekocht ‘as is where is’ ‘met alle zichtbare en onzichtbare gebreken’ en ‘onder deze conditie wordt aanvaard’.

Partijen hebben daarmee afgesproken dat [gedaagde 1] c.s. aan haar leveringsverplichting voldoet als zij het schip aflevert in de staat waarin het zich ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst bevond, ongeacht de aanwezigheid van zichtbare of onzichtbare gebreken. [eiser] heeft dus met [gedaagde 1] c.s. afgesproken, in afwijking van de wettelijke regeling, dat hij eventuele gebreken voor lief neemt en hij daarover niet kan klagen. Klachten over het geleverde schip kunnen dus alleen slagen als de overeenkomst daarvoor ruimte biedt, waarbij de tekst van de overeenkomst moet worden verstaan in het licht van hetgeen voor of ten tijde van het sluiten van de overeenkomst tussen partijen aan de orde is geweest en de verdere omstandigheden van het geval.

4.11.

[eiser] heeft in dit verband gesteld dat in de overeenkomst onder artikel 11, eerste zin een garantie is opgenomen voor de motor en de elektra, namelijk: ‘Schip wordt verkocht zoals gezien met al de bijbehorende Scheepsdocumenten, Motoren, hulpwerktuigen en Nautische apparatuur alles in een werkende staat.’. Dat deze garantie is verstrekt, volgt volgens [eiser] eveneens uit de advertentietekst waarin is opgenomen dat de elektra in de machinekamer is vernieuwd en de motor is gereviseerd (‘10.000 uren na revisie’ heeft).

[gedaagde 1] c.s. betwist dat hierin een garantie valt te lezen en dat partijen een garantie hebben beoogd.

4.12.

De rechtbank constateert dat partijen van mening verschillen over de aan dit deel van de overeenkomst te hechten betekenis, en zij zal ter beslechting van dat meningsverschil de overeenkomst uitleggen.

Die uitleg kan niet alleen worden gegeven op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen ervan, maar daarbij komt het ook aan - samengevat - hoe partijen hetgeen over en weer is gezegd en gedaan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten opvatten en wat zij, ook gelet op de aard en verdere inhoud van de overeenkomst, redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij zijn alle omstandigheden van het concrete geval van belang.

4.13.

Bij de uitleg van de overeenkomst vindt de rechtbank in ieder geval de volgende feiten en omstandigheden van belang:

  • -

    het gaat hier om de koop van een oud motorschip (bouwjaar 1961);

  • -

    zowel koper als verkoper(s) zijn exploitanten van binnenvaartschepen, zodat de ene partij

niet duidelijk meer ervaren of deskundig was dan de ander;

  • -

    de koop is tot stand gekomen door bemiddeling van een scheepsmakelaar, die ook de advertentietekst heeft opgesteld;

  • -

    [eiser] is zelf voor het sluiten van de koopovereenkomst meerdere malen aan boord van het schip geweest;

  • -

    voor aankoop heeft [eiser] (op 5 december 2017) een inspectie door Strijbis laten uitvoeren. Bij die inspectie is ook de motor gekeurd overeenkomstig de in artikel 10 van de koopovereenkomst neergelegde regeling.

4.14.

Dat met de in 4.11 bedoelde passage een garantie wordt gegeven, valt niet uit de bewoordingen ervan op te maken. Die door [eiser] voorgestane uitleg staat ook op gespannen voet met artikel 12 van de overeenkomst, waarin uitdrukkelijk staat dat op geen enkele wijze aanspraak kan worden gemaakt op garantie op het schip. Deze in artikel 12 neergelegde bepaling sluit ook aan bij de considerans, die er ook op wijst dat eventuele gebreken voor risico van de koper zouden komen.

De door de scheepsmakelaar opgestelde advertentietekst maakt dit niet anders. De tekst betreft slechts een korte, staccato opsomming van scheepsgegevens, waarbij onder ‘bijzonderheden’ staat ‘Stalen vloer 2012. Tractiebatterijen. Elektra machinekamer vernieuwd. Motor heeft 10000 draaiuren na revisie. Schip is geschikt voor alleen vaart.”. Zeker bezien in verbinding met de tekst van de overeenkomst zelf kan deze passage niet worden opgevat als een afdwingbare garantie. Niettemin mocht [eiser] aan die advertentietekst wel bepaalde verwachtingen ontlenen. Die verwachtingen zijn echter ten dele achterhaald, althans getemperd, door hetgeen zich nadien tussen partijen heeft afgespeeld.

motor

4.15.

[eiser] heeft een nauwkeuriger beeld van de motor gekregen doordat hij deze voor de aankoop van het schip overeenkomstig artikel 10 heeft laten keuren. Bij die keuring is geconstateerd dat sprake was van olielekkage, het zogenaamde ‘zweten’ van de motor. [eiser] heeft daarin geen aanleiding gezien om de motor verder te laten inspecteren of het voorbehoud in te roepen. Dat [eiser] redelijkerwijs geen kennis heeft kunnen nemen van dit gebrek aan de motor en dus niet tijdig beroep heeft kunnen doen op de regeling in artikel 10, omdat de motor slechts zeer kort (en onbelast) draaide, gaat niet op. Hij heeft ter zitting uit eigen beweging aangegeven dat hij wist dat bij langer draaien of belasting van de motor het olieverlies aanzienlijk hoger zou zijn.

[eiser] stelt dat achteraf bij inspectie door Doldrums B.V. is gebleken dat de defecten aan de motor ook ten tijde van de inspectie door Strijbis en dus ten tijde van de koop aanwezig moeten zijn geweest. [eiser] was echter zelf de opdrachtgever van Strijbis, zodat eventuele door Strijbis gemaakte fouten voor rekening van [eiser] komen en niet van [gedaagde 1] c.s.

Door ondanks de door Strijbis geconstateerde olielekkage niet het in artikel 10 neergelegde voorbehoud in te roepen maar de overeenkomst te ondertekenen heeft [eiser] de motor aanvaard in de staat waarin deze zich bevond. Zelfs indien hij op grond van de mededeling over de revisie van de motor in de advertentietekst de verwachting koesterde dat geen lekkage zou optreden, mocht hij dat ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet meer verwachten.

4.16.

Wat [eiser] wel op grond van de overeenkomst mocht verwachten is dat de motor in werkende staat zou zijn. [eiser] stelt dat de motor niet in werkende staat verkeerde vanwege de ernstige en overmatige olielekkage.

Nu in de overeenkomst niet nader is gedefinieerd wat onder ‘in werkende staat’ moet worden verstaan, en niet is gesteld of gebleken dat partijen daarover hebben gecommuniceerd in de aanloop naar het sluiten van de overeenkomst, zal de rechtbank deze passage uitleggen op grond van de normale taalkundige betekenis daarvan.

Een redelijke, mede op de praktijk afgestemde uitleg brengt mee dat onder ‘in werkende staat’ moet worden verstaan dat de motor in staat was om het schip tijdens normale vaart voort te stuwen. De afwezigheid van olielekkages valt daaronder, zeker bij een schip van deze leeftijd, niet zonder bijkomende omstandigheden te begrijpen.

4.17.

In dit verband is nog van belang de passage in de advertentie ‘Motor heeft 10000 draaiuren na revisie’. Ook hieraan zijn in redelijkheid verwachtingen over de staat van de motor te ontlenen die relevant kunnen zijn voor wat onder een scheepsmotor ‘in werkende staat’ mag worden verwacht. [eiser] betoogt, naar de rechtbank begrijpt, dat hij hieraan de verwachting ontleende dat motor totaal was vernieuwd, maar dat dit niet het geval was en dat de motor mogelijk zelfs niet eens gedeeltelijk is gereviseerd.

4.18.

Ook over het aantal draaiuren van de motor en de revisie is tussen partijen nog nader gecommuniceerd. Vast staat dat [gedaagde 1] c.s. bij e-mailbericht van 28 juni 2017 [eiser] heeft meegedeeld dat het aantal draaiuren - dat ten tijde van plaatsing van de advertentie in 2016 op 10.000 uur stond - op dat moment 12.860 uur bedroeg na gedeeltelijke revisie in 2008 en dat de motor uit 1996 dateerde. [eiser] heeft ter zitting erkend dat [gedaagde 1] c.s. hem heeft verteld dat het om een gedeeltelijk gereviseerde Scania-motor ging uit 1996. Ook heeft hij gezegd dat de hoorngroeven nog zichtbaar waren en dit duidt op een kort aantal draaiuren. [eiser] heeft ter zitting verder verklaard dat hij de rekening voor de gereviseerde motor heeft gezien - deze was gevoegd bij de e-mailwisseling van 28 juni 2017 - en dat de motor gelet op de prijs van € 13.000,- nooit een totaal gereviseerde motor kon zijn.

Uit deze feiten en omstandigheden volgt dat [eiser] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst niet mocht verwachten, en ook feitelijk niet verwachtte, dat de motor geheel was gereviseerd en dat hij het inmiddels opgelopen werkelijke aantal draaiuren kende.

4.19.

[eiser] trekt nog in twijfel dat de motor gedeeltelijk is gereviseerd en wijst daartoe op de opmerkingen van Doldrums daarover. Dat de motor niet gedeeltelijk is gereviseerd kan echter uit het rapport van Doldrums niet worden afgeleid. Doldrums merkt slechts op dat het aannemelijk is dat de (hoofd)motor veel meer draaiuren dan 10.000 heeft gehad en het maar de vraag is of de motor bij de inbouw in 2008 überhaupt is gereviseerd. Een dergelijke losse speculatie zonder concrete onderbouwing is ontoereikend voor het trekken van die met klem betwiste conclusie, ook gelet op de hiervoor genoemde rekening voor de gereviseerde motor.

4.20.

Het over de motor overwogene leidt tot de conclusie dat [eiser] op grond van de overeenkomst een in 1996 gebouwde en in 2008 gedeeltelijk gereviseerde Scania-motor mocht verwachten die in staat was om het schip tijdens normale vaart voort te stuwen. Nu aan bouwjaar, gedeeltelijke revisie of merk van de motor geen relevante twijfel bestaat, en vast staat dat [eiser] heeft gevaren met het schip direct na levering op 5 december 2017 (achtereenvolgens 19 en 16 uur) en gesteld noch gebleken is dat het schip - tijdens de tweede reis op 5 februari 2018 - niet verder kon varen omdat de motor niet functioneerde (het schip niet meer voortstuwde), is aan [eiser] conform de overeenkomst een schip met motor ‘in werkende staat’ geleverd.

4.21.

Op het voorgaande stuiten de klachten over de motor af. Voor zover de vordering daarop zijn gegrond, zullen deze worden afgewezen.

elektra

4.22.

Ook de verwachtingen over de elektra die [eiser] aan de advertentietekst mocht ontlenen (‘Elektra machinekamer vernieuwd’) zijn door nadere communicatie getemperd. In de overeenkomst is met betrekking tot de elektra geen concrete bepaling opgenomen. Maar [gedaagde 1] c.s. heeft onweersproken gesteld dat zij aan [eiser] bij de eerste bezichtiging van het schip direct heeft toegelicht dat de in de advertentie gemelde vernieuwing van de elektra ziet op de vernieuwing van de elektrische bedrading van en naar de machinekamer en het stuurhuis en niet op een vernieuwing van elektra in de machinekamer. Dat bleek volgens [gedaagde 1] c.s. ook uit een bij de advertentie gevoegde foto, waarop de vernieuwing van de elektra in het stuurhuis te zien is. [gedaagde 1] c.s. stelt dat zij [eiser] een en ander tijdens de bezichtiging ook heeft getoond.

[eiser] heeft ter zitting erkend dat hem de verlegging van de elektra naar de stuurhut en het verplaatsen van de zekeringenkast naar de stuurhut zijn getoond en dat hij de gelegenheid heeft gekregen om in de machinekamer rond te kijken en de elektra te bekijken.

Dat [eiser] - zoals hij ter zitting heeft opgemerkt - pas achteraf gedetailleerder is gaan kijken en defecten constateerde, blijft voor zijn rekening. [eiser] heeft een oud schip gekocht en dit aanvaard in de staat waarin hij het had gezien.

4.23.

Gelet op het hiervoor overwogene, acht de rechtbank de stelling dat de elektra niet voldeed aan de koopovereenkomst niet houdbaar. [eiser] wist voor aankoop van het schip wat met ‘vernieuwde elektra’ door [gedaagde 1] c.s. werd bedoeld en heeft de staat waarin de elektra zich bevond aanvaard.

4.24.

Hierop stuiten de klachten over de elektra af. Voor zover de vordering daarop zijn gegrond, zullen deze worden afgewezen.

dwaling

4.25.

[eiser] stelt subsidiair dat hij heeft gedwaald en dat hij, indien [gedaagde 1] c.s. hem juist en volledig had geïnformeerd, het schip niet of niet onder dezelfde voorwaarden had gekocht.

4.26.

[gedaagde 1] c.s. betwist dat [eiser] heeft gedwaald. [gedaagde 1] c.s. voert aan dat [eiser] steeds volledig is ingelicht en dat zij hem alles heeft verteld waarmee [gedaagde 1] c.s. bekend was. Ook rustte op [eiser] als koper van een oud - uit 1961 daterend - schip een verregaande onderzoeksplicht. Zou [eiser] al hebben gedwaald dan is dat niet te wijten aan [gedaagde 1] c.s. [gedaagde 1] c.s. heeft zelf geen overmatig olieverlies van de motor heeft ondervonden, aldus [gedaagde 1] c.s. Daarnaast voert [gedaagde 1] c.s. aan dat de exoneraties een rechtsgeldig beroep op dwaling in de weg (kunnen) staan.

4.27.

Artikel 6:228 lid 1 BW bepaalt dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten vernietigbaar is, indien - voor zover hier relevant - de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij of indien de wederpartij in verband met hetgeen zij omtrent de dwaling wist of behoorde te weten, de dwalende had behoren in te lichten.

4.28.

Dat de gestelde verkeerde voorstelling van zaken bij [eiser] te wijten is aan het onjuist voorlichten of bewust verzwijgen van feiten of omstandigheden door [gedaagde 1] c.s., is niet gebleken.

Zoals hiervoor is overwogen, is komen vast te staan dat [eiser] voor aankoop van het schip door [gedaagde 1] c.s. nader is geïnformeerd over de staat, herkomst en draaiuren van de motor en bij de bezichtiging nader is ingelicht over de vernieuwde elektra. Daarbij is [eiser] gelegenheid geboden om rond te kijken in de machinekamer en de elektra nader te inspecteren en ook is de motor door een derde voor [eiser] geïnspecteerd. Onder die omstandigheden is niet houdbaar dat [eiser] door de advertentietekst een verkeerde voorstelling van zaken heeft gekregen die nog bestond toen hij de overeenkomst aanging en dat hij de koopovereenkomst onder invloed van die verkeerde voorstelling van zaken heeft gesloten.

4.29.

Dat [gedaagde 1] c.s. op de hoogte was van het door Doldrums geconstateerde overmatig olieverlies, heeft [gedaagde 1] c.s. met klem ontkend. [eiser] heeft ook onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit - indien bewezen - kan worden afgeleid dat [gedaagde 1] c.s. hiervan wel op de hoogte was maar hierover heeft gezwegen. De enkele aanwezigheid van volgens [eiser] aangetroffen bussen ‘Öl-Verlust Stop’ is daartoe ontoereikend. Te meer, nu tijdens de eerste reis met het schip door [eiser] evenmin overmatig olieverlies is waargenomen.

4.30.

Nu niet gebleken is dat [gedaagde 1] c.s. informatie achter heeft gehouden waarover zij [eiser] had moeten inlichten en [eiser] onvoldoende feiten of omstandigheden heeft gesteld die - indien bewezen – tot de conclusie leiden dat de gestelde verkeerde voorstelling van zaken bij [eiser] te wijten is aan een onjuiste mededeling van of verzwijging door [gedaagde 1] c.s., komt de rechtbank niet toe aan bewijslevering.

De subsidiaire vordering zal, als onvoldoende onderbouwd, worden afgewezen.

proceskosten

4.31.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. bepaald op € 2.042,- aan vastrecht en op € 1.442,- (2 punten x € 721,-, tarief III) aan salaris voor de advocaat.

De veroordeling in de proceskosten omvat een veroordeling in de nakosten als in het dictum bepaald. De proceskostenveroordeling zal worden vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen vanaf de vijftiende dag na de dag van de uitspraak van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening van de proceskosten.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] c.s. bepaald op € 2.042,- aan verschotten en op € 1.442,- aan salaris voor de advocaat;

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.

verklaart dit vonnis, wat de veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.M. van Schouwenburg-Laan. Het is ondertekend door de rolrechter en op 2 juni 2021 uitgesproken in het openbaar.

1182/1885